Boekenrubriek
Samengesteld door Leo Frijda
Gepubliceerd op: 14 mei 2026
Ian Buruma, Blijf in leven, Berlijn 1939-1945
Vertaald door Alexander van Kesteren
Uitgegeven in 2026 door Prometheus
ISBN: 9789044660814
In zijn nieuwe boek beschrijft Buruma de geschiedenis van Berlijn tijdens de oorlogsjaren 1939-1945 aan de hand van schriftelijke en soms ook mondelinge getuigenissen van hen die deze tijd in Berlijn zelf hebben meegemaakt, beter gezegd: aan den lijve hebben ondervonden. Van de inwoners en van de bezoekers van de stad, van de Joden en van de niet-Joden. Zo is een chronologisch en caleidoscopisch beeld ontstaan van wat zich toen in de Duitse hoofdstad heeft afgespeeld en hoe vooral de Berlijners dat hebben ervaren.
Buruma blijft zelf niet buiten schot. Het boek is de neerslag van door hem gemaakte keuzes. Dat kun je gerust aan een historicus en schrijver als Buruma toevertrouwen. Wie meer in het algemeen nieuwsgierig is naar de opvattingen van Buruma vindt op internet de nodige interviews en lezingen waarin hij zich daarover uitlaat. Ik noem er één, uit 2020: Taming the Gods: Religion and Democracy on Three Continents. Meer recentelijk werd Buruma ondervraagd over zijn nieuwe boek in Buitenhof. Het interview is terug te zien op internet onder de titel Hoe kan je fatsoenlijk blijven in een onfatsoenlijke samenleving?
Blijf in leven is chronologisch van opzet en begint in 1939. De nazi’s zijn al aan de macht. In Berlijn wonen dan nog zo’n 90.000 Joden. Evenveel Joden waren intussen al vertrokken. Buruma citeert in zijn boek de boodschap van de voorzitter van de gemeenschap van Berlijnse Joden ter gelegenheid van Rosj Hasjana waarin deze niet om "deze sombere tijden" heen draait maar tegelijk de hoop uitspreekt dat deze tijd "onze waardigheid" laat behouden.
Die waardigheid wordt de Joden echter al spoedig ontnomen. Zo wordt in 1940 de film Jud Süss uitgebracht, een antisemitische vervalsing van het oorspronkelijke boek van Feuchtwanger dat ik eerder in deze rubriek besprak. Wel laten in Berlijn de deportaties nog op zich wachten. De bewegingsvrijheid van de Joden wordt niettemin stap voor stap ingeperkt. Bij een verordening van 1 september 1941 moeten de Joden van Berlijn een gele ster gaan dragen.
Januari 1942 vindt in Berlijn de conferentie aan de Wannsee plaats. Daarna wordt, kort gezegd, het net aangetrokken rond de ongeveer 40.000 Joden die in 1942 nog in Berlijn wonen. Hulp konden ze nauwelijks verwachten. “De meeste mensen”, schrijft Buruma, “zullen te vijandig, onverschillig of bang (met reden) zijn geweest om Joden bij hen thuis te laten onderduiken.”
Op 27 februari 1943 vindt in Berlijn de Grosse Fabrik-Aktion plaats. "Op de werkvloer" werden de Joden toen massaal opgepakt en vervolgens gedeporteerd. Onder de Berlijners “moet de neiging om weg te kijken van wat er gebeurde de norm zijn geweest.”
En hoe verging het dat jaar de Duitse inwoners van de stad? “In weerwil van het geklaag, het slechte nieuws van verschillende fronten, het ‘Berlijnse pessimisme’ en de verschrikkingen die in een meedogenloze politiestaat aan de orde van de dag waren, ging het dagelijks leven van de meeste Berlijners ogenschijnlijk door zoals altijd.”
Te snel ben ik nu al in 1943, het jaar dat begint op bladzij 215 van Blijf in leven. De reden is dat mei 1943 de vader van de schrijver, Leo Buruma (1923-2020), als dwangarbeider in Berlijn aankomt. Vanaf die datum kan Buruma invoegen wat zijn vader over zijn verblijf in Berlijn heeft genoteerd. Na diens overlijden had Buruma een doosje met brieven gevonden die zijn vader tijdens de oorlog vanuit Berlijn had geschreven. Die brieven heeft Buruma naast andere getuigenissen in zijn boek verwerkt.
Buruma schrijft over zijn vader: “Onder dwang voor de vijand moeten werken en regelmatig het risico lopen om te komen bij luchtaanvallen was natuurlijk geen pretje. Toch bood het leven in Berlijn, zelfs al was dat het Berlijn onder het naziregime in de oorlogsjaren, de nodige afleidingen voor een jonge Nederlandse student die niet eerder in een wereldstad had gewoond.”
