Boekenrubriek

Samengesteld door Leo Frijda

Gepubliceerd op: 20 november 2025

Frida Vogels, In memoriam Hanny Michaelis
Uitgegeven in 2025 door Hof van Jan en gedrukt in een oplage van 94 exemplaren door de Korenmaat
Ook te vinden op de website van DBNL, de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Frida Vogels, In den vreemde, kronieken
Uitgegeven in 2024 door uitgeverij Van Oorschot
ISBN: 9789028242128

Er zijn verschillende kleine uitgeverijen die in beperkte oplages bijzondere werken drukken. Ik noem enkele, Hof van Jan, De Statenhofpers (laatstelijk met enkele brieven van Jan Hanlo), Koppernik (laatstelijk met de ‘aforismen’ van Kafka) en Atalanta Pers (laatstelijk met gedichten van Willem van Toorn).

Veelal zijn het beperkte oplages, fraai vormgegeven en soms met een handtekening van de auteur. Ik schafte mij de uitgave van Hof van Jan aan: Hanny Michaelis en Frida Vogels in één band en dat ook nog eens met de handtekening van Frida Vogels. Dat liet ik me niet ontgaan.

Eerst haal ik een gedeelte aan van een gedicht van Hanny Michaelis.

Dat kind was ik. – Er gaat zich iets herhalen:
weer kijk ik hunkerend de vogels na
die in hun cirkelende vlucht bepalen
de kring der wereld waar ik buiten sta.

Deze dichtregels van Michaelis had ik al eens geciteerd, in Tel me bij de amandelen, mijn persoonlijke reis door de literatuur. De laatste regel van dit gedicht is tevens de titel van deel 2 van het in 2017 postuum uitgekomen oorlogsdagboek van Michaelis (1922-2007).

Tussen sommige bladzijden van de verzamelde gedichten van Hanny Michaelis had ik indertijd papiertjes gestoken. Het ging dan om gedichten die me hadden geraakt. Michaelis, zag ik nu, wordt nog steeds gelezen. De laatste uitgave van haar verzamelde gedichten dateert van dit jaar.

Laat ik hier nog maar een van haar gedichten aanhalen die ik indertijd al van een bladwijzer had voorzien.

Met mijn neus in de boeken
snuffelend aan de levens
van anderen die nooit
hebben bestaan. Een geur
van papier en drukinkt,
maar soms overstemd
door het onvervalste aroma
van verdriet zoals het
nog steeds wordt geproefd.

De mooie uitgave In memoriam Hanny Michaelis bevat een artikel van Frida Vogels dat zij had vergeten bij het samenstellen van haar vorig jaar verschenen boek In den vreemde. Daar had het inderdaad goed in gepast, want het onderwerp is de vriendschap tussen beide schrijvers. Vogels heeft altijd contact onderhouden met Michaelis. Tot het laatst toe, toen Michaelis al was opgenomen in Beth Shalom en Vogels haar bezocht: ' “Ik mag niet mopperen”, zei Hanny tegen me. “Ik heb het hier goed. Ik word goed verzorgd. Maar ik lig wel drie keer per dag te janken, want dan denk ik aan vroeger." '

Frida Vogels, thans 95 jaar oud, schreef een indrukwekkend oeuvre. Haar eerste boek, De harde kern, bestaat uit drie delen. Voor deel twee kreeg zij in 1994 de Libris Literatuur Prijs. Daarna verschenen haar Dagboeken, in de loop van de tijd twaalf delen.

