Boekenrubriek
Samengesteld door Leo Frijda
Gepubliceerd op: 5 februari 2026
What does Kafka have in Common with Jews?, Papers on the centennial of his Death, edited by Mark H. Gelber.
Uitgegeven in 2025 door De Gruyter
ISBN: 9783111638379
Eerder in deze boekenrubriek merkte ik al op dat ik zo af en toe bijzondere uitgaven aanschaf - vaak antiquarisch - die slechts in beperkte oplage zijn verschenen. Zo kocht ik zeer onlangs H. Marsman, Franz Kafka, Voornamelijk ‘Der Prozess’, uitgegeven in een beperkte oplage van 59 exemplaren, speciaal gedrukt voor Jan Erik Bouman ter gelegenheid van diens zestigste verjaardag op 27 februari 2007.
Dit opstel van Marsman uit 1936, ook te vinden in zijn verzameld werk, eindigt zo: "De romans door Joden geschreven zijn vooral in onze dagen talrijk als het zand der zee, maar de kenmerkend-joodse roman [niet in het Jiddisch geschreven] van deze zuiverheid en van dit formaat is een uitzondering. De ongewone begaafdheid, de zedelijke moed, de onbedriegelijke werkelijkheidszin, de verwachting van een betere toekomst, al deze ras-eigenschappen leven in Kafka’s boeken met ongehoorde en diep-overtuigende kracht."
Marsman deugt en het opstel deugt, maar een woord als ‘ras-eigenschappen‘, wat daar bovendien inhoudelijk van zij, is niet meer van deze tijd. En dan rijst de vraag hoe vandaag de dag tegen de Joodse kant van Kafka wordt aangekeken. Ruth Wisse meent in haar bekende boek uit 2005, Een reis door de moderne Joodse literatuur, dat "Kafka beslist tot de moderne Joodse letterkunde (moet) worden gerekend." Van Wisse is de mooie zin: "De moderne Joodse literatuur is de schatkamer van de moderne Joodse ervaringswereld." Wat Wisse onder "de Joodse ervaringswereld" verstaat, zal, schrijft ze, "duidelijk worden uit de werken die ik heb gekozen." Daar kan ik me goed in vinden.
Kafka woonde in Praag en schreef in het Duits, dus is er in Praag een Kafka-museum en is in Duitsland in boeken en films veel aandacht besteed aan het feit dat Kafka in 2024 honderd jaar eerder was overleden (overigens niet in Praag en evenmin in Duitsland maar in Oostenrijk). Ook in Nederland is de laatste tijd ruim aandacht aan Kafka besteed, zij het niet zozeer aan diens Joodse kant.
What does Kafka have in common with Jews? De titel van dit onlangs uitgekomen boek is ontleend aan Kafka’s dagboekaantekening van 8 januari 1914 die luidt: "Was habe ich mit Juden gemeinsam? Ich habe kaum etwas mit mir gemeinsam und sollte mich ganz still, zufrieden damit, daβ ich atmen kann, in einem Winkel stellen." Deze dagboekaantekening zou ik zelf liever niet gebruiken om de betekenis van Kafka’s jodendom na te gaan of om zijn gedachten over het zionisme tegen het licht te houden. Deze uitlating slaat vooral terug op een meer algemene gemoedsgesteldheid van Kafka.
Nogal eens wordt over het hoofd gezien dat de datering van belang kan zijn als men aan een uitlating van Kafka een specifieke betekenis wil toekennen. En dan moet worden vastgesteld dat in de tien jaar na 1914 zijn Joodse afkomst op verschillende momenten wel degelijk van wezenlijk belang is geweest. Bijvoorbeeld in 1917, toen hij zich de Hebreeuwse taal eigen begon te maken. En in de periode voor zijn overlijden, toen hij in Berlijn samenwoonde met Dora Diamant en zij beiden lessen volgden aan de Hochschule für die Wissenschaft des Judentums en Dora hem heeft ingewijd in de Joodse gebruiken tijdens sjabbat.
Mark H. Gelber, emeritus hoogleraar van de universiteit in Beersjeva, heeft What does Kafka have in common with Jews? geredigeerd. Gelber was eerder ook betrokken bij de in 1999 in Israël gehouden conferentie over Kafka waarvan de bijdragen in 2004 zijn gepubliceerd onder de titel Kafka, Zionism, and Beyond.
