Boekenrubriek
Samengesteld door Leo Frijda
Gepubliceerd op: 8 januari 2026
Alicja Gescinska, Vrouwen in duistere tijden, Tien denkers van blijvende betekenis
Uitgegeven in 2025 door De Bezige Bij
ISBN: 9789403133843V
Gescinska begint haar boek zo: “ik ben een kind van de twintigste eeuw. Dat zeg ik niet enkel omdat ik in die eeuw geboren ben, maar omdat het huis van mijn denken gebouwd is op fundamenten gelegd door denkers en schrijvers die toen leefden en dachten.” Gescinska staat daarin niet alleen.
De in België wonende schrijfster is in 1988 met haar ouders Polen ontvlucht. In haar boek behandelt ze niet slechts een aantal vrouwelijke denkers uit de twintigste eeuw, maar vertelt ze in de inleiding van haar boek eerst hoe zijzelf de migratie heeft ervaren: “In het dorp was een vestiging van een grote speelgoedketen (…). Zoiets kenden we helemaal niet in Polen. Hele winkelrekken vol, dat op zich al was een bijzonderheid. (…) In Polen had ik welgeteld één speelpop, maar die was ik bij onze vlucht vergeten mee te nemen. We brachten enkele uren in de winkel door en keken ons de ogen uit en aan het einde volgde mijn onvermijdelijke vraag: uiteraard wilde ik graag een nieuwe speelpop krijgen. Daar was echter geen geld voor, en toen foeterde ik dat ik er niets van begreep. Waren we daarvoor naar het ‘vrije’ westen gekomen (…)”
Gescinska is daarna tot het inzicht gekomen dat de mens zijn menselijkheid aan zijn medemens is verschuldigd: “Alleen wanneer anderen ons als mens erkennen en behandelen, begrijpen we onszelf als mens.” Het kleine meisje uit Polen heeft zich in de loop van de tijd ontwikkeld tot een bekend filosofe en schrijfster. Haar eerste boek had tot titel De verovering van de vrijheid. Vorig jaar publiceerde zij De illiberale verleiding: Over de uitholling van de democratische rechtsstaat*. En nu is dus haar boek over een tiental vrouwelijke denkers verschenen. “We hebben allemaal de taak om elkaars menselijkheid en elkaars vrijheid te bestendigen. Precies dat hebben de tien vrouwen in dit boek gedaan”, schrijft Gescinska in haar inleiding. En zij voegt daaraan toe: “We leven helaas in een tijd waarin zoveel haat te lezen valt op het gelaat van de wereldpolitiek.”
Dit is precies de reden dat ik in deze eerste boekenrubriek van het nieuwe jaar enkele boeken ga noemen die over het verleden gaan. Laat hierover geen misverstand bestaan. Ik bedoel niet dat het verleden zich één op één zal herhalen. Maar wel dat wat in het verleden is gebeurd een handvat kan zijn om vooruit te kijken, om, zoals Gescinska het noemt, in het gelaat van de wereldpolitiek te kijken.
In het nieuwe boek van Gescinska passeren tien vrouwelijke denkers van blijvende betekenis de revue, Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Elk van hen met een passende ondertitel en een motto.
Over drie van deze vrouwelijke denkers enkele opmerkingen. Eerst Rosa Luxemburg die als ondertitel meekrijgt: Over moed. “De moed om te denken is het leidmotief van Luxemburgs leven”, schrijft Gescinska: “Ze volgde niemand” en was bepaald ook geen orthodoxe marxist. In dit verband neemt Gescinska het volgende citaat van Luxemburg over: “Zonder algemeen kiesrecht, zonder onbelemmerde pers- en verenigingsvrijheid, zonder vrije meningsstrijd, dooft het leven in alle openbare instituten en verwordt tot een schijnleven waarin de bureaucratie als actief element overblijft.”
Gescinska laat zien dat het denken van Luxemburg aansluit op het gedachtegoed van Hannah Arendt, die andere denker van blijvende betekenis. “Arendt is misschien wel de belangrijkste intellectuele erfgenaam van Luxemburgs denken over politiek handelen." Bij het hoofdstuk over Arendt plaatst Gescinska het volgende citaat: “At the center of politics lies concern for the world.” Zo stonden Luxemburg en Arendt beiden uiterst argwanend tegenover het opkomend nationalisme van hun tijd.
Ten slotte het portret van Etty Hillesum. Bij dit portret plaatst Gescinska het volgende motto, een citaat van Hillesum zelf: “Laten we ervan doordrongen zijn dat ieder atoompje haat dat wij aan deze wereld toevoegen haar onherbergzamer maakt dan ze al is.” Bij het schrijven van dit hoofdstuk heeft Gescinska al gebruik kunnen maken van de biografie van Etty Hillesum, verschenen in 2022 en geschreven door Judith Koelemeijer. Als het door Gescinska geschilderd portret van Hillesum u raakt, wat geen verbazing zou wekken, raad ik met klem aan om ook deze indrukwekkende biografie te lezen.
