Boekenrubriek

Samengesteld door Leo Frijda

Gepubliceerd op: 18 september 2025

Manès Sperber, Voorbij de vergetelheid
Vertaald door Jan Bert Kanon
Verschenen in 2025 bij uitgeverij Van Maaskant Haun
ISBN: 9789083489346

Eerder noemde ik in deze rubriek al de vertalingen van de eerste twee delen van Sperbers trilogie, All das Vergangene, Alles wat voorbij is, oorspronkelijk verschenen in 1977. Deze zomer is nu ook het derde deel verschenen, Voorbij de vergetelheid. Daarvan zijn intussen goede recensies verschenen in NRC en op de site van Tzum.

In NRC schrijft Krielaars dat hij dit laatste deel het liefst elke politicus kado zou doen. Daar kan ik zonder meer mee instemmen. Alles wat voorbij is laat goed zien dat dictaturen niet te vertrouwen zijn. En wat de gevolgen zijn als men meent met dictators toch afspraken te kunnen maken.

Het boek begint met de vlucht van Sperber uit nazi-Duitsland. Op 24 april 1933 stapt hij in Berlijn op de trein naar Wenen. Die treinreis begint op het Anhalter Bahnhof, het station dat ook Paul Celan ruim vijf jaar later, november 1938, aandeed en waarover hij in zijn gedicht 'La Contrescarpe' opmerkte: “Op Anhalter Bahnhof stroomde er rook over je blik, die al van morgen was.”

In Wenen ziet Sperber zijn ouders terug. Zijn moeders ogen, schrijft hij, vulden zich met tranen. “Mijn vader stond iets voorovergebogen, als aan het eind van het Sjemonee Esree, het gebed van de achttien zegeningen dat je binnensmonds dient uit te spreken.” Sperber ziet zichzelf, schrijft hij verderop in zijn boek, als “Jood en antifascist.”

De Joodse kant van Sperber dringt als het ware tussen de regels door. Al gelooft Sperber meer “in de kleine aardse eeuwigheid van al het menselijke.” En het zijn dan ook vooral de politieke ontwikkelingen vanaf 1933 tot na de oorlog die hij in dit deel van zijn trilogie volgt. Sperber is een ooggetuige, geen buitenstaander. In het begin van zijn boek citeert hij een, wat hij noemt “merkwaardige bezwering uit zijn jeugd in het sjtetl”:

“Dat zal ik niet vergeten tot ze scherven op mijn ogen leggen.”

Sperber vertelt het verhaal van zijn tijd aan de hand van de eigen opvattingen. Ooggetuige doet het boek dan ook tekort. Sperber was een betrokken ooggetuige. En hij heeft veel personen gekend die middenin het politieke leven van zijn tijd stonden.

Die personen kan ik in dit kort bestek niet allemaal noemen, laat staan bespreken. Als voorbeeld noem ik André Malraux. Hij interesseerde mij ook omdat ik nu eenmaal van een generatie ben die op de middelbare school Du Perron en dus diens vriend Malraux lazen, de schrijver van La condition humaine/Het menselijk tekort. De contacten tussen Sperber en Malraux ademen eveneens vriendschap en dat veranderde niet toen Sperber na de oorlog de ontwikkeling van Malraux als kompaan van De Gaulle niet zonder meer kon volgen. Hij nam toen “het besluit om nooit meer om politieke redenen een vriendschap op te zeggen.”

Dat ligt anders als het gaat om politieke stromingen waar Sperber zich bij had aangesloten, in de eerste plaats het communisme. Sperber had al eerder bedenkingen, maar het was vooral het niet-aanvalsverdrag tussen Stalin en Hitler dat hem de ogen definitief heeft geopend. Het betekende “de grootste politieke en morele nederlaag, die men ooit heeft geleden.” Voor Sperber leidde het ‘voorgoed’ tot een breuk met het communisme.

Sperber kreeg toen, schrijft hij, “moeiteloos de vrijheid terug om waar te nemen en te oordelen." Zo nam hij waar dat te vaak werd toegegeven aan de gedachte dat het soms maar beter was aan de eisen van een dictator te voldoen. Om de dictator tevreden te stellen. Wat zelden of nooit helpt. Integendeel. Laat ik Sperber – als voorproefje en ter overdenking - zelf maar met een enkel citaat het woord voeren:

“Wie zijn gezicht altijd naar de vijand keert, hoeft de zwakke punten en het jammerlijk falen van het eigen kamp niet te zien.”

