Amotz Asa-El: De Joodse mars der dwaasheid I

De proloog bij De Joodse mars der dwaasheid van Amotz Asa-El in vertaling - deel I

Gepubliceerd op: 2 september 2021

Johannes Hyrcanus bedekt zijn gelaat tijdens de belegering van Dagon (Amsterdam: Jan Luyken, 1698)

Het jaaropeningsevenement van het cursusjaar 2021-2022, dinsdag 12 oktober, is een interview met Amotz Asa-El, hoofdcommentator van de Jerusalem Post en auteur van de bestseller The Jewish March of Folly. Crescas heeft van de auteur toestemming gekregen de inleiding in het Nederlands te vertalen.
Vanwege de lengte plaatsen we de tekst in vier delen. Vandaag in de nieuwsbrief deel I.
Lees je liever van papier? De vertaling is ook als PDF te downloaden.

Amotz Asa-El: De Joodse mars der dwaasheid
Oorspronkelijke titel: Mitsad haïvelet hajehoedi
Oorspronkelijke uitgave: Yediot Sfarim, 2019

Inleiding tot de oorspronkelijke Hebreeuwse uitgave, vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt


Bij wijze van voorwoord

Kitty Genovese, die in 1964 op de drempel van haar flatgebouw in het New Yorkse stadsdeel Queens werd verkracht en vermoord, is niet bekend bij de meeste passagiers van de Jeruzalemse sneltram, waarmee we nu een reis door vijf delen en duizenden jaren aanvangen in de voetsporen van de Joodse mars der dwaasheid.
De barvrouw en manager van Ev’s Eleventh Hour Bar in New York staat los van ons onderwerp, maar haar levenseinde lijkt sterk op dat van een andere vrouw. En deze andere, naamloze vrouw uit Bijbelse tijden heeft hier ooit tijdens haar korte leven op een ezel gereden door velden die zich toen uitstrekten van het huidige Notre Dame of Jerusalem Center en St. George’s Cathedral tot aan onze sneltram die op weg is naar de Damascuspoort. Haar verhaal, ofwel omdat het in mysterie is gehuld, ofwel omdat het schaamte oproept, is verdoezeld door onze Israëlische leraren en nog meer door onze Joodse voorvaderen. Maar ze volgde per ezel ongeveer het spoor van onze sneltram, luttele uren voordat ze werd verkracht en het leven liet in het stadje Gibea, gelegen op de heuvel Tell el-Ful, vlak bij halte Beit Hanina.
Het verhaal staat bekend als ‘de schanddaad te Gibea’ en ter verdediging van degenen die het hebben weggedrukt, moet worden gezegd dat het niet alleen moeilijk te verteren is, maar ook moeilijk te bevestigen, al zijn de meeste verkrachtingsverhalen helaas reëel. Eveneens reëel zijn meestal de verhalen over het schandaal dat ze oproepen. Zoals toen de Israëliet in de Bijbelse oudheid het lijk van zijn verkrachte bijvrouw in twaalf stukken sneed en naar elk stamgebied van Israël een stuk stuurde om de publieke opinie wakker te schudden. En zoals toen de stadsredacteur van The New York Times, Abe Rosenthal, in zijn bestseller Thirty-Eight Witnesses de nalatigheid hekelde van Kitty Genovese’s buren, die haar kreten hadden gehoord en niets hadden gedaan om haar te redden.
Het verschil tussen beide zaken is dat de dood van Genovese een plaatselijk verhaal was en is gebleven, terwijl de dood van de Israëlitische bijvrouw volgens de rapportage van onze voorouders een oorlog ontketende. Dit was niet zomaar een oorlog, maar een bloedige burgeroorlog, een van de vele waarop onze voorouders gretig uittrokken, en hiermee gaven ze het startsein voor de mars der dwaasheid die door dit boek in kaart gebracht, gereconstrueerd en aan de kaak gesteld zal worden.
De mars die het Joodse volk naar de rand van de ondergang bracht, ving aan in de oudheid en duurt voort tot onze tijd, terwijl de politieke dwaasheid van tal van zijn protagonisten – Bijbelse iconen als Mordechai, Hasmonese vorsten als Johannes Hyrkanus, gewelddadige avonturiers als Simon bar Giora, Talmoedische wijzen als Rav Jehoeda, grootse Bijbelcommentatoren als Rasji, Saädja Gaon en Abarbanel, chassidische rebbes als Sjolem Dovber Schneersohn, denkers van het reform jodendom als Kaufmann Kohler en communistische revolutionairen als Leon Trotski en Rosa Luxemburg – rechtse en linkse Israëli’s verleidt.
Natuurlijk, de grootste rampen in de Joodse geschiedenis zijn het werk van externe vijanden – Assyriërs, Babyloniërs, Romeinen, Duitsers en andere volkeren –, zo is ons immers geleerd op school en zelfs daarvoor al, in onze kleuterjaren. Wat ons niet is geleerd, is hoe de politieke lichtzinnigheid van onze voorouders het Joodse volk heeft blootgesteld aan de zwaarste morele, politieke, culturele en fysieke aanvallen waarvoor enig volk ooit heeft gestaan in de menselijke geschiedenis.
Als kind in New York leerde ik over de verschrikkingen van de Amerikaanse Burgeroorlog. Als kind en tiener in Jeruzalem leerde ik niet over de burgeroorlogen in het Bijbelse Israël, het Hasmonese koninkrijk Judea en het Romeinse Jeruzalem. Ook u bent er op school niet over onderwezen, in elk geval niet op een ordelijke, uitgebreide manier. Daarom weten de meesten van ons niet hoe onze voorouders van nationale solidariteit, politieke soevereiniteit en staatkundige onafhankelijkheid marcheerden naar de maatschappelijke vervreemding, het politieke anarchisme, de geografische versplintering, de religieuze verwatenheid en het staatkundige fatalisme die leidden tot de discriminatie, smaad, vernedering en slachtpartijen waarvan het Joodse bestaan eeuwenlang vergezeld is gegaan. Noch hoe de mars, aanvankelijk gevoed door een anarchistische geest die de stam prefereerde boven de natie en de profeet boven de staatsman, er later toe leidde dat politiek, diplomatie en het vaderlandse grondgebied massaal de rug werd toegekeerd en dat onze voorouders uiteindelijk volledig vluchtten voor de verantwoordelijkheid voor de toekomst van hun volk en alles wat daarvoor elementair was: zijn vrijheid, leven en eer.
Zo meteen stippelen we in vijf delen de route uit die we zullen volgen. Daarna zal ik ook uitleggen waarom ik een tocht maak die volgens mij voor iedere Jood en Jodin van groter belang is dan de tegenwoordig zo veelvuldige bezoeken aan vernietigingskampen. Maar eerst een paar woorden over de kaart vol gaten waarmee we ons behelpen op het eerste, oudste deel van de tocht, bijvoorbeeld in het verhaal over de oorlog die werd ontketend door de verkrachting in Gibea.