Terecht onderstreept Gescinska de menselijke waardigheid die het denken en handelen van Hillesum kenmerkt. Het is haar levenshouding, ook als dat betekent de dood in Polen. Onderduiken wilde zij niet. Zij ging haar lot zonder gevoelens van haat tegemoet: “Als je het verdriet niet het eerlijke onderdak verleent, maar de meeste ruimte openstelt voor haat en wraakgedachten, waaruit weer nieuw verdriet voor anderen geboren zal worden, ja dan neemt het verdriet nooit een einde in deze wereld en zal het steeds vermeerderen.”
Indien in deze tijd de vraag rijst wat het verleden ons kan leren, wordt vaak teruggegrepen op de Weimarrepubliek. Dat ligt natuurlijk ook wel voor de hand. In ons land publiceerde de Leidse historicus Patrick Dassen in 2021 De Weimarrepubliek, 1918-1933, Over de kwetsbaarheid van de democratie. In het nawoord van dit boek schrijft Dassen over “de actualiteit van de Weimarrepubliek”. Bij alle verschillen, economische en politieke, roept die tijd vragen op die nog steeds actueel zijn. Het gaat dan om “vragen over identiteit en cultuur.”
Dassen meent dat in onze tijd een van de grootste problemen is dat er geen overeenstemming meer wordt bereikt over ‘de feiten’. “Daarmee staat niets minder dan ‘de waarheid’ op het spel. Daarom is het van het allergrootste belang dat de onafhankelijke journalistiek en wetenschap recht overeind blijven en hun kritische werk kunnen blijven doen – het is een onmisbare basis voor het bestaan van een democratische rechtsstaat.” “De democratie is kwetsbaar, ook ogenschijnlijk sterke democratieën, altijd en overal.”
Laten we maar eens kijken wat een andere historicus ons vandaag, enkele jaren na Dassen, over de Weimarrepubliek te zeggen heeft.
Volker Ullrich, Noodlotstijden van een democratie, De onstuitbare ondergang van de Weimarrepubliek
Vertaald door Alexander van Kesteren met medewerking van Suzanne Willekens
Uitgegeven in 2025 door De Arbeiderspers
ISBN: 9789029554251
Ullrich, een in Duitsland bekend historicus en publicist, verbonden aan Die Zeit, leidt zijn boek in met dezelfde woorden die ook Dassen gebruikt: “Democratieën zijn kwetsbaar. Ze kunnen afglijden naar een dictatuur. Verworven vrijheden die stevig verankerd lijken, kunnen wel degelijk worden kwijtgespeeld.” Hij is daarover nog stelliger dan Dassen. Helaas kan dat komen omdat de donkere wolken boven de democratieën zich de laatste jaren meer en meer hebben samengepakt.
Voor Ullrich “herinnert de algehele kwetsbaarheid van de democratie onheilspellend aan de interbellumjaren" toen de Weimarrepubliek “sluipenderwijs” ten onder ging. Natuurlijk, stelt ook hij, is “de geschiedenis per definitie een open proces.” “Of onze democratie overleeft of verdwijnt hebben we in eigen hand. Dat duidelijk te maken”, schrijft Ullrich, “is het eigenlijke doel van dit boek.”
Ik kan in kort bestek niet alle facetten van dit belangrijke boek nalopen. Een boek als dat van Ullrich moet men lezen en wegen om zelf tot een oordeel te kunnen komen. Ik haal slechts twee momenten naar voren, aan het begin en aan het eind van de besproken periode.
Het was Stephan Zweig die in zijn boek De wereld van gisteren opmerkte dat met de op 24 juni 1922 gepleegde moord op Walther Rathenau, toen minister van Buitenlandse Zaken van de Weimarrepubliek, “het ongeluk van Duitsland en van Europa begon.” Voor “radicaalrechts was Rathenau”, schrijft Ullrich, “een vertegenwoordiger van alles wat het verafschuwde. Hij was Joods en een overtuigd aanhanger van de republiek. Hij was een erfgenaam van AEG, het grote elektronicabedrijf. Bovendien was hij niet alleen ondernemer, maar godbetert ook nog eens een begenadigd schrijver – een intellectueel die de meesten van zijn collega’s in het kabinet qua geestelijke vermogens veruit de baas was.” Een denker van blijvende betekenis zou Gescinska hem hebben genoemd als zij ook mannen in duistere tijden had behandeld.
