De Effingers, een monumentaal familie-epos en toekomstige klassieker

Boekrecensie

Gepubliceerd op: zondag 6 september 20, 17:00

Achttien jaar lang werkte ze onder het pseudoniem Elise Reifenberg aan de vuistdikke roman, die uiteindelijk in 1951 verscheen. Het resultaat is niets minder dan een meesterwerk: een familie-epos, cultuurgeschiedenis en politieke ideeënroman, een toekomstige klassieker die een plaats in de canon van de grote Europese literatuur verdient. Nu is het boek eindelijk in een mooie vertaling van Meta Gemert in het Nederlands verschenen.

Vier generaties Joden in Duitsland
De Effingers vertelt het verhaal van drie Joodse middenklasse families die via huwelijken met elkaar verbonden raken. De Effingers wonen in (het fictieve) Kragsheim, in het landelijke zuiden van Duitsland. De Goldschmidts en de Oppners in Berlijn. Van 1878 tot 1948 volgt Tergit het wel en wee van families en brengt ondertussen het Duitsland van die tijd en van haar eigen jeugd tot leven.

De Effingers zijn vrome ambachtsmensen. De families Oppner en Goldschmidt zijn meer stadse bankiers. Via Paul Effinger, de centrale figuur in de roman, komen ze samen. Als zoon van een horlogemaker besluit Paul ijzergieter te worden, om in 1882 naar Berlijn te reizen naar zijn broer Karl, die daar als schroevenfabrikant is begonnen. Paul zet succesvol een fabriek op om auto’s produceren. Vervolgens ontvouwt zich een indrukwekkend verhaal waarin het hele decor van de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw wordt geschetst.

Groeiend antisemitisme
Schrijfster Tergit, die in 1938 Duitsland vluchtte naar Jerusalem,Tel Aviv en Londen noemde De Effingers ‘geen Joodse roman’. Ze zag haar boek in de eerste plaats als een boek over Berlijn en over Duitsland. De personages zijn vrijwel allemaal Joods maar voelen zich in de eerste plaats Duitser. Hun Joods zijn speelt aanvankelijk maar een kleine rol. Toch ontkomt de lezer niet aan de nooit afwezige en toenemende Jodenhaat. Tergit laat het al in de eerste bladzijden doorsijpelen. Zo schrijft Paul Effinger’s broer Ben aan zijn broer of hij niet naar Engeland moet komen om te ontsnappen aan de groeiende haat tegen Joden.

Ben verwijst in zijn brief naar het antisemitische en nog altijd wijdverspreide concept van Die Goldene Internationale, gemunt in de jaren zeventig van de negentiende eeuw. De term was een verwijzing naar de zogenaamde dominantie van Joods kapitaal en ondernemerschap, met name in de bankenwereld. ‘Dat is hier [in Engeland, DB] ondenkbaar!’, drukt Ben Paul op het hart. Tergit laat een pessimistische maar realistische Ben concluderen dat je in Duitsland ‘met humanistische idealen geen carrière kunt maken’, maar dat je met antisemitisme de top haalt. Daarbij moet wel gezegd worden dat bijvoorbeeld keizer Friedrich III en zijn vrouw Victoria – Tergit verwijst ernaar – zich krachtig uitspraken tegen de ‘Judenhetze’ in hun land.

Na de Eerste Wereldoorlog werd het antisemitisme nog virulenter en meer georganiseerd. Bijvoorbeeld na de moord op de Beierse, en Joodse, revolutionair Kurt Eisner door een ultra-nationalist. Onder de nieuwe generatie Duitsers en in studentenverenigingen ontstond een sfeer van afrekening tegen ‘marxistisch gespuis’, die het Duitse leger een dolk in de rug zou hebben gestoten ; een verwijzing van Tergit naar de antisemitische complottheorie van de ‘dolkstootlegende’ die de schuld van het verlies van de Eerste Wereldoorlog toeschreef aan bolsjewieken, marxisten en het ‘internationale Jodendom’.