Niettemin heeft de jonge rechtenstudent Leo Buruma ook de ellende van de oorlog gezien en aan den lijve ondervonden. Zo heeft hij in 1943 de bombardementen door Amerikaanse vliegtuigen meegemaakt. Zijn Oekraïense vriendin, Nadja, werd bij zo’n aanval verwond.
In 1945 bereiken de Russen Berlijn. Van de ongeveer 160.000 Joden die in 1933 in Berlijn leefden, hadden er maar zo’n 1500 in de onderduik in leven weten te blijven. De Berlijners gingen in 1945 zelf ondergronds, net als Hitler. De Slag om Berlijn mondde al heel snel uit in een bloedbad. En Leo Buruma? Hij moet op enig moment het arbeiderskamp in Berlijn hebben verlaten.
Hiermee eindigt het boek van Buruma niet. In 1972 heeft Leo Buruma samen met zijn 21-jarige zoon en zijn dochters een bezoek aan Berlijn gebracht. Het was een reis "gehuld in melancholie", ook omdat de vrouw van Leo Buruma, de moeder van de schrijver, de Joods-Engelse Wendy Schlesinger (1927-1970) kort daarvoor was overleden.
In 1989 waren Buruma en zijn vader voor de tweede keer in Berlijn, kort nadat op 9 november van dat jaar de muur was gevallen. Buruma was toen in Berlijn om de "nieuwe hoopvolle wereld te vieren." "Sindsdien ben ik van Berlijn gaan houden", schrijft Buruma. Hij voegt daar voor de lezer van nu het volgende aan toe: “De dooi in de betrekkingen tussen de vroegere vijanden uit de Koude Oorlog maakte plaats voor nieuwe vrieskou, een toestand van nog gevaarlijker vijandschap. En het werd weer oorlog op Europees grondgebied. Beruchte slachtvelden uit de Tweede Wereldoorlog – Charkiv, Kyiv – zijn weer in bloed gedrenkt. Het voortbestaan van een aantal van de oudste democratieën ter wereld wordt eens te meer bedreigd door gevaarlijke demagogen. Kennelijk heeft de wereld dan toch geen afscheid genomen van dictators.”
Ook hiermee sluit Buruma nog niet af. “Het opvallendste aan Berlijn”, schrijft hij, “is echter de manier waarop de stad zich verhoudt tot zijn verleden, de manier waarop de littekens van zijn ergste misdaden openlijk worden getoond.” En ook: “De stad is zelf uitgegroeid tot een monument, niet alleen van het ergste kwaad waartoe de mens in staat is, maar vooral ook van zijn vermogen om uit de barbarij te herrijzen.”
De recensent van NRC heeft het boek een "liefdesbrief aan het illegale Berlijn in oorlogstijd" genoemd. Dat begrijp ik wel. Zelf heb ik het belangrijke boek van Buruma vooral gelezen als een in deze dagen van herdenken en vieren passend boek.
Zulke vondsten als de door Leo Buruma vanuit Berlijn geschreven brieven hebben na de oorlog regelmatig aanleiding gegeven tot het op schrift stellen van de familiegeschiedenis. Ook het volgende boek is daarvan een voorbeeld.
Paul Cohen, De man met de glimlach, Een familieverhaal
Uitgegeven in 2026 in eigen beheer bij Boekengilde
ISBN: 9789090418346
Als men nog niet de slaap heeft kunnen vatten, is het plezierig nog even naar de radio te luisteren, naar Met het oog op morgen of naar Nooit meer slapen. In het laatste programma werd Paul Cohen geïnterviewd over zijn boek en hij noemde het Persbureau Vaz Dias waar zijn grootvader Aäron Cohen zijn carrière als journalist was begonnen.
Mozes Salomon Vaz Dias, de oprichter van het gelijknamige persbureau, was getrouwd met de zuster van mijn grootvader, Rosette Speijer, en als student heb ik hen na de oorlog nog enkele malen kunnen ontmoeten. Ik heb daarover kort ook geschreven in Tel me bij de amandelen. Natuurlijk heb ik mij gehaast om het boek van Paul Cohen te gaan lezen. Over zijn boek schreef Paul Cohen zelf een bijdrage in De Vrijdagavond.
En inderdaad, Vaz Dias komt in het boek van Paul Cohen voor. In het begin van het boek staat zelfs een foto van het Persbureau Vaz Dias uit 1929. In 1935 is het persbureau opgegaan in het ANP. Aäron Cohen kwam zo in dienst van het ANP, waarvan hij bij het begin van de oorlog de hoofdredacteur was.