Ook toen al schreven sommige kranten dat door de moord op Rathenau de republiek zelf in gevaar was. Dat gevaar zou nog zo’n tien jaar op zich laten wachten. Nog sprak in de Rijksdag rijkskanselier Wirth een “ontroerende” rede uit die veel bijval oogstte, van het midden en van links. En Thomas Mann sprak een rede uit die hij eindigde met de kreet: “Lang leve de republiek!” En laat ik vooral ook de politieman Bernard Weiss noemen, zelf een Jood, die het onderzoek naar de moordenaars van Rathenau voortvarend en met succes heeft geleid. Bij de vuurwisseling met de politie kwam een van de moordenaars om het leven, de andere pleegde zelfmoord. “Na 1933”, schrijft Ullrich, “zouden de nationaalsocialisten rond de dood van beide moordenaars een heldenmythe spinnen.”
Het is 30 januari 1933 als de rijkspresident Paul Von Hindenburg Hitler tot rijkskanselier benoemt. Twee vragen: hoe is het zover kunnen komen en wat zijn de gevolgen. Ik vat het aan de hand van Ullrich heel kort samen.
Nadat de verkiezingen van zomer 1932 voor de NSDAP gunstig waren verlopen, sprak een meerderheid van de ministers zich uit voor deelname van de NSDAP aan de regering, zij het uitdrukkelijk zonder Hitler het kanselierschap toe te vertrouwen. Met dat laatste gaat Hitler niet akkoord. Dat leidt tot nieuwe verkiezingen en daarna tot vorming van een kabinet met verregaande bevoegdheden en tot ontbinding van de Rijksdag. Men dacht dat zo de nationaalsocialistische aanval op de democratische staat was afgeslagen. Niettemin was “door schimmig gekonkel achter de schermen” enkele weken later Hitler toch rijkskanselier. “Hij verzekerde Hindenburg ervan dat hij de regering zou leiden met inachtneming van de grondwet.”
Eerst meende men toen nog dat daardoor de gelijke rechten van alle staatsburgers, ook de Joodse, voldoende in de grondwet waren verankerd. Het gevaar was, dacht men, geweken. Hitler, eenmaal rijkskanselier, had echter slechts vijf maanden nodig om zijn macht te consolideren. “Hij hoefde maar even te blazen en het bouwwerk van de Duitse politiek stortte als een kaartenhuis in elkaar.” Het conservatieve voornemen om de nationaalsocialisten te “temmen” bleek een hersenschim.
“Tegenwoordig zit Alternative für Deutschland met een aanzienlijke fractie in de Bondsdag”, schrijft Ullricht in zijn nawoord. “Tegelijkertijd is het bemoedigend”, voegt hij daaraan toe, “dat veel burgers de straat op gaan om te demonstreren tegen dit nieuwe gevaar van rechts. Tegen het eind van de Weimardemocratie ontbrak het juist aan steun uit de burgermaatschappij.” Het is dus aan ons zelf.
Lion Feuchtwanger, De Jood Süss
Vertaald door Hermien Manger en Nils Buis
Uitgegeven in 2025 door uitgeverij Schokland
ISBN: 9789083306049
Het kan goed zijn dat u echt niet van plan bent dit boek te gaan lezen. De titel staat u tegen en herinnert u aan een bekende antisemitische propagandafilm uit de Tweede Wereldoorlog. Die film volgt het boek echter niet. Integendeel, Jud Süss van Feuchtwanger was in die tijd verboden lectuur en stond op de lijst van boeken die in Duitsland op 10 mei 1933 werden verbrand. Het kan ook zijn dat u wel eens heeft gehoord dat de boeken van Feuchtwanger nogal wijdlopig zijn, Feuchtwanger is een “man van breedvoerige gedegenheid” meende Menno ter Braak al. Ook dat moet u niet weerhouden De Jood Süss te gaan lezen. Deze roman behoort tot de belangrijkste boeken van de Joodse literatuur. De laatste uitgave van de Nederlandse vertaling dateert al van 1962 en het werd dus hoog tijd voor een nieuwe, herziene vertaling.
Ewout van der Knaap, hoogleraar Duitstalige literatuur in Utrecht, schreef een uitgebreid nawoord dat helpt om meer zicht te krijgen op het boek van Feuchtwanger over een hofJood uit de 18de eeuw. Maar eerst de schrijver zelf.