Toen Sperber in 1975 de Georg-Büchner-Preis had gekregen, zei hij, Goethe citerend:

“Misschien omdat ik pas laat schrijver ben geworden, is ‘het lied dat uit de keel dringt’ beslist geen loon dat rijkelijk beloond wordt maar in de geest van rabbi Nachman van Breslov een voortdurend hernieuwde oproep om de lezer wakker te schudden, de lezer en mijzelf.”

Barbara Trapido, De minder bekende broer van Jack
Vertaald door Roos van de Wardt en met een voorwoord van Rachel Cusk
Verschenen in 2025 bij uitgeverij De Geus
ISBN: 9789044547849

Tot het lezen van dit boek van Trapido kwam ik door een recensie van Maria Kager, kenner van James Joyce en Kafka, die bovendien vorig jaar zelf ook een roman had gepubliceerd, De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf, verschenen bij De Arbeiderspers.

De minder bekende broer van Jack is de debuutroman van Trapido uit 1982 en eerst nu in het Nederlands vertaald. De titel verwijst naar de broers Jack en William Butler Yeats.

Net als Maria Kager heb ik deze roman met veel plezier gelezen. En dat komt vooral door de familie Goldman. Kager spreekt in haar recensie terecht van “sprankelend taalvuurwerk”. De hoofdpersoon, Katherine Browne, trekt de aandacht van Jacob Goldman, een hoogleraar filosofie in Londen, waardoor ze kennis maakt met hem, met zijn vrouw Jane en met hun zes kinderen, onder wie twee jongens van om en nabij haar leeftijd, Roger en Jonathan.

Katherine betreedt een haar onbekende, fascinerende wereld. Zij wordt ondergedompeld in een intelligent, ruimdenkend, onconventioneel gezin en zij geniet er met volle teugen van. En de lezer met haar. Maar het is niet alleen maar rozengeur en maneschijn. Katherine wordt door Roger, met wie ze een relatie is aangegaan, bruut aan de kant gezet en vlucht naar Rome. Haar verblijf daar vormt het middenstuk van de roman. Daarna wordt het contact met de familie Goldman hersteld. Het is dan vooral Jonathan die haar opvangt.

Het gezin Goldman heeft een geheel andere achtergrond dan Katherine, die uit een Londens middenstandsgezin stamt. Bovendien laat haar antisemitische moeder duidelijk merken dat zij het maar niks vindt dat Katherine met Joden omgaat: “Als je Goldman heette, dan was je Joods.” Dat ‘Joods’ slaat echter niet op Jane Goldman. Haar familie “is patricisch Anglo-Iers. Ze is tegen hun zin met haar Jood uit het Londense Mile End getrouwd." Jacob Goldman dus. Bijna terloops blijkt dat diens vader “in nazi-Duitsland verdwenen is” en Jacob zelf heeft “ooit met een gele ster moeten lopen.”

In haar recensie schrijft Kager terecht dat ”Katharine’s coming of age in de eerste plaats een aanleiding was om dit gezin beschrijven”, “een verrukkelijk gezin – ze doen denken aan J.D. Salingers New Yorkse familie Glass, ook een half-Joods, intellectueel gezin met geniale kinderen, ook zo heerlijk eigen en levendig.”

De familie Glass komt in veel van de verhalen van Salinger voor. De voorouders binnen die familie zijn Les en Bessie Glass, eveneens van respectievelijk Joodse en Ierse afkomt. Een van hun kinderen is Seymour Glass over wie Salinger in zijn verhaal 'Seymour, een introductie', opmerkt dat “ikzelf, net als zowel de Seymour uit het verhaal als de Echte Seymour, was teruggekeerd van het strijdtoneel in Europa.”

En zo kom ik op Salinger zelf en op Gunzenhausen, een boek van de Belgische schrijver Piet de Moor. Hij is vooral bekend als de auteur van Berlijn, Leven in een gespleten stad (een herziene uitgave is in voorbereiding).

Piet de Moor, Gunzenhausen, Het parallelle leven van J.D. Salinger, door hemzelf verteld
Verschenen in 2018 bij uitgeverij Van Gennep
ISBN 9789461644893

Gelukkig vond ik aanleiding om op dit bijzondere boek te wijzen, ook omdat dit jaar bij Wallstein Verlag een Duitse vertaling van Gunzenhausen is verschenen.

Eerst de Amerikaanse schrijver J.D. Salinger (1919-2010), zoon van een uit Litouwen afkomstige Joodse vader en een, jazeker, Schots-Ierse moeder. Zijn meest bekende boek is The Catcher in the Rye/De vanger in het graan. Veelal wordt dit boek uitgelegd als “het coming of age-verhaal van de picareske Holden Caulfield die als zeventienjarige inrichtingspatiënt terugkijkt op zijn rampzalige schoolcarrière en gehavende familie.”