In de ban van pessimisme
De Effingers echoot geregeld het fin de siècle-sentiment van Stefan Zweig’s De Wereld van gisteren. In de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw staat het nieuwe, moderne Duitsland in de steigers. De benzinemotor bracht snelheid en verving paard voor auto. Thomas Edison verlichtte met zijn gloeilamp de huizen van Europa. Mensen waren ‘dronken van het geloof in de vooruitgang’.

De nieuwe generatie probeert ondertussen haar eigen waarden te formuleren. Het humanisme van de oude Effingers verdwijnt langzaam. De nieuwe generatie kan het ouderwetse woord niet meer horen. ‘Het is versleten als een keukendoekje.’ Erwin Effinger, een neef van Paul, wordt enthousiast van de arbeidersbewegingen en heeft genoeg van het ‘meelijwekkende schouwspel’ van de burgerlijke liberalen-moraal. Lotte en Marianne Effinger, Paul’s dochters, laten zich inspireren door het feminisme.

Toch raakt Duitsland in de ban van een diep pessimisme. De Eerste Wereldoorlog breekt uit. Na de novemberrevolutie van 1918 blijkt dat de grootste democraten in een handomdraai de grootste antidemocraten kunnen worden. Het Duitse keizerrijk eindigt. Keizer Wilhelm II wordt afgezet, vlucht naar Nederland en de wankele Weimar Republiek begint. Iedereen, schrijft Tergit, lijkt plots Oswald Spengler’s Ondergang van het Avondland te aanbidden. Tergit laat de oude Paul’s vader Mathias terugblikken op het Duitsland van keizer Friedrich en het ‘oude nieuwe Duitsland’ plaats maakt voor iets anders: ‘…dat was mijn wereld, mijn wereld van het recht, een goedmoedigere wereld met meer licht…Wat er nu komt,’ zegt de oude Effinger, ‘weet ik niet. Maar ik vermoed dat het niet goed is.’

Hitler
De Effingers is al goed op weg als Adolf Hitler op het toneel verschijnt. Eerst als ‘gevaarlijke gek’, in de woorden van Lotte. Tergit schetst het moment waarop Hitler in februari 1921 spreekt in Circus Krone in München. Zesduizend man op de circusbankjes en één demagoog in het midden. Tergit weet het beklemmend en beeldend op te schrijven: ‘Wie heeft ons tot slaven van de rente gemaakt? Aan wie moet het Duitse volk zijn spoorwegen afstaan? Zijn mijnen? Zijn elektriciteitscentrales?..’ In de tent klinkt het van alle kanten: ‘de Jood, de Jood, de Jood.’

De families vallen uiteen en de nazi’s grijpen in 1933 de macht in Duitsland. Tergit omschrijft hoe doodgewone mensen de Jodenhaat accepteren als realistisch of onomkeerbaar. Het intimideren van Joodse eigenaren van bedrijven begint. Paul verliest zijn fabriek na een zogenaamde aanklacht wegens het ‘fraude’ en ‘vervalsing’. Er komt een boycot van Joodse winkels, synagogen worden in brand gestoken. En niemand, zoals Victor Klemperer in zijn beroemde dagboeken beschrijft, durft een vin te verroeren.

Aan het slot van De Effingers schrijft Paul vanuit een concentratiekamp een brief aan zijn naar Brits mandaatgebied Palestina geëmigreerde dochter Marianne. Hij had als echte optimist nooit willen vertrekken: ‘Ik geloofde in het goede in de mens. Dat was de grootste vergissing van mijn misgelopen leven.’

Lees het vervolg van deze positieve boekrecensie op jonet.nl.

Zie ook: Crescas/Boekennieuws.

Nieuwsbrief

Volg ons en blijf op de hoogte! Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief en wij zorgen dat je niks mist.

Bekijk nieuws overzicht

Doneren

Crescas kan niet zonder jouw steun. Met elke donatie, hoe klein ook, steun je onze activiteiten en zorg je dat wij nog meer voor Joods Nederland kunnen betekenen.