inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Het proces Demjanjuk

Een persoonlijk relaas van Marco de Groot

Marco de Groot, geboren in 1939, was drie jaar oud toen zijn ouders in mei respectievelijk juni 1943 op transport werden gesteld naar Sobibor. Zijn vader, Levie de Groot, was 38 jaar toen hij, op de dag van aankomst in Sobibor, werd vermoord. Marco’s moeder, Harriëtte de Groot-Roozendaal, werd – hoogzwanger van haar tweede kind – op 29-jarige leeftijd vermoord. Marco is in 2009 één van de 22 Nebenkläger (mede-aanklagers) in het proces tegen Iwan Demjanjuk, verdacht van medeplichtigheid aan de moord op 29.000 Joden.
Oktober 2011 verscheen zijn boek ‘Oorlogswees’, te bestellen via www.oorlogswees.nl

Foto: Paul Schirnhofer


voorbereiding

Toen Rozette Kats, bestuurslid van de Stichting Sobibor, mij belde met het verzoek of ik Nebenkläger wilde zijn in het proces tegen Demjanjuk, heb ik geen seconde geaarzeld. Dit zou nog het enige kunnen zijn wat ik voor mijn in Sobibor vermoorde ouders zou kunnen doen. Op zo’n moment hoef je niet na te denken wat het met jezelf zal doen, want dat is van ondergeschikt belang. Uiteindelijk hebben zich 22 personen als Nebenkläger aangemeld.

Dan komt de voorbereiding. Wij worden ingedeeld in groepjes van 3 à 4 personen, elk groepje krijgt een eigen Duitse advocaat toegewezen. Er volgen voorbereidende besprekingen met de advocaten in Amsterdam. De leiding is in handen van prof. dr. Cornelius Nestler van de Universiteit te Keulen. De mij toegewezen advocaat is Mr. Rolf Kleidermann en in mijn kennismakingsgesprek vraag ik hem wat hem ertoe gebracht heeft om deze zaak op zich te nemen. Zijn antwoord was dat hij ook veel familieleden in WOII verloren had. Ik schrok even, want ik dacht dat hij aan het front bedoelde. Dit bleek al snel niet het geval te zijn want hij vertelde mij dat zijn vader Jood was en dat er van diens kant velen vermoord waren. Het ijs was onmiddellijk gebroken en natuurlijk was hij op dat moment de beste advocaat die ik mij kon wensen. Tijdens de voorbereiding worden de meest negatieve scenario’s gepresenteerd teneinde grote teleurstellingen te voorkomen. Hiertoe behoren het niet op komen dagen van Demjanjuk, het wraken van het gerechtshof en eventuele vrijspraak aan het einde van het proces. Tevens wordt de gang van zaken binnen het gerechtsgebouw geschetst.

Dan volgt er correspondentie tussen mijn advocaat Mr. Kleidermann en mij. Ik dien te bewijzen dat ik de zoon van mijn vermoorde ouders ben, hoe de situatie was toen mijn vader mij wegbracht en waarheen ik gebracht ben, hoe oud ik toen was en hoe oud ik was toen ik vernam wat er met mijn ouders was gebeurd. Mijn eerste gang was naar het gemeentekantoor Edam-Volendam, maar die verwezen mij naar de gemeente waar ik geboren was, te weten Amsterdam. Op de dienst van de burgerlijke stand van Amsterdam aan de Stadhouderskade werd ik, nadat ik mijn verhaal gedaan had, fantastisch geholpen. Ik kreeg fotokopieën uit oude geboorteregisters van mijn ouders, bewijzen dat en waar zij overleden waren en natuurlijk een bewijs dat zij mijn ouders waren. De betreffende ambtenaar is zelfs de volgende dag naar een nog ouder archief gefietst om de benodigde uittreksels te maken die mij later zijn toegezonden. Toen ik vroeg hoeveel leges ik moest betalen zei de ambtenaar dat hij in verband met deze zaak niets wilde hebben. Dit heb ik als een uitermate prettige geste ervaren.

Dan in de week voor het vertrek nog een laatste bijeenkomst bij Joods Maatschappelijk Werk. Hiervoor is nagenoeg een hele dag uitgetrokken. ’s Morgens worden wij onder meer door Bernard Hammelburg geïnformeerd over hoe wij om moeten gaan met de pers en ’s middags vindt er weer een gesprek met de advocaten plaats over de laatste stand van zaken.

zondag 29 november 2009

Vandaag reizen wij dan af naar München. Eén gedeelte van ons vliegt met Lufthansa en een ander gedeelte, waaronder mijn echtgenote en ik, vliegt met KLM. Ik voel mij nu eenmaal prettiger als ik met deze maatschappij vlieg. Aangekomen op het vliegveld van München, met de taxi naar een hotel hetwelk nota bene gelegen is aan de Dachauer Strasse. Wij waren hier van tevoren over geïnformeerd maar toch geeft het even een raar gevoel als je het adres aan de taxichauffeur opgeeft. ’s Avonds voor het diner nog even een laatste update van onze advocaten. Door professor Nestler wordt ons verteld dat onze begeleiders, zoals mijn echtgenote, de volgende ochtend heel vroeg in de rij zullen moeten gaan staan als zij er zeker van willen zijn een plekje op de publieke tribune te hebben.

maandag 30 november 2009

Dit is de eerste dag van het proces. Wij gaan met de bus naar het gerechtsgebouw. Professor Nestler heeft geregeld dat wij niet door de hoofdingang naar binnen hoeven maar door een zij-ingang om zo de grote drukte van de pers te ontlopen. Al onze begeleiders mochten ook op deze wijze gewoon mee naar binnen en behoudens de dames van JMW (die bij de Nebenkläger mochten zitten) konden zij op de publieke tribune plaatsnemen. De ontvangst door het personeel van de rechtbank was allerhartelijkst. Wij hadden een eigen ruimte waar koffie, thee, water etc. werd geserveerd. Kwart voor 10.00 de rechtszaal in en even zoeken naar jouw naambordje. Iedere Nebenkläger zit achter zijn of haar eigen advocaat. Zelf ruil ik met de oude heer Jacobs omdat deze niet in zijn rolstoel op de toegewezen plaats kan komen. Er staat een grote groep fotografen en filmers in de rechtszaal voor de deur waardoor Demjanjuk binnen moet komen. Iedere keer als de deur open gaat (en dat gebeurt diverse malen) vliegen ze in de opnamehouding om de plaatjes van hun leven te schieten. Eindelijk wordt Demjanjuk in een rolstoel binnengebracht en begint het flitsen van de camera’s. Dit duurt enkele minuten. Zelf krijg ik een uitermate eng gevoel als ik hem voor de eerste maal in levende lijve zie. Daar ik op de meest linkse plaats zit in de rechtbank, zit ik maar zo’n 4 meter bij hem vandaan. Dan bekruipt je de gedachte “zou ik hem willen of kunnen killen”. Misschien wel willen maar absoluut niet kunnen.