De recensies over haar vorig jaar verschenen boek In den vreemde hadden met elkaar gemeen dat zij een waarschuwing voor de lezer inhielden met uiteindelijk toch steeds een positief oordeel. Zo staat in Tzum: “Dit boek is niet voor iedereen weggelegd.” Maar daarna ook: “Voor Vogels is schrijven, meer dan een vak, een manier om de complexiteit van haar relaties en ervaringen te doorgronden en te kunnen delen.” En in NRC valt zelfs te lezen: “gejeremieer vol uitvoerigheden.” Toch eindigt ook die recensie positief: “Maar dan is daar het laatste hoofdstuk. De echtgenoot die haar nooit verliet en die zij nooit verliet, sterft. Vogels durft het aan om zijn laatste ademtocht te beschrijven en reikt in de volgende pagina’s naar de kern van haar rouw. Met haar literaire finesse lukt haar dat zonder larmoyant te zijn. Wel hartverscheurend.”

Misschien is In den vreemde inderdaad geen gemakkelijk te lezen boek. Toch raad ik het hier zonder meer aan. Al in de proloog schrijft Vogels: “Ik zit in mijn kamer, omringd door de beelden van mijn vriendschap en door mijn eigen woord. Als het goed is ziet de lezer mij.”

Vogels beoordeelt in dit boek zichzelf en al degenen die in haar leven een rol spelen of hebben gespeeld, haar Italiaanse man en diens familie, haar broer, haar vrienden. Al schrijvende probeert zij in haar relaties met anderen ook zichzelf te begrijpen. Hetzelfde, kan je zeggen, vraagt ze ook van de lezer: haar boek goed lezen, als een vriend.

Tijdens de oorlog, het is nog in het begin van het boek, bewoonden Vogels en haar moeder in Laren een kamer bij mevrouw Schnitzler, waar op een gegeven moment de Joodse jongen Max, 17 jaar oud, een schuilplaats had gevonden. Tot de bevrijding, waarna hij terugging naar Amsterdam. Hij vond er niemand meer. “De hele Joodse buurt van Amsterdam was gesloopt. Kort daarna meldde hij zich bij de marine om zo ver mogelijk weg te gaan van zijn vreselijke ervaring en een nieuw leven te beginnen. Twintig jaar later kreeg ik een brief van hem uit Australië. Ik ben met hem blijven corresponderen tot zijn dood.” Niet meer dan een korte zin maar direct al een voorbeeld van de vriendschappen die Vogels heeft onderhouden.

In die vriendschappen betrekt zij altijd uitdrukkelijk ook zichzelf. Een citaat uit een brief aan een vriend die zij in haar boek heeft overgenomen: “Ik kan alleen mezelf trouw zijn of verraden, en ik voel de behoefte, dat wel, om mezelf trouw te zijn. Daarom kan ik voor mezelf rekenschap geven van wat me gebeurt, maar niet voor een ander die betrokken is bij mij, en als ik een ander heb geraakt dan voel ik me schuldig.”

Vogels was in haar studententijd bevriend met een groep medestudenten onder wie Han Voskuil, die daarover heeft geschreven in zijn roman Bij nader inzien. Vogels is Henriëtte in die roman. Ook Voskuil en Vogels hebben altijd contact onderhouden. In het boek van Vogels staat een gesprek tussen haar en Voskuil die, “sprekend over zichzelf, zei ‘Je bent je hele leven bezig om alles op te schrijven, alles wat je geleefd hebt recht te zetten, en als je daar dan eindelijk klaar mee bent, kun je dood. Dan heb je daar je leven aan besteed.’ Ik lachte daarom, omdat ik het er zo precies mee eens ben.” In een notendop waar het In den Vreemde over gaat.

Ten slotte. In haar boek staat een interessant (en voor de lezer van vandaag maar al te herkenbaar) hoofdstuk over de Zesdaagse Oorlog. In een daarover gevoerd gesprek met een vriendin betwijfelt de laatste het bestaansrecht van Israël. Vogels verzet zich met klem tegen deze visie. Wel met de toevoeging dat Israël inderdaad nu moet “laten zien dat het ook de rechten van anderen kan respecteren.” In de tussen Vogels en haar vriendin ontstane woordenwisseling verwijst Vogels uitdrukkelijk en uitgebreid naar Primo Levi. En dat geeft aanleiding te vermelden dat Vogels enkele boeken van Primo Levi, waaronder Is dit een mens, in het Nederlands heeft vertaald; het valt tevens na te lezen in De Gids van 1993, 'de schrijver over Auschwitz'.