In de vuistdikke biografie over Salinger van de hand van David Shields en Shane Salerno (2014) staat echter dat “wat op het eerste gezicht een bildungsroman" lijkt, "het best kan worden gelezen als een verkapte oorlogsroman.” Dat verraste mij, zelfs na het herlezen van The Catcher in the Rye.

Het is Piet de Moor die in zijn boek Gunzenhausen, waarin hij Salinger zelf aan het woord laat, alle stof biedt om de conclusie, een verkapte oorlogsroman, te onderbouwen. De Moor laat Salinger zeggen: “Schrijvers zijn de jutters van de geschiedenis.”

Ik vat kort samen. 6 juni 1944 landt Salinger op Utah Beach in Normandië. Als militair verbonden aan de contraspionagedienst maakt hij op 25 augustus 1944 de bevrijding van Parijs mee en op 6 november 1944 de slag in het Hürtgenwald (iets ten zuiden van Aken) waarbij veel Amerikanen sneuvelen. En het is voorjaar 1945 dat Salinger met zijn regiment Kaufering IV binnentrekt, een ‘nevenkamp’ van Dachau.

In de biografie van Shields en Salerno is een foto afgedrukt van de kampcommandant van Kaufering IV te midden van de vele lijken met het citaat: “Het krankzinnige is dat hij daar gewoon staat.” Voor de kampcommandant was het gewoon werk. Voor Salinger hadden al deze ervaringen tot gevolg dat hij juli 1945 wegens een posttraumatische stressstoornis enige tijd moest worden opgenomen in een kliniek in Neurenberg.

Daarna zien we Salinger terug in Gunzenhausen als lid van de contraspionagedienst. Zijn werk was het opsporen van personen die oorlogsmisdaden hadden gepleegd. Salinger was een ‘rechercheur’ geworden.

Gunzenhausen, waar Salinger van november 1945 tot april 1946 verbleef, is een kleine plaats in Beieren. In die tijd was het plaatsje met eens een synagoge en een Joods café (Gastwirtschaft Strauβ) al Judenfrei. Maar voor ik naar De Moor gaan, wijs ik op nog een foto in de biografie van Shields & Salerno, “genomen tijdens de Tweede Wereldoorlog terwijl Salinger aan The Catcher in the Rye werkt.” Toen dus al.

Laat ik nu Salinger daarover maar zelf aan het woord laten, al is het via de pen van Piet de Moor:

“De wreedheid is mijn persoonlijke zaak geworden. Ik wil straffen. Maar ik wil ook achterhalen wat er is gebeurd. Meer dan in de gedaante waarin het zich openbaart ben ik geïnteresseerd in de trigger van het kwaad, door welke mechanismen het in werking treedt, hoe het kan worden vertraagd of voorkomen.”

“De roman over Holden zit in mijn hoofd. Een paar hoofdstukken zijn zo goed als klaar, de invalshoek is goed, de taal solide, afgemeten en direct. Maar dat is niet genoeg. Ik vertik het de roman te schrijven die mijn uitgever van me wil. Mijn doel is het schrijven van een roman die een bres slaat in een muur waar niemand overheen kan kijken.”

Het lezen van Gunzenhausen kan behulpzaam zijn om Salinger en The Catcher in the Rye, oorspronkelijk verschenen in 1951, beter te begrijpen. Maar het boek van De Moor biedt veel meer.

Zo spelen in Gunzenhausen schrijvers een grote rol. Niet alleen Hemingway, die Salinger in Parijs heeft leren kennen. Salinger geeft als verteller de lezer zelfs een lange lijst van zijn favoriete schrijvers. Ik waarschuw maar, het zijn zoveel schrijvers dat het je als lezer soms wellicht duizelt. Maar ook dit alles is de moeite waard. Salinger “eet uit de hand van de wereldliteratuur.”

In het eerste hoofdstuk van Gunzenhausen vertelt Salinger dat zijn vader hem in 1937 naar Wenen heeft gestuurd. Het laatste hoofdstuk is gedateerd 1 januari 2010. Salinger:

“Maar toch, alles, alles wat ik heb geschreven: ik zou het zonder aarzelen of spijt vernietigen als ik de spiraal van tijd en ruimte maar terug kon draaien, als ik maar weer een jongen van achttien jaar en opnieuw in Wenen was, het Wenen van vóór 1938, het Wenen van vóór de ondergang, toen (..) de synagogen nog niet brandden (…).”

Nieuwsbrief

Volg ons en blijf op de hoogte! Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief en wij zorgen dat je niks mist.