Na enkele minuten worden de camera’s met hun bedieners de rechtszaal uitgestuurd en komen de rechters onder voorzitterschap van Ralph Alt de rechtszaal binnen. Het gezelschap bestaat uit 5 rechters, waarvan 2 het proces volgen om bij uitval van één van de anderen de gang van zaken geruisloos over te kunnen nemen. Verder zijn er twee burgers die als zogenaamde lekenrechters functioneren. Nadat wij van rechter Alt weer allemaal mochten gaan zitten, leest deze onze namen voor teneinde te bepalen of wij aanwezig zijn. Daarna vraagt hij aan Demjanjuk om zijn personalia, maar deze zwijgt in alle talen met zijn ogen gesloten. Eén en ander wordt beantwoord door zijn verdediger dr. Ulrich Busch. Dan vraagt zijn verdediger het woord en begint met het voorlezen van een motie waarin hij onder meer stelt dat het hof niet bevoegd is om dit proces te voeren. Verder voert hij vele voorbeelden aan van vergelijkbare gevallen uit het verleden waarbij vrijspraak heeft plaatsgevonden. Prof. Nestler interrumpeert met de opmerking dat gemaakte fouten in het verleden geen aanleiding mogen zijn deze opnieuw te maken. De publieke tribune applaudisseert. Verder haalt dr. Busch ook nog het proces in Israël aan waarbij hij stelt dat er na vrijspraak aldaar er niet nog een keer over hetzelfde geprocedeerd kan worden. Inmiddels zijn de eerste anderhalf uur voorbij en gaan wij pauzeren. Wij mogen lunchen in de personeelskantine van het gerechtsgebouw.

’s Middags weer anderhalf uur in de rechtszaal, maar deze wordt geheel in beslag genomen door medici die verklaren hoe het met de gezondheid van Demjanjuk is gesteld. Hieruit blijkt dat Demjanjuk dermate gezond is dat hij het proces aankan zoals gepland, te weten tweemaal anderhalf uur per dag gedurende drie dagen per week met zo nu en dan een week rust. Demjanjuk heeft voor de middagsessie zijn rolstoel verruild voor een brancard waar hij op ligt met zijn rug naar de Nebenkläger en het publiek.

dinsdag 1 december 2009

Vandaag begint het proces wederom om 10.00 uur. Het is de dag waarop begonnen zal worden met de verhalen van de Nebenkläger. Net als op de eerste dag vraagt dr. Ulrich Busch het woord. Het wordt min of meer een herhaling van zetten met betrekking tot het indienen van zijn eerste motie. Hij voert wel wat nieuwe voorbeelden aan uit het verleden en weet op deze mannier wel een half uur van de tijd af te snoepen. Rechter Alt neemt een en ander voor kennisgeving aan en gaat dan op basis van de transportlijsten van Westerbork voorzichtig de data voorlezen van diegenen die de Nebenkläger vertegenwoordigen. De transporten vonden altijd op dinsdag plaats en de aankomst in Sobibor was altijd op vrijdag.

Toen hij begonnen was met voorlezen bekroop mij het angstige gevoel dat hij mijn vermoorde ouders wel eens zou kunnen overslaan. Maar nee hoor, toen hij bij het transport van dinsdag 11 mei 1943 was aangekomen, werd de naam van mijn moeder Harriëtte de Groot-Roozendaal, geboren 24 februari 1914, voorgelezen. Enkele minuten later noemde hij uit de transportlijst van dinsdag 29 juni 1943 de naam van mijn vader Levie de Groot, geboren 15 januari 1905. Hoe vreemd het moge klinken, het was een hele opluchting voor mij. Robert Fransman omschreef mijn gevoelens prima door te stellen dat het was alsof het Kaddisj voor onze ouders was gezegd.

Inmiddels was het tijd geworden voor de lunchpauze. ’s Middags werd begonnen met het verhoor van de Nebenkläger. Er kwamen slechts 5 aan bod waarbij, hoewel allemaal even erg, de getuigenis van Rudie Cortissos mij het meest is bijgebleven. Hij vertelde namelijk dat zijn moeder na haar vertrek uit Westerbork nog voor de Duitse grens een brief uit de trein had gegooid. Deze werd gevonden en voorzien van een postzegel bezorgd. Hij had deze brief bij zich en deze werd als eventueel bewijsstuk door de rechtbank aangenomen. Tijdens dit gebeuren barstte Rudie in tranen uit en toen hield ook ik het absoluut niet meer droog. Inmiddels waren wij weer anderhalf uur verder en moest Demjanjuk, die nog steeds als een pop op zijn bed/brancard lag, terug naar het gevang om natuurlijk van alle emoties bij te kunnen komen. Hij is naar mijn mening een toneelspeler, maar dan wel een heel slechte. De getuigenissen zouden de volgende dag om 10.00 uur worden voortgezet.

Na weer een voor mij zeer korte nacht, waren wij ’s morgens ruimschoots op tijd in de rechtszaal en toen kwam het bericht dat Demjanjuk ziek was. Hij had 37,5 koorts. Onze begeleidende arts, dr. Julius Roos, legt later uit dat 37,5 graden koorts weliswaar niet hoog was, maar hij had deze temperatuur ’s morgens om zeven uur, nadat hij al koortswerende middelen had ingenomen en dus was het risico van een te verwachten virusinfectie op zijn plaats. De zitting werd verdaagd naar maandag 21 december 2009. Aanvankelijk ben je enorm teleurgesteld omdat je al vele uren bezig bent met wat je tijdens je eigen getuigenis zou gaan zeggen.