Vogels woont in Bologna. Vandaar hoeven we niet ver te reizen naar Piemonte, de geboortestreek van de Italiaanse schrijver Cesare Pavese. Ook van Pavese heeft Vogels enkele boeken vertaald, waaronder Stilte in augustus. Reden genoeg om in Italië te blijven en eindelijk Pavese te gaan lezen. Een geheel andere schrijver dan Vogels maar ook een schrijver die het ontleden van gevoelens van hemzelf en van zijn romanpersonen niet uit de weg gaat.

Cesare Pavese, De maan en het vuur
Vertaald door Max Nord/Mara Schepers
Uitgegeven in 2024 door uitgeverij Cossee
ISBN: 9789464521498

Cesare Pavese, Het huis op de heuvel
Vertaald door Martine Vosmaer
Uitgegeven in 2025 door uitgeverij Cossee
ISBN: 9789464522433

De Italiaanse schrijver Cesare Pavese (1908-1950) raakt terecht niet in vergetelheid. Uitgeverij Cossee geeft zijn boeken opnieuw uit. De vorig jaar uitgebrachte roman De maan en het vuur is zijn laatste roman, oorspronkelijk gepubliceerd in 1950, kort voordat Pavese de meest prestigieuze Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega, had gekregen en hij op 27 augustus 1950 in Turijn zelf een einde aan zijn leven had gemaakt. In het nadien verschenen Leven als ambacht, Dagboek 1935-1950, heeft Pavese dit in zijn laatste notitie van 18 augustus 1950 al aangekondigd: “Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer.”

Men kan desgewenst volstaan met het lezen van de belangrijkste fragmenten uit het Dagboek van Pavese, door Anton Haakman gepubliceerd in De Revisor en te vinden op de website van DBNL, de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Verder staat achterin de uitgave van De maan en het vuur een uitgebreid en verhelderend nawoord van Emilia Menkveld.

Pavese is geboren in Santo Stefano Belbo, een kleine plaats in Piemonte. Er zijn nogal wat liefhebbers van het werk van Pavese die een bedevaartstocht naar die plaats hebben gemaakt.

In De maan en het vuur keert de hoofdpersoon, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amerika verbleef, terug naar zijn geboorteplaats aan de rivier de Belbo. Hij wil weten wat zich daar tijdens zijn afwezigheid heeft afgespeeld. Dat is niet zo eenvoudig want “de gezichten, de stemmen en de handen die me moesten aanraken en herkennen, waren er niet meer.” In zijn ontmoetingen met vooral zijn jeugdvriend Nuto ontvouwt zich stap voor wat er tijdens de traumatische oorlogsjaren in die streek aan de rivier de Belbo is gebeurd.

Menkveld vat het in haar nawoord zo samen: “In De maan en het vuur thematiseert Pavese zijn ingewikkelde verhouding tot het fascisme en de consequenties van actief verzet, zonder een duidelijk oordeel te vellen.”

In Het huis op de heuvel, op 23 september van dit jaar door Cossee opnieuw in vertaling uitgebracht, ligt het accent vooral op de houding van iemand die tijdens de Tweede Wereldoorlog wel in Italië was. De 40-jarige hoofdpersoon, Corrado, ziet zich in deze roman gesteld voor de vraag, zo vat ik het maar kort samen, hoe men kan leven met een op beslissende momenten wat afstandelijke, zo men wil lafhartige houding in een tijd dat anderen wél verzet plegen. Eigenlijk valt het niet te doen om Het huis op de heuvel kort samen te vatten. Een samenvatting doet Pavese geen recht. Met dit voorbehoud en om al iets van de thematiek te laten zien toch het volgende.

