Boekenrubriek
Samengesteld door Leo Frijda
Gepubliceerd op: 1 oktober 2026
Marja Vuijsje, Ons kamp, Een min of meer Joodse geschiedenis
Uitgegeven in 2012 door Atlas Contact
ISBN: 9789045016177
Marja Vuijsje, Een broer in Jeruzalem
Uitgegeven in 2026 door Atlas Contact
ISBN: 9789045016177
"Nu ze allebei op leeftijd zijn bellen ze vaak", Marja Vuijsje en haar broer Wim die in Israël woont. Mij ontlokte dit een glimlach. Voor de ouderen onder ons zal het herkenbaar zijn.
In het nieuwe boek van Marja Vuijsje, Een broer in Jeruzalem, wordt nogal eens verwezen naar de (vrij uitgebreide) familie Vuijsje en Marja’s "trouw aan het oud-linkse gedachtegoed" dat in die familie opgeld deed. Het maakte mij nieuwsgierig naar een eerder boek van Marja Vuijsje, Ons kamp, waarin zij "met het levensverhaal van haar vader als leidraad: de geschiedenis beschrijft van haar "min of meer Joodse familie." Bovendien heb ik enkele Vuijsjes ook persoonlijk een enkele keer ontmoet. Met Flora Vuijsje-Polak, de vrouw van Hans Vuijsje, zat ik enige tijd in het bestuur van Crescas, het educatief centrum waarvoor ik nu deze boekentips schrijf.
Ons kamp bleek een schat aan informatie te bevatten over de leden van de familie Vuijsje. Niet alleen valt te lezen hoe het hen onder de Duitse bezetting is vergaan, veel licht valt ook op ieders maatschappelijke loopbaan en politieke opvattingen. Die ruime blik maakt Ons kamp tot een belangrijk boek. Over dat boek eerst enkele opmerkingen, voordat ik verder ga met Een broer in Jeruzalem, in zekere zin een vervolg op Ons kamp.
De vader van Marja, Nathan Vuijsje, was voor de oorlog werkzaam in de toen bekende bakkerij van de familie aan de Weesperstraat. Hij trouwde in 1939 met Liesje Granaat en uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Jeanette en Wim. In 1943 werden alle patiënten van De Joodse Invalide (in dezelfde straat) gedeporteerd. Het heeft Nathan Vuijsje doen besluiten Jeanette en Wim te laten onderduiken, "ver van huis bij vreemde mensen." Voor zijn kinderen wilde hij "het zekere voor het onzekere nemen." Hij was niet de enige, kan ik zeggen, die tot het nemen van zo’n ingrijpende beslissing is gekomen.
Nathan Vuijsje is op 6 augustus 1944 alsnog opgepakt en via Westerbork met de trein naar Auschwitz gedeporteerd. Op 3 september 1944. Het was de laatste trein naar Auschwitz, waarin ook de familie Frank, alsmede Rebekka Brilleslijper (Lin Jaldati) en, veroorloof ik mij hieraan toe te voegen, Herman Frijda, de broer van mijn grootvader zaten. De meesten van hen die toen nog op transport zijn gesteld, 892 van de in totaal 1019, hebben het niet overleefd.
Nathan Vuijsje heeft het wel overleefd. De trombone die hij in zijn jeugdjaren had leren bespelen, heeft hem in Auschwitz het leven gered. Nathan kon meespelen in het orkest dat in het kamp concerten gaf. Veel meer heeft hij over die periode nooit losgelaten. Na de oorlog liep het huwelijk van Nathan Vuijsje en Liesje Granaat spaak. Wim ging toen naar de Bergstichting in Laren. Na enige tijd vond Nathan een nieuwe liefde, Greet Willemsen. Uit dat huwelijk is in 1955 Marja geboren, de schrijfster van het boek over de Vuijsjes.
Over Wim, die intussen in het nieuwe gezin van Nathan Vuijsje was opgenomen, schrijft Marja dat hij "een eenling was geworden, maar dan wel met een groot aanpassingsvermogen. Hoewel het moeilijk was te peilen wat er in hem omging leek hij zich overal wel thuis te voelen."