Toen volgde een gesprek met onze advocaten en deze maakten ons duidelijk dat het proces al veel verder was dan dat zij hadden durven dromen en dat het ook wat hun betrof zeer gunstig verliep. Op zo’n moment verdwijnt de teleurstelling als sneeuw voor de zon. Voor de rest van de dag waren wij dus vrij en zijn wij op eigen gelegenheid de binnenstad van München ingegaan. Dan volgt de periode tot 21 december 2009. Het angstige gevoel bekruipt je, hoe gek het ook moge klinken, dat Demjanjuk wel eens voor deze datum het loodje zou kunnen leggen. Een en ander zou geen probleem zijn als het na onze getuigenissen zou gebeuren.

zondag 20 december 2009

Een uitermate winterse dag waarbij de meeste vluchten vanaf Schiphol werden gecancelled. Om het uur kijken op teletext en internet of onze KLM-vlucht van 20.20 uur naar München wel door gaat. Telefonisch is Schiphol absoluut niet te bereiken. Om 17.00 uur vertrokken naar Schiphol en daar aangekomen hoorden wij tot onze opluchting dat de vlucht vooralsnog doorging. En inderdaad: met een vertraging van een half uur vertrokken we. Zo ongeveer 23.15 uur waren wij weer in ons hotel. We hadden dezelfde kamer als de vorige keer. Onmiddellijk naar bed maar de gehele nacht speelde de tekst door mijn hoofd die ik de volgende ochtend wilde gaan zeggen. Voorts is het altijd weer spannend of Demjanjuk wel in de rechtszaal zal verschijnen, want in tegenstelling tot Nederland moet betrokkene voor de voortgang van het proces lijfelijk aanwezig zijn.

maandag 21 december 2009

’s Morgens, met z’n allen door de sneeuw wandelend, naar de rechtbank waar wij weer op dezelfde wijze werden ontvangen als de voorgaande keren. Om 10.00 uur in de rechtszaal. Demjanjuk werd binnen gebracht, rechtop zittend in een rolstoel, uiteraard met zijn pet op en de ogen gesloten. Bij aanvang vroeg advocaat Busch wederom het woord en betoogde weer nagenoeg hetzelfde als bij de voorgaande dagen. Dan worden wij één voor één door rechter Alt naar voren geroepen.

Bij één van de eerste verhoren interrumpeert Busch met een opmerking dat hij had gelezen dat de Joden die in Westerbork te werk gesteld waren zich beestachtiger gedroegen dan de SSers of de Trawniki Wachmannen in Sobibor. Zowel rechter Alt als advocaat Nestler vroegen naar de bron waar hij dit gelezen had. Busch wilde dit in eerste instantie niet prijsgeven maar zwichtte uiteindelijk toch en vertelde dat hij dit met googelen was tegengekomen. Algemeen hoongelag steeg op in de rechtszaal, waarop Busch heel boos werd en verder bij de verhoren geen opmerkingen of vragen meer stelde. Ik was vrij vroeg aan de beurt en ik had mijn verhaal goed voorbereid. Wij hadden immers van advocaat Nestler vernomen welke essentiële vragen gesteld zouden worden. Nadat ik met mijn advocaat Mr. Kleidermann naar voren was geroepen, begon het verhoor. Op de vraag in welke taal ik wilde spreken zei ik dat ik dat in de Duitse taal wilde doen.

Ik wilde de rechters en alle aanwezigen rechtstreeks toespreken zonder een vertaling ertussen. Toen vroeg de rechter naar mijn werkelijke voornaam, of ik geen familie van Demjanjuk was en wat mijn beroep was geweest voor ik gepensioneerd was. Ik antwoordde dat ik in mijn werkbare leven P&O manager was geweest maar rechter Alt begreep het niet helemaal en zei vragend: pianomanager? Toen ik zei dat het met personeel te maken had begreep hij het. Daarna kon ik mijn navolgende verhaal afsteken.

“Ik ben Marcus de Groot, geboren in Amsterdam op 23 oktober 1939, en ik ben hier als Nebenkläger omdat mijn ouders beiden in Sobibor zijn vermoord. Mijn moeder, Harriëtte de Groot-Roozendaal, geboren op 24 februari 1914, is vermoord op 14 mei 1943 en mijn vader Levie de Groot, geboren op 15 januari 1905, is vermoord op 2 juli 1943. Daarbij zij opgemerkt dat mijn moeder op dat moment hoogzwanger was, zodat ik hier ook ben voor mijn ongeboren zusje of broertje. Dit gebeurde allemaal toen ik 3,5 jaar was. Ik was met mijn ouders ondergedoken in Tilburg. Toen mijn moeder door de nazi’s werd opgepakt, speelde ik op dat moment bij de buren. Mijn vader was die dag naar Amsterdam gegaan omdat hij heimwee had. Toen mijn vader hoorde wat er met mijn moeder was gebeurd, heeft hij mij opgehaald en naar vrienden in Amsterdam gebracht. Hij is toen teruggegaan om te zien of hij nog iets voor mijn moeder kon bereiken, maar is toen zelf ook opgepakt. Mijn moeder zat in kamp Vught en is vandaar via Westerbork naar Sobibor afgevoerd. Mijn vader is rechtstreeks via Westerbork naar Sobibor afgevoerd. Ik was ondergedoken bij diverse gezinnen in Amsterdam, Tilburg, Soest en later weer in Amsterdam. Ik heb de transportlijsten voor het eerst gezien in het boek van Jules Schelvis bij de eerste uitgave in 1993. Eerder had ik al lijsten gezien in Yad Vashem. Mijn voogd heeft mij geïnformeerd toen ik op de middelbare school zat, maar ik heb altijd geweten dat mijn ouders er niet meer waren. Overige vermoorde familieleden in Sobibor zijn een zuster van mijn vader, Marianne de Groot, geboren 4 april 1904 en vermoord op 2 juli 1943 en de schoonzuster van mijn ouders Celma Druif, geboren 29 juli 1918 en vermoord op 14 mei 1943. Mijn grootouders van moederszijde zijn beiden in Auschwitz op 23 november 1942 vermoord. Mijn grootvader van vaderszijde, te weten Marcus de Groot, naar wie ik vernoemd ben, is op 11 mei 1940 omgekomen bij de vier Duitse bommen die vielen op de Blauwburgwal te Amsterdam”.

