Boekenrubriek
Samengesteld door Leo Frijda
Gepubliceerd op: 1 oktober 2025
Philippe Collin, De barman van het Ritz
Vertaald door Nicolet de Jong
Uitgegeven in 2025 door uitgeverij Cargo (een imprint van de Bezige Bij)
ISBN: 9789403135465
Parijs kent luxueuze hotels, het Majestic en het Ritz, waar velen nooit zullen hebben gelogeerd en evenmin het restaurant of de bar zullen hebben gefrequenteerd. Anders was dat voor Marcel Proust en James Joyce, die elkaar op 18 mei 1922 hebben ontmoet in het restaurant van Hotel Majestic.
Van het door deze schrijvers gevoerde gesprek, zijn verschillende versies overgeleverd. Joyce zou erover hebben geklaagd dat, terwijl hij het over kamermeisjes wilde hebben, Proust alleen maar over hertoginnen wilde spreken. Volgens de meeste versies echter zou het gesprek zich hebben beperkt tot de vraag van Proust aan Joyce of hij Du coté de chez Swann had gelezen. "Non, monsieur", zei Joyce. En de vraag van Joyce of hij Ulysses had gelezen, moet Proust op gelijke wijze hebben beantwoord: "Mais non, monsieur."
Ernest Hemingway heeft van december 1921 tot 1927 in Parijs gewoond en toen ook veel contact gehad met James Joyce. Daarvan is het nodige terug te vinden in zijn boek A Moveable Feast/Parijs is een feest dat eerst na Hemingways dood werd gepubliceerd. Het oorspronkelijk manuscript bevond zich in een koffer, tijdens de oorlog verstopt in het Ritz, waar Hemingway voordien nogal eens kwam.
“Als ik droom over het hiernamaals, over het paradijs, dan ben ik altijd in Het Ritz, in Parijs.”
Met deze aanhaling van Hemingway begint De barman van het Ritz van Philippe Collin. En als Hemingway al op vrijdag 25 augustus 1944, Parijs is die dag bevrijd, het Ritz weer bezoekt, begroet hij Frank, de barman: “Godsamme, wat is dat lang geleden!” Frank: “Zeg dat! Welkom in het paradijs …."
Voor Frank Meier was de bar van het Ritz gedurende de Duitse bezetting, van 14 juni 1940 tot 25 augustus 1944, niet slechts een paradijs. Benadrukt moet worden dat het boek van Collin een roman is, een reconstructie achteraf. Tegen de achtergrond van wat wel min of meer bekend is. Zo werd tijdens de jaren van bezetting de bar van het Ritz vooral bezocht door de partijbonzen van de Duitse bezetter. Göring had in het hotel zijn intrek genomen om van daaruit de roof van belangrijke schilderijen te organiseren.
Bijna niemand wist dat de bekende en populaire barman, Frank Meier, een Jood was. Frank was geboren als zoon van Poolse arbeiders die naar Wenen waren getrokken en probeerden hun Joodse afkomst achter zich te laten. Al jong ging Frank naar Amerika om daar zijn geluk te beproeven. Dat lukte hem, in New York ontwikkelt hij zich tot een ‘volleerd barman’ waarna hij naar Parijs gaat en daar een eigen bar opent. In 1921 wordt hij barman van het Ritz.
Ook tijdens de oorlog blijft het Ritz aan de Place Vendôme een toonbeeld van luxe. Als de ‘nazi-ambassadeur’ daar een galadiner geeft, staat het allerbeste op tafel: sint-jakobsschelpen en gepocheerde kwarteleitjes met kaviaar, wijn uit 1900 en een dessert au calvados.
Frank Meier is tijdens de jaren van bezetting niet de enige Jood in het Ritz. Frank wordt in de bar bijgestaan door een jonge bediende, Luciano, die eveneens Joods is. Als Luciano is verraden, helpt Frank hem ontsnappen. Ook weet niemand dat Blanche, de vrouw van een van de directeuren, Claude Auzello, eigenlijk Blanche Rubenstein heet. Frank helpt haar en anderen zo goed mogelijk via zijn contacten met een diplomaat van de Zweedse ambassade. Blanche speelt in de roman een belangrijke rol, omdat Frank verliefd op haar is en zij tot zijn grote schrik drie keer wordt gearresteerd.
Wat te denken van Frank Meier, die tijdens de bezetting van Parijs als barman van het Ritz hoge Duitse militairen dranken heeft bereid en ingeschonken? En in die tijd heeft hij zich ook nog eens verrijkt. Na de oorlog wegens collaboratie gearresteerd, wordt hij weer vrijgelaten, mogelijk tegen betaling van een hoog bedrag. Frank Meier overleed in 1947.
In het boek staan ook gefingeerde dagboekaantekeningen van Meier en door hem gevoerde gesprekken met zijn zoon. Eén van die gesprekken gaat zo:
“Je moet hier weg, zeg ik je! Uiteindelijk zullen de geallieerden Parijs bevrijden en dan zit je in de problemen. Geloof me nou toch!"
"Daar hebben we het al over gehad, Jean-Jacques. Ik heb mezelf niets te verwijten."
"Daar gaat het niet om Papa. Je hebt minder geleden dan de anderen, je zult verantwoording moeten afleggen.”