En Marja? "Hoewel mijn ouders in geen enkel opzicht beginselvast waren, hoorden wij wel vanzelfsprekend bij de arbeidersgezinnen die de basis vormden van de rode familie." Men stemde dus veelal PvdA. Slechts een enkeling van de Vuijsjes ging op alija. Voor de ouders kwam het dan ook "als een verrassing dat Wim zei erover te denken naar Israël te emigreren." Zelf zei Wim: "Ik was gewoon niet zo gelukkig en ik dacht dat ik daar gelukkiger kon worden." Zomer 1962 vertrekt Wim daadwerkelijk naar Israël. Hij zal er trouwen met Jacqueline Menashy, geboren in Bagdad, en met haar twee kinderen krijgen. Wim was terecht gekomen "in een hechte familie met een orthodox-joodse inslag."
Al begin jaren zeventig, schrijft Marja Vuijsje in Ons kamp, was Israël binnen de familie een onderwerp van felle discussies geworden. Zo valt te lezen: "Het was een patstelling tussen voor- en tegenstanders van de Israëlische bezettingspolitiek die tot op de dag van vandaag bestaat." Tot op de dag van vandaag: we schrijven 2012. Marja staat dan uitdrukkelijk voor een oplossing waarin Israëli's en Palestijnen "samen zouden leven." Wim daarentegen, schrijft ze, "bezigde steeds meer de taal van de Israëlische haviken." Het brak de familieband niet: "Hoewel Jeanette, Wim en ik weinig met elkaar deelden, hadden we toch iets vertrouwds met elkaar."
"In de laatste periode van zijn leven", schrijft Marja, "konden mijn vader en ik vrij goed met elkaar opschieten." ‘Allebei waren we erg voor de Oslo-akkoorden die Jitschak Rabin in 1993 had afgesloten met Yasser Arafat." Nathan Vuijsje stierf op 28 mei 1996 in Beth Shalom. Hij is begraven in Muiderberg. Wim zei kaddisj.
Het nieuwe boek van Marja Vuijsje, Een broer in Jeruzalem, speelt zich ongeveer dertig jaar later af. Het begint zo. " 'Effe wachten, effe wachten'. Mijn broer zegt het precies zoals onze vader het deed wanneer hij niet op een naam kon komen. 'We zitten allebei te grinniken. Hij in Jeruzalem, ik in Amsterdam'."
Wim is intussen opgeschoven naar "nationalistisch-rechts". "Over vrijwel alles wat raakt aan de politieke toestand van de wereld in het algemeen en Israël in het bijzonder zijn we het oneens." Het standpunt van Marja heeft zich eveneens verhard: "Het aantal gesprekken dat ik met vrienden en kennissen heb over de verwording van Israël tot een misdadige bezettingsmacht is omgekeerd evenredig aan het aantal woorden die mijn broer en ik daarover wisselen."
" 'Alles gaat zijn gangetje’, was zijn reactie toen ik informeerde naar zijn toestand. 'Om de zoveel tijd luchtalarm en hier en daar een bom. Zo gaat het hier nu eenmaal'." Het was duidelijk, schrijft Marja, dat hij er verder niets over wilde zeggen en ook dat hij geen puf had mij nog eens in te peperen dat ik volgens hem aan de verkeerde kant van de geschiedenis ben beland met mijn meegevoel met de Gazanen.
Bijna dagelijks hebben Marja en Wim telefooncontact "om te zingen". Het is vooral dat samen zingen, al is het via de telefoon, dat iets terugbrengt "van de vertrouwdheid die je familieband zou kunnen noemen."
Wim "lijkt erin te slagen zich zingend achter zijn pc af te sluiten voor alles wat zich buiten zijn kamertje afspeelt. 'Wat moet ik anders?', vraagt hij als ik daarover een opmerking maak. 'Wij hebben toch geen invloed op wat er gebeurt'."