De rechter noch het OM noch advocaat Busch hadden verder vragen en ik mocht terug naar mijn plaats. Na geknuffeld te zijn door lotgenoten en begeleiders bekroop mij een niet te definiëren gemengd gevoel, maar na tien minuten kwam er een geweldige blijdschap in mij. Het was achter de rug. Ik had tegenover Duitse rechters in een Duitse rechtszaal in München in Beieren in Duitsland mijn getuigenis kunnen afleggen en daar ging het toch immers om. Na mij kwamen nog vele Nebenkläger met hun getuigenis maar uiteindelijk hebben wij allemaal hetzelfde verhaal. Wel herinner ik mij even gelachen te hebben toen Louis van Velsen naar zijn beroep werd gevraagd. Hij antwoordde dat hij 25 jaar bij het Joods Begrafeniswezen had gewerkt en dat werk met ontzettend veel plezier had gedaan. Ik begreep precies wat hij bedoelde, maar het klonk wel grappig. Na de gebruikelijke lunch werden de getuigenissen voortgezet en na anderhalf uur was een ieder behoudens twee afwezigen en Jules Schelvis, die de volgende dag aan het woord zouden komen, aan de beurt geweest.

De volgende dag, dinsdag 22 december 2009, begint om 10.00 uur hetzelfde ritueel. Busch vraagt voor de vierde maal het woord en vervalt wederom in herhalingen en wordt door Prof Nestler geïnterrumpeerd met de vraag wat de zin hiervan is. Na een Duitse woordenwisseling, waar ik niet veel van begrijp, maakt Busch zijn verhaal af. Dan komt rechter Alt, een fantastische man, aan het woord en veegt alle door Busch gemaakte bezwaren van tafel met uitzondering van zijn vierde betoog, want dat moet wederom door het hof behandeld worden. Ik ben ervan overtuigd dat het de vijfde procesdag van tafel wordt geveegd.

Nadat twee net aangekomen Nebenkläger het woord hebben gehad, komt de getuigenis van Jules Schelvis die de rest van de ochtend en de gehele middag in beslag neemt. Jules Schelvis doet verslag vanaf het moment dat hij werd opgepakt in de Nieuwe Kerkstraat tot het moment dat hij werd bevrijd. Hij beantwoordt ook veel vragen van rechter Alt en doet alles in de Duitse taal. Daar ik boeken en films over de sjoa altijd gemeden heb, was het voor mij zeer emotioneel. Het was of ik een film zonder directe beelden zag, vanaf de arrestatie van mijn ouders tot en met hun vergassing in Sobibor. Het oppakken, het verblijf in Westerbork, de vreselijke driedaagse treinreis naar Sobibor, de aankomst aldaar, het leeghalen van de trein, het moeten uitkleden en bezittingen afgeven en tenslotte de weg naar de douches die geen douches bleken te zijn. Daarnaast heeft Jules Schelvis tijdens zijn tewerkstelling de meest lugubere zaken meegemaakt waar hij haast niet over praten kon. Toen hij klaar was heb ik hem omhelsd, gezoend en mijn waardering uitgesproken voor de wijze waarop hij zijn verhaal had gedaan in de muisstille rechtszaal. Wat een fantastische, bijna 89-jarige, man. Aan het eind van zijn verhaal werd de door hem gemaakte plattegrond op de wanden van de rechtszaal groot geprojecteerd. Ik lette op dat moment even op Demjanjuk. Hij kon kennelijk zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen, had zijn petje wat omhoog geschoven en had zowaar zijn ogen open om mee te kijken. De zaal was donker gemaakt dus hij dacht kennelijk dat hij niet werd gezien. Doodmoe maar toch opgelucht zijn wij de volgende dag probleemloos naar huis afgereisd.

Het proces wordt 12 januari 2010 voortgezet en dan worden door de rechtbank diverse historici gehoord. Gezien het feit dat ik mij in het verleden zo afgesloten heb voor alles wat tijdens de sjoa is gebeurd, wil ik daar graag bij zijn. Ik denk dat ik het nu aankan.

maandag 18 januari 2010

Vandaag ben ik opnieuw naar München gevlogen om de vierde week van het proces mee te kunnen maken. Ik was deze keer niet zo gespannen als de eerste twee weken van het proces, want ik hoefde nu immers geen getuigenis af te leggen. Deze week zullen de getuigen Thomas Blatt (82) en Philip Bialowitz (84), beiden op 14 oktober 1943 bij de opstand in Sobibor ontsnapt, worden gehoord. Daar wilde ik beslist bij zijn. Beiden zijn van origine Poolse Joden, zijn uit hun dorp afgevoerd in vrachtwagens en hebben zo’n 6 maanden als zogenaamde werkjoden in het kamp doorgebracht. Ik heb nooit geweten dat het voor Joden mogelijk was zo’n lange tijd in het kamp te werk gesteld te worden omdat ik altijd gehoord had dat nagenoeg iedereen op de dag van aankomst de gaskamer werd ingedreven. Thomas Blatt mocht als eerste beginnen met zijn verhaal over de gruwelen die in het kamp plaats vonden. Hij vertelde dat zijn werkzaamheden bestonden uit het kaalknippen van vrouwen voor ze, onder het mom van het krijgen van een desinfecterende douche, de gaskamers werden ingedreven om vermoord te worden. Een Poolse jodin zei “hoe kun je dit doen?” en een Nederlandse jodin vroeg “knip het haar alsjeblieft niet te kort”. Hieruit concludeerde Blatt dat de Poolse vrouwen wisten wat er ging gebeuren en de Nederlandse vrouwen niet. Voorts moest Blatt bagage van Joden sorteren, in de bossen rond het kamp werken en documenten van vermoorde Joden verbranden. Blatt vertelde ook dat er in het vernietigingskamp 34 SS-ers werkzaam waren en dat ongeveer de helft hiervan dagelijks aanwezig was. De andere helft was met verlof of ziek. Behalve de SS-ers waren er zo’n 150 Oekraïeners in het kamp en volgens Blatt waren dit zeer slechte mensen die zich veel slechter gedroegen dan de SS-ers.