Stel u voor dat de Jeruzalemse Snarenbrug er al stond aan het einde van de oorlog van Israëls stammen tegen die van Benjamin en dat wij toen vanaf die brug uitkeken naar het noorden. We zouden de skyline aan weerszijden van het huidige Nabi Samwil dan oranje, grijs en zwart zien kleuren van de razende vlammen en de rookwolken tussen Rosj Haäjin en Jericho. Want "het leger van Israël" trok van stad tot stad in het stamgebied van Benjamin, en "elke stad waar ze geweest waren, lieten ze in vlammen opgaan" (Rechters 20:48). Dat lijkt op wat de Amerikaanse generaal William Sherman deed met steden, stadjes, dorpen, militaire bases, fabrieken, telegraafpalen en alles wat hij in Georgia tegenkwam op zijn weg van Atlanta naar Savannah aan de zee.
De gedachte aan zulk hevig geweld onder onze voorouders is moeilijk te verteren. Het is ook niet logisch dat in reactie op nieuws over een misdaad in het stadje Gibea een vrijwillig leger op de been werd gebracht – het verzamelde zich tussen de Scopusberg en de huidige wijk Nevee Jaäkov – van "vierhonderdduizend man voetvolk" (Rechters 20:2). Dat is bijna even groot als de Grande Armée waarmee Napoleon Rusland binnenviel en meer dan twee keer het totale aantal militairen dat tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog deelnam aan de beslissende Slag bij Gettysburg. Weliswaar herinnert het litteken in de ruit rechts van mij, achtergelaten door een steen die naar de sneltram is gegooid (onder omstandigheden die niet met ons onderwerp te maken hebben) aan de zevenhonderd Benjaminitische "slingeraars die zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten" (Rechters 20:16). Volgens onze verslaggever streed deze artillerie-afdeling aan de zijde van "zesentwintigduizend man die het zwaard konden voeren" (Rechters 20:15). Maar ondanks het bekende blast effect van artillerie-inslagen blijft het onaannemelijk dat de Benjaminitische stenengooiers en zwaardvechters op de hellingen van de huidige Jeruzalemse wijken Pisgat Zeëv en Shuafat veertigduizend Israëlitische krijgslieden hebben geveld.
Maar behalve de aantallen is ook moeilijk voorstelbaar dat onze voorouders te vuur en te zwaard en met spiesen en pijlen volkerenmoord zouden plegen op een van de Israëlitische stammen, al weigerden de Benjaminieten de verantwoordelijken voor de misdaad in Gibea uit te leveren. Bovendien is onwaarschijnlijk dat uit de afgeslachte stam later de eerste Israëlitische koning zou voortkomen, Saul, die uitgerekend vanuit datzelfde Gibea regeerde.
Het aan ons overgeleverde verhaal van de oorlog tegen de Benjaminieten is inderdaad gehuld in legendarische nevelen. Daarom zullen we het terzijde laten, ook bij de beschouwing van de oorlog die later uitbrak tussen Juda en Benjamin. Maar onthoud: ook wat de Amerikanen elkaar onderling hebben aangedaan tijdens hun burgeroorlog was vooraf moeilijk voorstelbaar, en als het niet in een nabij verleden had plaatsgevonden en op moderne wijze was vastgelegd, dan hadden wij misschien ook in twijfel getrokken dat leden van één en hetzelfde volk – dat niet lang daarna de sterkste wereldmacht op aarde zou voortbrengen – elkaar in een burgeroorlog hebben afgeslacht.

Deel II verschijnt op zondag 12 september, deel III op zondag 26 september en deel IV op vrijdag 1 oktober.

Alle delen van de proloog zijn na verschijnen als PDF te downloaden.

Amotz Asa El Deel 1

Nieuwsbrief

Volg ons en blijf op de hoogte! Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief en wij zorgen dat je niks mist.

Bekijk nieuws overzicht

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.