Halverwege Een broer in Jeruzalem laat Marja nogmaals blijken wat zij voorstaat: "Mij blijft het dwarszitten dat hij niet kan begrijpen dat mijn aanhankelijkheid aan Israeliërs en Palestijnen die gezamenlijk ijveren voor een einde aan het bloedvergieten en een toekomst met gelijke rechten voor iedereen, juist een vorm van liefde is voor het land waar hij woont en waarmee ik me alleen al daardoor verbonden weet."
Zodra Marja de telefoon opneemt, begint Wim begint te zingen, wat hij ook regelmatig doet voor de bewoners van zijn seniorencomplex. Maar dat niet alleen. In Israël blijkt hij elk jaar tijdens Jom Hasjoa voordrachten te houden en dan vooral te vertellen over zijn familie.
"Wim: ‘En wat denk je dat ik tot slot zeg?’
‘Nou?’
‘En toen kreeg ik een halfzusje en dat halfzusje is de schrijfster van dit boek, zeg ik dan terwijl ik Ons Kamp omhooghoud.’ "
Nog onvermeld bleef dat Marja aan het eind van haar laatste boek opmerkt dat naast haar werktafel een stapel boeken ligt. Van Amos Oz, van David Grossman, van Meir Shalev en van Jitschak Shami (wiens boek, De wraak der vaderen, in deze rubriek eerder is genoemd).
Voorin Een broer in Jeruzalem staat bovendien een citaat uit een gedicht van Mahmoud Darwish, terug te vinden in de bundel Het vlindereffect uit 2025, verschenen bij uitgeverij Jurgen Maas in de vertaling van Richard van Leeuwen:
We zullen een volk zijn, als we willen,
wanneer we beseffen dat we geen engelen zijn
en dat het kwaad niet het privilege van anderen is.
Rachid Benzine, De boekhandelaar van Gaza
Vertaald door Ursula Teijink
Uitgegeven in 2026 door Atlas Contact
ISBN: 9789025478155
Mahmoud Darwish, Staat van beleg
Vertaald door Ward Vloeberghs, John Nawas en Tine de Betue, herziene tweede druk.
Uitgegeven in 2026 door De Geus
ISBN: 9789044552904
Tegenwoordig wordt vaak gezegd dat velen van ons in een eigen bubbel leven. Van meningen buiten zo’n bubbel wordt niet of nauwelijks kennis genomen. Voor een open blik komt het me hoe dan ook nuttig voor tevens de literatuur van ‘anderen’ te lezen. Palestijnen de boeken van Joodse schrijvers. Joden, in Israël en in de diaspora, de boeken van Palestijnse schrijvers.
Zo’n lezende Palestijn is De boekhandelaar van Gaza die "de macht van het woord" heeft begrepen, "de kracht van de literatuur." Over boeken zegt hij: "Een goed boek is een wereld, een toevluchtsoord en een spiegel. Hij leest de Palestijnse dichters Mahmoud Darwish en Mourid al-Barghouti. Maar ook schrijvers als Malraux en Kundera. Bovendien kent hij Is dit een mens van Primo Levi.
De Marokkaans-Franse schrijver Rachid Benzine is de auteur van De boekhandelaar van Gaza", waarin hij vertelt dat een Franse fotograaf, op reportage in Gaza, een boekhandel in het oog krijgt: "Tegen de voorgevel liggen honderden boeken opgestapeld, de deur geeft toegang tot nog duizenden andere."
Hij raakt in gesprek met de oude boekhandelaar, Nabil el-Jaber. Als hij een foto van hem wil maken, wil deze echter eerst met elkaar praten, "de tijd nemen elkaar te leren kennen." En zo ontrolt zich "het verhaal van een lezer."
Nabil: "Ik zeg vaak bij mezelf een gedicht van Mahmoud Darwish op dat een baken is geworden in mijn leven. Daar ontleen ik mijn afkomst aan, als water onder uit de put. Het is eenvoudig, lichtend, verschrikkelijk, het raakt me in mijn hart."
Het levensverhaal van Nabil el-Jaber, geboren in 1948 in Bilad el Sjeich, ten zuidwesten van Haifa, loopt parallel met het verhaal van het Midden-Oosten. De familie el-Jaber heeft Bilad el-Sjeich in 1948 moeten verlaten en is na een kort verblijf in Nazareth terechtgekomen in het kamp Aqabat Jaber vlakbij Jericho. Het was geen gelukkige tijd. Een citaat: "Het leed van eerdere generaties maakt ook deel uit van je erfenis. Zonder dat je dat altijd begrijpt."