Feuchtwanger (1884-1958), zoon van een orthodox-Joodse fabrikant, is gepromoveerd op Der rabbi van Bacherach van Heine. Hij is wel genoemd “het prototype van de geassimileerde, kosmopolitische Jood van de Weimarrepubliek”. Feuchtwanger schreef, behalve De Jood Süss, een groot aantal romans die eveneens in het Nederlands zijn vertaald, waaronder de Wartesaaltrilogie, een romancyclus in drie delen. Na 1933 verblijven Feuchtwanger en zijn vrouw eerst in Sanary-sur-Mer, in het zuiden van Frankrijk, waar meer Duitse schrijvers een toevluchtsoord vonden. Na internering en een tocht door de Pyreneeën bereiken zij Lissabon en vinden daar een schip dat hen naar Amerika brengt.
De scherpzinnige hof Jood Joseph Ben Issachar Süβkind Oppenheimer heeft werkelijk bestaan. Hij was inderdaad de hertogelijk financiële geheimraad van Württemberg. Feuchtwanger heeft echter, aldus Van der Knaap, het leven van de historische Oppenheimer niet in alle details gevolgd.
In het eerste deel van De Jood Süss lezen we vooral hoe en met welke middelen de Jood Süss, zoals Oppenheimer door de inwoners van Württemberg steeds wordt aangeduid, het uiteindelijk brengt tot de belangrijke functie van directeur van financiën, de financiële geheimraad van de hertog. Als hofjood had hij niet slechts macht, het bracht hem ook andere voordelen, geld, een prachtig onderkomen en veel vrouwelijk schoon. “Hij is heel hoog geklommen, nog nooit in Duitsland stond een Jood zo hoog en glansrijk aan de top als hij.” Hij werd ook gehaat maar haat kan soms heel goed samengaan met macht.
Oppenheimer denkt er echter niet aan een ander geloof te kiezen, ook al zou dat hem nog meer voordelen kunnen opleveren, zoals een adellijke titel. Oppenheimer is Jood en blijft Jood. In het eerste deel van de roman wordt dat al zichtbaar, zij het nog zijdelings, bijvoorbeeld als Oppenheimer zijn elders ondergebrachte dochter opzoekt en hij dan langs Frankfurt gaat en daar “een schrikbarend groot bedrag schenkt voor de behoeftes van de synagoge en de armen.”
Een belangrijke gebeurtenis in De Jood Süss is de Esslingse kindermoord, de moord op een jong meisje, gepleegd door een zekere Kaspar Dieterle. Die moord wordt de Jood Jecheskel Seligmann Freudenthal in de schoenen geschoven. Met alle oplaaiende jodenhaat die daarvan het gevolg is. Ten einde raad wenden de Joden zich tot Oppenheimer om hulp. Die is eerst terughoudend maar na de veroordeling van Freudenthal, hij krijgt in Esslingen de doodstraf, biedt Oppenheimer toch een uitweg door diens uitlevering aan de hertogelijke justitie in Württemberg, waardoor Freudenthal niet kan worden terechtgesteld. Hier kantelt de roman.
Van der Knaap vermeldt dat Feuchtwanger zelf heeft geschreven dat Oppenheimer “van het streven naar macht” terugkeert “naar de geest”. Dat is echter niet plotseling gegaan, van de ene dag op de andere. Er was immers al een andere kant van Oppenheimer dan diens streven naar macht en geldelijk gewin zichtbaar. Al had die laatste kant nog wel duidelijk de overhand.
Ook of misschien juist tegen de zo hoog opgeklommen Jood Oppenheimer keert zich het lot. Zijn dochter sterft, nota bene door toedoen van de hertog. Als zij in haar kist naar Frankfurt wordt overgebracht om daar begraven te worden ziet de “Württembergse directeur van financiën” er “met zijn lelijke, onverzorgde baard en de fladderende kleren heel Joods uit.” Op de Joodse begraafplaats van Frankfurt stond het zwart van het volk. Tussen hen “Josef Süss” die “met uitgedroogde klankloze stem het gebed ter heiliging van de goddelijke naam uitsprak.”
Oppenheimer, herneemt zijn positie als hofjood, als directeur van financiën, maar wanneer de hertog sterft, wordt hij al kort daarna verdacht van onwettige financiële transacties en op nogal dun bewijs veroordeeld en door ophanging ter dood gebracht. Daarna is de Jood Süss op Joodse wijze begraven.
Ten slotte een citaat uit het boek van Feuchtwanger. Dan weet u meteen dat dit boek deugt en de titel u niet moet afschrikken: “Het voortdurende gevaar dat het kleine volk bedreigt, dwingt het om geen enkele beweging van de gigantische buren over het hoofd te zien, om steeds voorzichtig te speuren, te verkennen, te schiften, te doorzien. Schifting, ordening en inzicht in de wereld worden een tweede natuur. In dit volk groeit een grote liefde voor het middel dat tot zulk inzicht leidt, het woord.”