Aäron Cohen, zijn vrouw Ro, hun kinderen, Bram en Lineke, en een schoonzus en schoonmoeder, zes man in totaal, wisten de eerste oorlogsdagen per boot Engeland te bereiken. Daarna vertrok de familie per schip naar Australië waarvandaan ze konden doorreizen naar Soerabaja.
Dit boek heeft twee hoofdlijnen. De eerste gaat over het lot van Aäron Cohen (1899-1954), de grootvader van de schrijver, in de tweede staat Bram Cohen (1924-1975) centraal, de vader van de schrijver. Aäron Cohen kon in Indië gaan werken bij de NIROM, de Nederlands-Indische Radio Omroep, zij het als tweede redacteur, dus onder zijn niveau.
Maart 1942 werd Java door de Japanners bezet en Aäron bleef werken voor het nu Japans geworden radiostation. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat hij in 1945 om die reden als ‘nipponwerker’ werd gevangengenomen. Na enige tijd is Aäron weer vrijgelaten en ook niet verder vervolgd. Hem werd amnestie verleend. Ook mocht hij zijn vak weer gaan uitoefenen. Hoofd van ‘ANP-Foto’. Aäron Cohen overleed in 1954.
Met ‘amice’ Vaz Dias heeft hij na de oorlog nog contact opgenomen. In een aangehaalde brief beklaagt hij zich bij hem over de zijns inziens onterechte beschuldiging voor de Jappen te hebben gewerkt. Een antwoord van Vaz Dias ontbreekt.
Van zijn vader, de arts Bram Cohen, die in Indië van 1942 tot 1945 in een Jappenkamp was geïnterneerd, heeft Paul Cohen een kampdagboek teruggevonden. Bram draagt dit dagboek op aan zijn vader Aäron: “Dit dagboek wil meer zijn dan alleen beschrijving: het wil getuigen van het systematische vernederen, doen verarmen, uithongeren en martelen van de geïnterneerden door de Japanse Bezettingsautoriteiten. Getuigen ook van de krachtige wil tot doorzetten, tot overleven die gelukkig het grootste aantal van ons bezielde.”
Bram Cohen is er levend uitgekomen. Hij was "veerkrachtig". Maar hij is nooit vergeten wat honger en ellende willen zeggen.
Van Bram Cohen heeft zijn zoon enige jaren geleden nog een dagboek teruggevonden, met als kop: Maart t/m april 1947 Denemarken. Dit dagboek gaat over de reis die Bram in 1947 heeft gemaakt naar Kopenhagen, naar een Deens meisje dat hij in Nederland had leren kennen en waarmee hij in briefcontact was gebleven. Hij wilde weg, weg van het verleden, weg van "de kapotte jaren".
De treinreis door Duitsland maakt voor Bram de oorlog zichtbaar, een oorlog die hij zelf niet in Europa heeft meegemaakt. “Het was een gekke gewaarwording. Daar reed ik nu, Abraham Martin Cohen, volbloed Joods, als toerist, voor mijn plezier, door een neergeslagen Duitsland.” Maar de aankomend arts ziet ook: “Op het perron lopen verhongerende kinderen, zwaar rachitisch en schrikwekkend mager, op blote voeten met de trein mee. Ze zeggen niets, kijken alleen maar.” Een kleine moffin die duidelijk honger heeft, geeft hij een pakje brood.
Laat ik het maar samenvatten. In Kopenhagen ontmoet Bram een niet-Joods Deens meisje, Lis, met wie hij in het huwelijk treedt. Zij is de moeder van Paul Cohen. Op maandagmorgen 4 mei had ik diens boek uit. Het verhaal boeide mij, maar de opzet van het boek sprak me niet erg aan. Het boek was opgebouwd op een manier die je tegenwoordig nogal eens bij een podcast tegenkomt, vooral stap voor stap aan de hand van gedaan onderzoek.
In het boek staat ook dat Paul Cohen onder dezelfde titel een film heeft gemaakt en die wilde ik toch wel zien. Misschien zou de oude Vaz Dias daarin voorkomen en dus zat ik dezelfde middag van 4 mei al in een kleine zaal van het Amsterdamse Cinecenter. Met nog hooguit zo’n zeven andere bezoekers van deze bioscoop.
Laat ik het maar meteen kortsluiten: Vaz-Dias en ook Aäron Cohen komen in de film niet voor. Het draait vooral om de treinreis uit 1947 van de jonge Bram Cohen, door het naoorlogse Duitsland naar Kopenhagen. Die film heeft mij geraakt. Door de geschiedenis van een Joodse jongen die de Jappenkampen heeft meegemaakt, maar al reizend met de trein wordt geconfronteerd met wat de oorlog in Europa heeft veroorzaakt.
Eigenlijk, besefte ik achteraf, kon ik de betekenis van 4 mei niet beter tot mij laten doordringen dan in die bijna lege Amsterdamse bioscoop.