Toen Nabil 18 jaar was, is het gezin verhuisd naar Jabalia in Gaza, dat toen nog onder Egyptisch beheer stond. Na de overname en bezetting door Israël verergerde de situatie. Samengevat: "Chaos, vernedering, vernieling." Het lukt Nabil boeken te lezen, daardoor geïnspireerd door een leraar, Abu Khalil, die na enige tijd tegen hem zei: "Nabil je bent geen gewone lezer meer. Je bent een kennisdrager geworden. Blijf deze kennis doorgeven."
Dezelfde leraar wist te regelen dat Nabil kon gaan studeren in Caïro. Daar kreeg hij les van de dichter Mourid al-Barghouti, "de stem van ons volk." Na de Jom-Kipoeroorlog teruggekeerd naar Gaza, ging Nabil werken als onderwijzer en in die tijd werd zijn vrouw Hiam zwanger van hun eerste kind, een zoon die ze Mourid noemden, "de naam van onze docent in Caïro." Na Mourid is nog een dochter geboren, Hafez. Hiam, lezen we, is daarna begonnen om toneelstukken op te voeren, vooral met jongeren. "Ze vond het belangrijk mensen te leren zich voor alle culturen open te stellen."
De laatste passages gaan over de meer recente situatie in Gaza "die steeds slechter werd." Beschreven wordt de dood van Mourid, door een kogel getroffen, nog maar elf jaar oud. Nabil, "verblind door woede, verdriet en leed" stelt zich teweer. Tijdens een betoging wordt hij opgepakt met het gevolg dat Nabil twintig jaar in een Israëlische gevangenis heeft doorgebracht. Hij heeft zich, zegt hij, "een weg gebaand door honderd jaar eenzaamheid." Tegen de Franse fotograaf zegt hij: "De meeste boeken die ik lees en herlees, heb ik in de gevangenis ontdekt." In 2006 kwam Nabil weer vrij. Hiam is vervolgens na een bombardement "nooit onder de puinhopen vandaan gekomen. Steen tussen de stenen."
Tegenover de fotograaf beschrijft Nabil wat er in hem omgaat "nu ze er niet meer is." Een pijnlijke, tegelijk ontroerende passage in het boek. "Ik weet wel dat zolang ik over haar praat en over haar schrijf, ze nooit echt kan verdwijnen." En Nabil? Hij heeft besloten "om de dingen niet nog lelijker te maken, om niets te vernielen, om stil lezend aanwezig te zijn, om mijn steentje bij te dragen met mijn boeken."
Wie nu in Gaza naar de boekhandel van Nabil gaat zoeken, zal deze niet meer vinden. "Waar voorheen de winkel stond, waren alleen nog brokstukken over." Toen de fotograaf daar enige tijd later nog een keer was, reikte een kleine jongen hem zijn vondst aan, een paar bladzijden uit een boek van Mahmoud Darwish waar Nabil hem indertijd een stuk van had voorgelezen.
Over de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish (1941-2008) kan men de nodige gegevens vinden in het nawoord bij Het vlindereffect en bij Staat van beleg en natuurlijk op internet. Darwish kreeg onder andere in 2004 de Grote Prins Claus Prijs.
Hiervoor heb ik aangehaald dat Nabil el-Jaber een gedicht van Mahmoud Darwish citeert dat hem "in het hart raakt", dat "een baken is geworden in mijn leven." Het staat in z’n geheel in De boekhandelaar van Gaza en ook in de dit jaar uitgekomen herziene uitgave van Staat van beleg.
Jullie, die op de drempel staan, kom binnen
en drink met ons Arabische koffie
[Misschien voelen jullie dan dat jullie mensen zijn net als wij.]
Jullie, die op de drempels van de huizen staan,
laat onze ochtenden ongemoeid,
dan zullen we gerustgesteld zijn dat we
mensen zijn net als jullie!