Corrado is leraar op een school in Turijn en omdat die ‘verdoemde’ stad regelmatig wordt gebombardeerd, heeft Corrado voor de avond en de nacht een veiliger onderkomen gevonden, in een villa op een heuvel, even buiten de stad. Aan de andere kant van die heuvel, zo bemerkt hij na enige tijd, ligt een huis, het lijkt op een taverne, waar enkele leden van het verzet zich hebben teruggetrokken. Met een van hen, Cate, afkomstig uit zijn geboortestreek aan de Belbo en moeder van een zoon, Dino, heeft Corrado in zijn jonge jaren een relatie gehad die hij nogal bruusk heeft verbroken zonder rekening te houden met haar gevoelens. Hij wilde “vrij zijn en vertrok.”

Zo raken twee verhaallijnen elkaar: zijn houding toen hij indertijd Cate heeft achtergelaten en zijn betrokkenheid bij het verzet tegen het fascisme dat intussen de kop heeft opgestoken. Cate en Corrido trekken met elkaar op, maar zo zegt Cate: “we zijn niet meer als toen.” Zij zoekt zijn gezelschap maar houdt tegelijk afstand. Bij Corrido rijst intussen het vermoeden dat Dino zijn zoon is, maar Cate laat zich daarover niet uit. Wel laat Cate in een gesprek over de toekomst van Dino doorschemeren dat zij van Corrido verlangt dat hij “zo lang mogelijk doorleeft (…) dat hij iemand wordt.”

Turijn wordt bezet en dan ontvouwt zich voor de hoofdpersonen langzaam maar zeker het drama van oorlog en bezetting. De bewoners van de taverne, het huis op de heuvel, worden door de fascisten gevangengenomen. Onder hen ook Cate. Alleen Dino ontsnapt; tijdens de inval had hij zich buiten verstopt. Ook de verblijfplaats van Corrido blijkt na enige tijd niet langer veilig. Elvira die daar woont, weet voor hem en Dino een wél veilige schuilplaats, een priesterschool in Chieri.

De rector van deze school deelt na enige tijd aan Corrido mee dat hij gevaar loopt, “veel gevaar”. Zonder iemand iets te zeggen vertrekt Corrido. Dino laat hij daar achter, Dino “was op school en ik zag hem niet.” Als vervolgens blijkt dat Dino al zes dagen niet meer op het internaat is verschenen, gaat Corrido eerst nog terug naar Chieri. Tijdens zijn verblijft daar hoort hij dat de gevangenen uit het huis op de heuvel, onder wie Cara, vrijwel zeker zijn gefusilleerd. Of gedeporteerd: “vandaar keert niemand terug.”

Dino blijkt definitief verdwenen en Corrido meent: “Dino was een stolsel van herinneringen dat ik aanvaardde, dat ik wilde, alleen hij kon me redden en ik was voor hem niet genoeg geweest.” Als veilige mogelijkheid ziet hij dan alleen nog maar teruggaan naar de eigen familie in zijn geboortedorp.

Corrido vertrekt en bereikt – na de nodige omzwervingen – zijn geboortedorp aan de Belbo. Daar overdenkt hij zijn situatie, “een leven ver van mijn huidige leven, van Elvira, Cate, Dino en de school, ver van wat ik als man heb gewild en gehoopt, en ik vraag me af of ik ooit in staat zal zijn tevoorschijn te komen.”

“Ik geloof niet dat het afgelopen kan zijn. Nu ik heb gezien wat oorlog, wat burgeroorlog is, weet ik dat iedereen zich zou moeten afvragen, als het op een dag is afgelopen: ‘En wat doen we met de gevallenen? Waarom zijn ze gestorven?’ Ik zou niet weten wat ik moest antwoorden. Niet nu tenminste. En volgens mij weten de anderen het ook niet. Misschien weten alleen de doden het, en is alleen voor hen de oorlog echt afgelopen.”

Nieuwsbrief

Volg ons en blijf op de hoogte! Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief en wij zorgen dat je niks mist.