Bij aankomst van de treinen haalden zij deze leeg met hun geweren en bajonetten daarop. Zij hebben hiermee geslagen en gestoken. Op een opmerking van de advocaat van Demjanjuk (Busch) dat deze net zo goed slachtoffer was, antwoordde Blatt dat alleen een idioot zoiets kon zeggen. Ook stelde Busch dat er steeds over Oekraïeners gesproken werd maar dat hiermee ook Letten, Polen en Russen werden bedoeld. Op een vraag aan Blatt hoe hij het verschil zag tussen SS-ers en Trawniki Wachmannen antwoordde hij dat hij dat aan de kleding en de petten kon zien. Deze waren afwijkend van die van de SS-ers. Op de vraag of hij mensen de gaskamers heeft zien ingaan, moest hij ontkennend antwoorden. Lager 3 in Sobibor waar de gaskamers waren gevestigd was voor hem ontoegankelijk. Wel heeft hij de smerige lucht geroken van verbrand vlees en heeft hij een rode gloed gezien. Verder antwoordde hij op vragen dat de wachttorens waren bemand door Oekraïeners die bewapend waren en dat deze wachttorens tussen de twee hekken stonden die rond het vernietigingskamp waren geplaatst. Met betrekking tot de mijnenvelden rond het kamp vertelde hij dat deze waren aangelegd om te voorkomen dat het kamp werd aangevallen door partizanen uit Rusland, terwijl ik altijd dacht dat deze waren aangelegd om ontsnappingen uit het kamp te voorkomen.

Thomas Blatt kon zich het gezicht van Demjanjuk noch dat van anderen in het kamp herinneren, omdat hij uitsluitend bezig was om te overleven. Hij kon zich zelfs de gezichten van zijn ouders en broertje, die onmiddellijk na aankomst in Sobibor werden vermoord, niet meer herinneren. Op vele vragen van de rechters en advocaten moest hij het antwoord schuldig blijven. Het was duidelijk te zien dat Jules Schelvis het niet helemaal eens was met de beschrijving van Blatt waar Lager 4 in het kamp gesitueerd was en waar Blatt in het bos tewerk was gesteld.

De getuigenis en het verhoor van Blatt namen twee procesdagen in beslag. Er vond nog een ruzie plaats tussen de president van de rechtbank, Alt, en advocaat Busch waarvan de finesses mij ontgingen. De president van de rechtbank eindigde de zitting met een waarschuwing aan het adres van Demjanjuk dat wanneer hij de indruk kreeg dat Demjanjuk het proces bewust provoceerde door de derde dag, zoals in voorgaande keren, niet te verschijnen, hij het proces zonder hem zou voortzetten.

De derde dag, de dag waarop Philip Bialowitz zijn getuigenis zal afleggen, is Demjanjuk inderdaad aanwezig. Na de opening wil advocaat Busch, zoals gewoonlijk, weer het eerste woord. Allereerst komt hij terug op het feit dat Thomas Blatt hem een idioot genoemd heeft en daarna pleit hij ondermeer voor onmiddellijke vrijspraak van Demjanjuk omdat deze, zoals al zo vaak door hem aangedragen, voor hetzelfde terecht staat als destijds in Israël en dat zijn gevangenistijd in Amerika, in Israël en in Duitsland tezamen meer is geweest dan de maximale straf van 15 jaar waartoe Denjamjuk nu veroordeeld kan worden. Daarna begint Bialowitz met zijn getuigenis, die hij geheel op papier heeft gezet, in het Engels voor te lezen.Ik zou deze nog zo vitale man absoluut tekort doen als ik zijn indringende getuigenis niet in zijn geheel zo goed als mogelijk in het Nederlands vertaald zou weergeven. Wel zal ik deze op één plaats, gezien mijn persoonlijke emoties, onderbreken om een toelichting te geven.

Verklaring van Philip Bialowitz met betrekking tot het vernietigingskamp Sobibor.

Allereerst wil ik het hof bedanken voor de mogelijkheid die zij mij biedt deze getuigenis af te leggen.
Ik ben hier vandaag uit naam van duizenden mannen, vrouwen en kinderen die vermoord zijn door de nazi’s in het vernietigingskamp Sobibor.


Ik, Fiszel Bialowicz, ben geboren in een klein stadje genaamd Izbica in Polen. Ik kom uit een grote Joodse familie. Toen ik nog een teenager was, waren mijn beide ouders al vermoord. Dan, in april 1943, werd ik opgepakt bij een razzia in Izbica. Ik werd met een truck naar Sobibor gebracht tesamen met mijn broer Symcha, mijn zusters Brancha en Toba, en mijn nichtje.

Bij de aankomst in Sobibor stapten wij uit de trucks vlak bij het treinstationnetje. Verscheidene Duitse officieren en Oekraïense bewakers stonden daar. Een Duitse officier vroeg of er professionele ambachtslieden onder ons waren. Mijn broer greep mijn hand en trok mij met hem naar voren. Hij vertelde de officier dat hij apotheker was en dat ik zijn assistent was. De officier keurde dit goed en zei ons aan de kant te gaan staan waar al verscheidene andere ambachtslieden stonden. Alle anderen die met ons gearriveerd waren, inclusief mijn nichtje en mijn twee zusters, kregen de opdracht te gaan lopen. Met tranen in onze ogen omarmden wij onze dierbaren en namen afscheid van hun. Zelfs mijn kleine nichtje van zeven jaar wist dat zij ging sterven. Wij hebben ze nooit meer terug gezien.

Binnen een paar uur na onze aankomst constateerden wij dat een vies ruikende mist zich over het kamp had verspreid. Wij stelden vast dat deze mist uit het crematorium kwam. Het was van menselijk verbrand vlees en as van bijna iedere in Sobibor aangekomen Jood, inclusief dat van onze twee zusters en nichtje. De volgende dag vertelde mijn broer dat hij een buurman uit onze woonplaats had gevonden die in het kamp werkte. De buurman vertelde dat hij het haar had geknipt van onze zuster alvorens zij de gaskamer inging.
Spoedig werd ik ook gedwongen om het haar van vrouwen op weg naar de gaskamer te knippen. Veel van deze vrouwen kwamen uit Nederland en het scheen dat zij geloofden dat dit een goed gebruik was in het kamp. Voordat ik hun haar knipte, vroegen sommige van deze Nederlandse vrouwen mij heel vriendelijk hun haar niet te kort te knippen. Zij gaven geen enkel teken te weten dat zij vermoord zouden worden. In die tijd passeerden honderden vrouwen de haarknipbarak op deze wijze. Binnen een paar minuten hoorden wij het geraas van een motor, vermengd met een vreselijk massaal gegil, eerst erg hard en luid, dan langzaam afzwakkend naar een stilte.