In de inleiding van Gelber staat dat in het gedenkjaar 2024 in Beersjeva opnieuw een conferentie, Kafka lives in Israel, was georganiseerd en dat één van de toen gehouden lezingen in het onderhavige boek is overgenomen. De andere hoofdstukken behelzen de voordrachten die juni 2024 tijdens een conferentie n Antwerpen zijn uitgesproken. Daarover merkt Gelber op: "In the aftermath of the Hamas attack from Gaza against Israel in October, 2023, it was certainly a fraught time to convene in Europe an international scholarly conference on an a Jewish and perhaps also a Zionist or Israel-related topic."
De conferentie kon worden gehouden en van de in Antwerpen uitgesproken inleidingen zijn er vier van universitaire docenten uit Israël. Bij de keuze voor Antwerpen komt Vivian Liska in beeld, de emeritus hoogleraar Duitse literatuur van de Antwerpse universiteit, tevens gasthoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Bovendien kent de universiteit van Antwerpen een Instituut voor Joodse studies waaraan Liska is verbonden.
Vivian Liska is een gerenommeerd Kafka-deskundige. Zij schreef de belangrijke boeken When Kafka Says We en German-Jewish Thought and its Afterlife: A Tenuous Legacy (beide boeken zijn ook in Duitse vertaling verschenen). Voor geïnteresseerden is op het internet een interview te vinden van Arnon Grunberg met Liska.
Voor Crescas heeft Vivian Liska eerder lezingen verzorgd en op zondag 26 april is opnieuw een door haar te geven lezing in het vooruitzicht gesteld: Justice and the Bible. Alle reden om daarop in te schrijven!
In het thans te bespreken boek staat haar in Antwerpen gehouden voordracht Turning to the World: Kafka and the Bible. Daarin neemt Liska drie teksten van Kafka tot uitgangspunt, waaronder Das Stadtwappen (kort gezegd over de toren van Babel). Haar conclusie: "One way of reading God’s prohibition to build the Tower unto heaven is as a divine reminder to humanity that its task is on earth: the Torah is not in the heavens, lo bashamaim he."
"In Kafka’s story, this truth is revealed in the fragile medium that is literature, which is, in turn, in all texts I have discussed here, a result of this truth."
In Kafka’s aan het eind van zijn leven geschreven verhaal, Josefine de zangeres, of het muizenvolk, komen twee thema’s samen, Kafka’s schrijverschap en de gemeenschap waartoe hij wil behoren. In dat verhaal gebruikt Kafka de woorden: "mijn volk".
In zijn literaire werk heeft Kafka woorden als Jood en Joods niet gebruikt (anders in zijn brieven en dagboeken). Of met "mijn volk" het Joodse volk is bedoeld, wordt mede daarom wel betwijfeld. In mijn Kafkaboek heb ik opgemerkt dat ik daarvan niettemin wil uitgaan, maar wel met de troostrijke gedachte dat Kafka niet voor niets "mijn volk" heeft geschreven en dat dus niet exclusief zal hebben bedoeld. Zo heeft hij, schreef ik, de condition humaine tot zijn centrale thema gemaakt.
Ik was dan ook nieuwsgierig naar wat Rochelle Tobias, hoogleraar Duits aan de Amerikaanse Johns Hopkins University, in haar in Antwerpen gehouden voordracht had opgemerkt over dit laatste, belangrijke verhaal van Kafka. Tobias komt daarin tot een conclusie die ik hier graag kort wil samenvatten. Die conclusie is mede gebaseerd op de volgende zinnen in Kafka’s verhaal: "Wer sie nicht gehört hat, kennt nicht die Macht des Gesanges."
En het is vooral in tijden van gevaar dat de roep van Josefine het krachtigst klinkt: "Josefine singt mit Vorliebe gerade in aufgeregten Zeiten, vielfache Sorgen und Nöte zwingen uns dann zu vielerlei Wegen, man kann sich beim besten Willen nicht so schnell versammeln, wie es Josefine wünscht."
Rochelle Tobias noemt Josefine een ‘Tsadeket’, een rechtvaardige vrouw, en zij komt in haar bijdrage tot deze slotsom: "We, the readers, gave the narrative breath and in so doing made Josefine, die Sängerin our story‘. Het verhaal is, zo gezien, "every reader’s supplement or musaf."
Moesaf, het herhaalde, toegevoegde gebed op sjabbat en op Joodse feestdagen, door Tobias genoemd "every reader’s supplement", is een mooie en relevante formulering. Kafka, schreef ik al eens, laat de lezer de ruimte om zijn teksten te interpreteren. De lezer wordt zo gedwongen na te denken over wat hij leest. En, voegde ik daaraan toe, dat kan tot zelfreflectie leiden.