De roman van Collins ben ik gaan lezen omdat ik nieuwsgierig was naar de schrijvers die tijdens de bezetting nog steeds in het Ritz kwamen. Vanzelfsprekend niet Hemingway. Maar bijvoorbeeld wel de Duitse schrijver Ernst Jünger, die na de oorlog voor enige tijd een publicatieverbod kreeg, hoewel zijn in 1939 verschenen boek Op de marmerklippen als het regime vijandig zou kunnen worden gelezen.
De barman van het Ritz is in Frankrijk kennelijk heel goed ontvangen. Het leest zeker als een spannend verhaal. Verder blijft de onzekerheid van de beoordeling. En mijn gedachten gingen in dit verband uit naar Evelien Gans, die heeft gewaarschuwd tegen de grijstinten die erop neer kunnen komen dat tijdens de bezetting iedereen een “beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader was.” Lees hierover haar Gojse nijd & Joods narcisme maar na. Op individuen toegepast is de beoordeling natuurlijk niet zo eenvoudig.
Schrijven over vernietiging, Sem Dresden en de Holocaust vanuit meervoudig perspectief
Onder redactie van Tommy van Avermaete, Goran Bouaziz en Bram Ieven
Uitgegeven in 2025 door uitgeverij Verbum
ISBN: 9789493928821
Sem Dresden (1914-2002) was vanaf 1947 tot 1981 hoogleraar in Leiden. De laatste periode bekleedde hij de leerstoel Algemene Literatuurwetenschap. Dresden is bij een groter publiek vooral bekend als de schrijver van Vervolging, vernietiging, literatuur uit 1991 (gemakkelijk antiquarisch te vinden). Het nu verschenen boek met bijdragen van verschillende auteurs houdt het werk van Dresden tegen het licht. Daarvan wil ik hier één facet uitlichten.
Als het gaat om literatuur over de Sjoa komt de lezer volgens Dresden een belangrijke plaats toe. Die lezer moet tegelijk betrokken en niet-betrokken zijn. De lezer zou “bijna willen beleven wat hij leest, maar bevindt zich op veilige afstand. Daarvoor kan hij zich schamen, hij kan zelfs schuld voelen, er valt niets aan te veranderen. Het is de enige manier om na zoveel jaren deel te hebben aan de gebeurtenissen van het verleden. Deelneming, in alle betekenissen van het woord, zal dan mogelijk een plicht zijn.”
We leven nu in een tijd dat we gebeurtenissen veel sneller en ook veel directer kunnen meemaken. Onder deze omstandigheden geldt de door Dresden geformuleerde ‘plicht’ evenzeer.
Niet alleen het werk van Sem Dresden wordt in dit boek tegen het licht gehouden. Een groot aantal medewerkers bespreekt, in de woorden van de inleiders, “wat het betekent om te schrijven over vernietiging in brede zin.” “De vernietiging die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog voltrok heeft een eigen aard, maar geweld en vernietiging vonden en vinden ook op andere manieren en elders op grote schaal plaats.” En zo komt in sommige bijdragen onvermijdelijk tevens Gaza in beeld.
In het boek staan bijdragen van Grunberg en Jessurun d’Oliveira maar ook van de medewerkers die een andere achtergrond hebben. Zij komen uit Kaapstad, Seoul of Koerdistan. Hun kijk op ‘vernietiging’ geeft een welkome verbreding aan het onderwerp ‘vervolging, vernietiging, literatuur’.
Zo komt Ronalda S. Kamfer uit Kaapstad. Van haar is de zin: “Zowel in de vernietigingskampen als onder apartheid wordt schrijven overleven, verzet, herinneren.” Zeer pregnant komt dit thema ook tot uiting in de briefwisseling tussen Jessurun d’Oliveira en Bareez Majid, een Koerdisch-Nederlandse onderzoeker aan de Universiteit Leiden, die tijdens de briefwisseling in Amerika verblijft.
D’Oliveira begint deze briefwisseling met de geschiedenis van hemzelf en zijn familie. Vervolgens wijst hij erop dat het onvoorstelbare drama van de Sjoa uiteindelijk is uitgemond in internationale regelgeving en instituties die proberen daartegen een dam op te werpen (ik kom nu uit mijn schulp en gebruik de eigen bewoordingen uit het voorwoord van Tel me bij de amandelen).
D’Oliveira vindt het “uitermate pijnlijk om de Holocaust over één kam geschoren te zien worden met het optreden van Israël in Gaza.” Dat zullen velen van ons met hem eens zijn. Maar ook meent hij op door hem aangedragen en zeker niet onbegrijpelijke gronden dat Israël handelt in strijd met het Genocideverdrag.
Dit boek over Sem Dresden is het waard te worden gelezen. Beter gezegd, u moet het maar gaan lezen. Het geeft de nodige verdieping om, ik parafraseer Dresden zelf, de gebeurtenissen van deze tijd tot je door te laten dringen.
En bovendien geldt te allen tijde wat Hannah Arendt zo fraai heeft geformuleerd:
“De manifestatie van de wind van het denken is geen kennis; het is het vermogen om goed van kwaad, mooi van lelijk te onderscheiden. En dit kan inderdaad rampen voorkomen, in ieder geval voor mezelf, tijdens de zeldzame momenten waarop het erop aankomt.”