Onder toezicht van de Duitsers en Oekraïeners werd ik soms gedwongen slachtoffers uit de trein te halen op hun weg naar de gaskamers. Ik constateerde dat Nederlandse joden met de treinen aankwamen met bagage met daarin al hun persoonlijke bezittingen. Duitse officieren en Oekraïense bewakers stonden nonchalant te wachten op het perron. Door de luidsprekers klonk plezierige walsmuziek. Ons enige werk bestond uit het helpen van de nieuwkomers met hun zware bagage. Ik zag dat de reizigers erg moe waren maar blij dat hun lange reis voorbij was. Toen ik deze Nederlands Joodse reizigers hielp met hun bagage gaven sommigen mij een fooi voor mijn behulpzaamheid. Mijn hart bloedde, omdat ik wist dat zij binnen een uur zouden sterven en ik ze niet kon waarschuwen.

Op een dag kwam er een transport aan met passagiers in veewagens. Maar toen ik samen met verschillende andere gevangenen de deuren opende, werden wij onmiddellijk omgeven door de stank van lichamen die zich in staat van ontbinding bevonden. In de veewagon was de helft van de mensen dood en opgezwollen. Er waren verscheidene baby’s die op volwassenen leken omdat hun lichamen vreselijk opgezwollen waren. De mensen die nog leefden, waren uitgehongerd en erg verward. Zij zagen eruit alsof zij een heel lange tijd opgesloten hadden gezeten in de wagens en waren geconfronteerd met giftig gas.

In weerwil van een ondraaglijke stank begonnen wij de weinige overlevenden uit de trein te helpen. Een van hen, een uitermate vermagerde vrouw, werd door onze groep uit één van de wagons gesleept. Haar wil om te leven was zo sterk dat zij uitriep “Joden! Dus ik ben gered”. Ondanks dat zij in zo’n deerniswekkende en hopeloze toestand was, werden zij en de andere overlevenden beestachtig geslagen en gestoken door verscheidene Duitse officieren en Oekraïense bewakers.

Vervolgens gingen wij naar de lichamen die in staat van ontbinding verkeerden. Ik trachtte een dode vrouw uit de trein te trekken, maar ik hield haar huid in mijn handen. Ik zag een andere vrouw met een baby bovenop haar. Beide waren dood en vreselijk gezwollen. Zij omarmden elkaar nog.

Ik was in shock. Wilde liever doodgaan dan door te gaan met dit afgrijselijke werk. In de hoop dat één van de Duitsers of Oekraïeners mij zou doodschieten ging ik op de grond liggen. Onmiddellijk kwam een SS-officier naar mij toe en begon mij te slaan. “Ga terug en ga door waar je mee bezig was” schreeuwde hij. Ik betoogde dat ik niet tegen de stank kon.

Toen duwde Frenzel een sigaret in mijn mond en zei mij deze op te steken. En toen hij de vrouw met de baby op haar zag zei hij “wat een prachtig decor” voordat hij een foto nam en wegliep.

Hier wil ik even onderbreken. Zoals ik in mijn eigen getuigenis heb verklaard was mijn moeder toen zij werd opgepakt hoog zwanger. Eerst was zij in kamp Vught, daarna in Westerbork en werd toen afgevoerd naar Sobibor. Haar baby kan dus best in die tijd geboren zijn. Ik werd bij het geschetste beeld uitermate emotioneel want het kon best zijn dat zij in die periode bevallen was. Dagelijks heb ik nog steeds één of meerdere malen het beeld voor ogen.

Bialowitz vertelde verder:

Wij plaatsten alle lichamen en ook de bewustelozen en half-bewustelozen in lorries die over een rails rechtstreeks naar Lager 3 gingen, daar waar de crematoria waren.

Op een dag begeleidden een Duitse officier en een paar Oekraïeners mij en een klein groepje arbeiders naar het dichtbij gelegen stadje Wlodawa om stenen huizen af te breken en de stenen naar Sobibor te brengen. Toen ik buiten de prikkeldraadomheining van Sobibor was overwoog ik te ontsnappen. Maar ik was ongewapend en ik vreesde dat mijn medegevangenen collectief zouden moeten boeten voor mijn ontsnapping. Dus ging ik door met mijn werk.

Tegen het einde van juli 1943 deed ‘s avonds het gerucht de ronde, dat verscheidene gevangenen van het Waldkommando ontsnapt waren tijdens hun werk. Mijn blijdschap voor de ontsnapten was van korte duur omdat de Duitse officieren het hele kamp opdracht gaven om in de richting van Lager 3 te lopen. Nu waren wij ervan overtuigd dat wij spoedig vermoord zouden worden. Gevangenen begonnen tegen elkaar in het Jiddisj te fluisteren “Nekomme, Nekomme” (Wraak, Wraak). Wij waren niet bereid vermoord te worden zonder weerstand te bieden. Wanneer het eruit zou zien dat de Duitse officieren of Oekraïense bewakers gereed waren ons neer te schieten, zouden wij naar ze toe rennen en proberen hun wapens te bemachtigen. Wij zouden een zeer kleine kans gehad hebben onze levens te redden, maar we hadden niets te verliezen en mogelijk zouden wij de kans gehad hebben enige wraak te nemen. Toen wij op het terrein net buiten Lager 3 aangekomen waren, werden alle overgebleven gevangenen, die onderdeel uitmaakten van het werk in het bos, het terrein opgebracht. Een paar waren reeds dood. De anderen, ongeveer elf Poolse Joden, moesten op één lijn kruipen op het terrein. Zij zaten onder het bloed en zagen eruit of zij erg waren afgetuigd. Wij moesten in een halve cirkel om ze heen staan. SS-officier Gustav Wagner schreeuwde “deze dwaze gevangen probeerden vandaag te ontsnappen. En nu zullen zij er voor betalen. Er is geen ontsnappingsmogelijkheid vanuit Sobibor. Dit zal ook jullie lot zijn als jullie dezelfde dwaze dingen doen als deze gevangenen”. Toen richtten de Duitse officieren en Oekraïense bewakers hun wapens op de elf gevangenen. Juist voor het commando ”vuur” was gegeven, schreeuwde een van de veroordeelde mannen, een oudere gevangene die gelijk met mij in de trucks uit Izbica was aangekomen, zijn laatste woorden: “Nemmt nekomme” (Neem wraak). Toen vielen de schoten. De mannen vielen voor onze ogen neer.