Paula Modersohn-Becker trifft Else Lasker-Schüler, herausgegeben von Christiane Meixner,
Uitgegeven in 2025 door uitgeverij Philipp Reclam
ISBN: 9783150115541
Er bestaat een ansichtkaart gericht aan de uitgever Kurt Wolff die door Kafka en door Else Lasker-Schüler mede is ondertekend. Zo weten we dat ze elkaar op 24 maart 1913 in Berlijn hebben ontmoet. In café Josty.
Een maand eerder had Kafka zich in een brief aan Felice Bauer bepaald niet positief over Else Lasker-Schüler uitgelaten. "Het in het wilde weg schokkende brein van een geëxalteerde grotestadsbewoonster", schreef hij aan zijn verloofde.
Kafka voegde hier echter aan toe: "misschien vergis ik mij schromelijk daarin, er zijn heel veel mensen die van haar houden." Ik weet niet of Kafka haar in 1912 verschenen dichtbundel Hebräische Balladen kende. Die bundel opende met de gedichten 'Versöhnung' (over Jom Kipoer) en 'Mein Volk'. Maar zeker heeft Kafka geen weet meer gehad van wat Lasker-Schüler, de zwarte zwaan van Israël, heeft moeten meemaken na haar verdrijving uit Berlijn en tijdens haar laatste levensfase, toen zij in Jeruzalem woonde.
Voor mij behoren de gedichten van Lasker-Schüler (1869-1945) net als het werk van Kafka tot de "schatkamer van de Joodse ervaringswereld." Paula Modersohn-Becker (1876-1907) is geen schrijver maar een Duitse, niet Joodse, beeldend kunstenaar. Vooral haar portretten, waaronder zelfportretten, zijn vermaard.
Op de omslag van genoemd boek staat een gedeelte van een zelfportret uit 1906.
Het is niet onbegrijpelijk dat Christiane Meixner in haar nawoord schrijft dat de gedichten van de een en de portretten van de ander elkaar ontmoeten "met verrassende parallellen." Beiden worden gerekend tot het expressionisme, in de literatuur en in de schilderkunst. Ontmoet hebben zij elkaar niet. Wat hebben zij niettemin met elkaar gemeen? Volgens Meixner hun gevoel voor liefde en sensualiteit maar ook hun melancholie en eenzaamheid.
Het is een mooi boek geworden, al heb ik wel een opmerking. Bij de portretten van Modersohn-Becker staat steeds vermeld wanneer deze zijn gemaakt. De gedichten van Lasker-Schüler zijn echter zonder datering overgenomen uit een in 2020 verschenen uitgave van haar verzameld werk.
De keuze uit de gedichten van Lasker-Schüler zal mede bepaald zijn door de keuze voor de door Modersohn-Becker gemaakte portretten. En andersom. Daardoor ontbreken gedichten van Lasker-Schüler waarin ‘de Joodse ervaringswereld’ weerklinkt, zoals in het gedicht over haar blauwe 'Puppenklavier':
Ich habe zu Hause ein blaues Klavier
Und kenne doch keine Note.
Es steht im Dunkel der Kellertür,
Seitdem die Welt verrohte.
Ter aanbeveling twee gedichten van Lasker-Schüler, waarin de gekozen werken van Modersohn-Becker mooi samenvallen met de tekst. De eerste is uit het begin van het boek: het gedicht 'Melodie' van Lasker-Schüler met daarnaast het portret 'Mädchen mit Schleier' van Modersohn-Becker uit 1902:
Melodie
Deine Augen legen sich in meine Augen
Und nie war mein Leben so in Banden,
Nie hat es so tief in Dir gestanden
Es so wehrlos tief.
Und unter Deinen schattigen Träumen
Trinkt mein Anemonenherz den Wind zur Nachtzeit,
Und ich wandle blühend durch die Gärten
Deiner stillen Einsamkeit.
Tot slot een gedicht van Else Lasker-Schüler van later datum met een in het boek daarnaast geplaatst zelfportret van Paula Modersohn-Becker uit 1907 dat vrij van rechten is:

Sieh in mein verwandertes Gesicht ….
Tiefer beugen sich die Sterne
Sieh in mein verwandertes Gesicht.
Alle meine Blumenwege
Führen auf dunkle Gewässer,
Geschwister, die sich tödlich stritten.
Greise sind die Sterne geworden ….
Sieh in mein verwandertes Gesicht.