Gedurende de zes maanden van mijn verblijf in Sobibor heb ik vreselijke dingen meegemaakt. Ik werd geslagen. Ik werd gegeseld. Ik zag mijn familie en vrienden sterven. Ik heb vaak aan wraak en ontsnappen gedacht. Maar Sobibor was omgeven door prikkeldraad, bewakingstorens, een mijnenveld en een diep bos. Soms, midden in de nacht, bracht een wild dier een mijn tot ontploffing en dan werden wij uit onze bedden gehaald en geteld alsof wij diamanten waren.

Ondanks de overmacht groeide er een kiem van verzet binnen een kleine groep gevangenen waaronder mijn broer en ik. Wij wilden het liefst wraak nemen op de nazimoordenaars. Wij wisten dat de nazi´s van plan waren ons te vermoorden en dat onze enige kans om te vluchten was onze levens te riskeren met een opstand. Wij werden liever gedood door kogels dan door gas.

Op 14 oktober 1943 heeft een groep samenzweerders waaronder mijn broer en ik elf Duitse officieren en verscheidene Oekraïense bewakers vermoord. Toen renden honderden gevangenen met wapens in de hand naar de prikkeldraadomheining en daarna het bos in. Desalniettemin waren de wachttorens nog bemand door verscheidene Oekraïense bewakers met hun machinegeweren. Ik hoorde een Russisch Joodse soldaat naar de Oekraïense bewakers schreeuwen “Broeders ga met ons mee. De oorlog is voorbij. Het Rode Leger staat al voor Warschau. Ga met ons mee”. Maar de bewakers bleven met hun machinegeweren schieten. Kogels vlogen over mijn hoofd. Veel gevangenen waren al neergeschoten alvorens een paar van ons de Oekraïeners tot zwijgen brachten met onze eigen wapens. Toen ik door de prikkeldraadversperring klom haalde ik mijn vinger open (het litteken is tot op de dag van vandaag nog te zien).Toen wij door de prikkeldraadomheining waren moesten wij nog door de mijnenvelden alvorens het bos te bereiken. Ik zag veel gevangen die gedood werden door de mijnen maar op een of andere manier bereikte ik het bos. Daar vond ik mijn broer Symcha en wij gebruikten een kompas dat ons door het bos leidde weg van Sobibor. Wij leefden in het bos en vonden onderdak bij moedige Poolse katholieke boeren totdat wij bevrijd werden door het Sovjet leger.

Tijdens de getuigenis van Philip Bialowitz was het muisstil in de rechtszaal. De rechter had slechts een enkele vraag. Iedereen was zwaar onder de indruk en zelfs onze Duitse advocaten hielden hun ogen niet droog. Ik heb Philip Bialowitz omarmd en bedankt voor zijn moedige getuigenis. Na de lunch duurde het proces nog tien minuten omdat Demjanjuk kennelijk aan het eind van zijn Latijn was, maar vast niet van de getuigenis van Bialowitz. Maandag 22 februari ga ik weer naar München om te luisteren naar prof. dr. Johannes Houwink ten Cate.

woensdag 27 januari 2010

De dag dat het 65 jaar geleden was dat Auschwitz werd bevrijd, was ik ingegaan op de uitnodiging van Rob Cohen om het Museum van de 20ste eeuw in Hoorn (beslist een aanrader) te komen bezoeken. Toen ik binnen kwam zat Rob aan een tafel in het kleine restaurant zijn eigen boek te signeren voor bezoekers die voor hem in de rij stonden. Hij onderbrak het signeren om mij hartelijk te begroeten en ik werd aan een ieder voorgesteld als medeaanklager in het proces Demjanjuk, gelijk hijzelf. Toen hij klaar was kreeg ik een korte rondleiding van hem, samen met Rien Floris, een journalist van het NoordHollandsch Dagblad, waar Rob een afspraak mee had. Zoals het een goed journalist betaamt had hij ook interesse in mij en mijn geschiedenis. Dat resulteerde uiteindelijk in een afspraak met Rob Wurms en mij, bij Rob thuis in Monnickendam, omadt hij expliciet twee Noordhollanders wilde interviewen. Zaterdag 20 februari 2010 verscheen een goed artikel in het NoordHollandsch Dagblad. Verder had Rien met zijn redactie kunnen regelen dat hij drie dagen met ons mee mocht naar München, om bij de verhoren van historicus prof. dr. Johannes Houwink ten Cate en ex-Trawniki Wachmann Alex Nagorny te zijn, en onze bevindingen daarbij vast te leggen.

dinsdag 23 februari 2010

Even na tienen werd er gestart met het verhoor van Johannes Houwink ten Cate. Vlak daarvoor was onze “vriend” Demjanjuk als een dief in de nacht binnengekomen zonder dat ik het gemerkt had, waarbij ik de legendarische woorden sprak:

“Verrek, hij ligt er al”. Dat moet je natuurlijk nooit zeggen waar een journalist bij is want het stond prompt de volgende ochtend in de krant.

Johannes Houwink ten Cate had als getuige-deskundige nauwelijks een paar woorden gesproken of hij werd onderbroken door advocaat Dr Ulrich Busch. Busch stelde namens Demjanjuk dat Houwink ten Cate niet als deskundige kon worden verhoord omdat hij eerder in een artikel op internet had geschreven dat hij ervan overtuigd was dat Demjanjuk schuldig was. Helaas scoorde Busch hiermee een punt en werd Johannes Houwink ten Cate verder verhoord als getuige, waarbij mij zo nu en dan het verschil tussen getuige en deskundige ontging, maar dat werd steeds door advocaat Busch duidelijk gemaakt. Er werden transportlijsten van Westerbork op de muur geprojecteerd waarbij Houwink ten Cate uitleg gaf over de betekenis van doorhalingen en tekens en werden de tellingen met correcties hierop toegelicht. Op de allereerste lijst stonden de twee zusjes van Rob Wurms. Een krankzinnig gevoel van jaloezie bekroop mij: “waarom zijn zusjes wel en mijn ouders niet”. Maar na korte tijd overwon mijn verstand mijn gevoel. De rest van de procesdag werd gevuld door Johannes met het oplezen van de aantallen op de lijsten.

Toen ik het gerechtsgebouw wilde verlaten kwam ik in de hal mevrouw Busch tegen, die stond te wachten op haar echtgenoot die op dat moment geïnterviewd werd. Zij glimlachte vriendelijk naar mij, waardoor ik er niet omheen kon om een praatje met haar te maken. Ze vertelde mij dat haar dochter met een Nederlander was getrouwd en dat dit stel ook in Nederland woonde. Vervolgens vertelde zij mij dat zij veel sociaal werk deed in de Oekraïne (haar geboorteland) en altijd met haar man mee ging omdat zij het in haar eentje thuis niet uithield. Tot slot zei ze mij: “mein Mann hat uberhaupt nichts gegen euch” waarop ik antwoordde “dass ist schwer zu glauben”. Na een vriendelijk knikje mijnerzijds ging ik op weg naar mijn hotel.

woensdag 24 februari 2010

De dag van het verhoor van Alex Nagorny. Een klein mannetje van 92 wandelt, voorzien van een wandelstok en een hoedje, waarop een veertje niet zou misstaan, de rechtszaal binnen. Ik was van te voren gewaarschuwd dat hij misschien niets zou zeggen maar dat bleek allerminst waar te zijn. Als hij een vraag beantwoordde, begon hij met een hoog stemmetje dat afdaalde tot een normaal stemgeluid. Later vertelde Jules Schelvis mij dat Nagorny zich een hoop wist te herinneren, behalve datgene wat hij zich moest herinneren.

Naar mijn mening was het enige interessante dat hij zich Demjanjuk kon herinneren vanuit het Trawniki-kamp en dat zij later samen bewakingsdienst hadden gedaan, maar niet in Sobibor, want daar was Nagorny niet geweest. Ook had hij een wapen van wel drie meter dat niet geladen was. Hij verklaarde dat hij Demjanjuk herkende toen deze een paar maanden geleden op de televisie was, maar toen de rechter hem vroeg naar Demjanjuk toe te gaan, die uiteraard weer op bed lag met petje en zonnebril, maar deze attributen moest afzetten, verklaarde Nagorny dat hij hem niet herkende. Kennelijk kan een man van 89 jaar in een paar maanden tijd drastisch van uiterlijk veranderen. Ook is mij bijgebleven dat Nagorny zich verder weinig kon herinneren en zoals hij zelf zei: “ik weet niet eens meer wat ik vanmorgen gedronken heb”. Verder antwoordde hij op de vraag wat er met de Trawniki persoonsbewijzen was gebeurd dat deze, toen de geallieerden in aantocht waren, werden weggegooid. Op dat moment riep mevrouw Busch vanaf de perstribune “und verbrennt”, welke woorden de tolk onmiddellijk overnam. Een en ander werd door rechter Alt niet in dank afgenomen. Toen het echt bedtijd voor Demjanjuk werd, vroeg rechter Alt, die nog een paar vragen had, of Nagorny de volgende dag terug kon komen. Nee, zei Nagorny, komt u maar naar mij toe. Uiteindelijk kon Alt toch zijn vragen stellen omdat Demjanjuk bereid was nog tien minuten te blijven.

donderdag 25 februari 2010

Wij waren wederom om 10.00 uur in de rechtszaal. Rechter Alt vertelde ons dat Demjanjuk er nog niet was en dat hij de zitting uitstelde tot 10.30 uur. Om 10.30 uur vertelde rechter Alt ons dat Demjanjuk “kein Lust hat”, maar dat hij hem zou laten ophalen en stelde de zitting uit tot 13.00 uur. Rien en ik zijn toen gaan wandelen door München en hebben een aantal plekken bezocht waar Hitler het volk had toegesproken.

Als tegenhanger hebben wij ook een bezoek gebracht aan de Synagoge. Nou ja, alleen van buiten want hij was gesloten. Om 13.00 uur waren wij terug in de rechtszaal en om 13.30 uur arriveerde Demjanjuk. En toen werd er naar mijn mening een medische klucht opgevoerd. Meneer Demjanjuk werd voorzien van zuurstof en dokter Stein liep om de haverklap door de rechtszaal naar hem toe om bloeddruk en pols op te nemen. Na ruim een uur waarin Alt allerlei bewijsstukken had voorgelezen, werd de zitting gesloten. Al met al niet zulke interessante dagen, maar ik had ze toch niet willen missen.

zondag 18 maart 2012

Het boek kan dicht. Het is over en voorbij. De dood van Demjanjuk zaterdag 17 maart 2012 in een bejaardenhuis in het Zuid-Duitse Bad Feilnbach geeft me een gevoel van enorme opluchting. Het hoger beroep gaat niet meer door. Demjanjuk gaat nu de geschiedenis in als oorlogsmisdadiger en blijft daardoor mede schuldig aan de moord op mijn ouders. De pleitnotitie van 1400 pagina’s die zijn verdediger, advocaat Ulrich Busch, ingebracht heeft ten behoeve van het hoger beroep ten spijt. Het hoger beroep had nog wel een jaar in beslag kunnen nemen. Ik ben ervan overtuigd dat zijn vrijlating in afwachting van zijn hoger beroep heeft bijgedragen tot zijn dood. In de gevangenis werd hij immers in de watten gelegd en had hij min of meer een persoonlijke lijfarts. Ook had hij het in het bejaardenhuis niet prettig. Hij werd door een ieder met de nek aangekeken en zelfs de burgemeester van het betreffende plaatsje vreesde voor een afname van het aantal toeristen. Verder hing er altijd een laken voor zijn raam om te voorkomen dat de pers foto’s kon maken.
Demjanjuk heeft tot aan zijn dood gezwegen waardoor ik nimmer heb hoeven denken aan enige consideratie zo ik die al op kon brengen. Ik blijf ervan overtuigd dat zijn zwijgen alleen maar een bevestiging was van zijn aanwezigheid in het vernietigingskamp Sobibor.