sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

In memoriam prof. dr. Shlomo Z. Berger (1953–2015)

prof. dr. Emile Schrijver

Download translation: In Memoriam Prof. Dr Shlomo Z. Berger (1953–2015) - English version (PDF)

‘A tayerer fraynd’, een dierbare vriend, dat waren de eerste woorden die me te binnen schoten toen ik het schokkende nieuws hoorde dat Shlomo Berger afgelopen woensdag, 19 augustus 2015, is overleden. Op 1 september zou hij 62 jaar geworden zijn. Hij is overleden aan de gevolgen van een acute bacteriële infectie en heeft een paar dagen een naar nu blijkt onbegonnen strijd gestreden. Zijn vrienden en collega’s blijven verslagen achter.

Shlomo Berger werd in Tel Aviv geboren en studeerde aan de Ben-Gurion University of the Negev in Beer Sheva en de Hebrew University in Jeruzalem. Daar promoveerde hij in 1987 in de oude geschiedenis, op een proefschrift over Revolution and Society in Greek Sicily and Southern Italy, waarvan in 1992 een handelseditie verscheen. Kort na zijn promotie kwam hij op instigatie van prof. dr. Rena Fuks-Mansfeld naar de Universiteit van Amsterdam, waar hij gewerkt heeft aan twee postdoc projecten en in 1995 college begon te geven. Hij gaf Joodse geschiedenis, modern Hebreeuws, moderne literatuurgeschiedenis en Jiddisj, de taal van zijn moeder, zoals hij graag benadrukte. Vanaf 1 januari 2005 kreeg dat onderwijs in het Jiddisj extra status, door zijn benoeming als bijzonder hoogleraar “Jiddische taal en cultuur (in het bijzonder in Nederland)”, vanwege het Menasseh ben Israel Instituut. De formele reden dat de leerstoel destijds is ingericht is dat de Universiteit van Amsterdam het academische onderwijs in het Jiddisj wilde zeker stellen, de informele reden was dat de voorziene kandidaat, Shlomo Berger, al zo lang professorabel was. De financiering en voortzetting van zijn leerstoel was onlangs juist weer geregeld, opnieuw een blijk van waardering voor de grote geleerdheid en het enorme aanzien van deze kleine man.

Zijn eerste wetenschappelijke artikelen, die verschenen vanaf 1988, houden zich nog bezig met de klassieke wereld, die hem als een oude liefde altijd zou vergezellen, maar ingeleid door een boekpublicatie uit 1996, getiteld Classical Oratory and the Sephardim of Amsterdam: Rabbi Aguilar’s “Tratado de la retórica”, waarin hij zijn klassieke en zijn Joodse kennis combineerde, koos hij rond die tijd toch definitief voor de Joodse studies. Hij zag zichzelf primair als historicus, niet per se als Jiddisjist, hoewel hij van de Jiddisje (en de Hebreeuwse) taal en literatuur hield en er met passie talloze colleges en lezingen over gaf. De laatste jaren kroop hij steeds dichter naar de Joodse boekwetenschap toe, waaraan hij een aantal zeer innovatieve bijdragen leverde. Zijn meest recente boekpublicatie heeft de poëtische titel Producing Redemption in Amsterdam: Early Modern Yiddish Books in Paratextual Perspective en verscheen in 2013. Het is een eigenzinnig boek, dat draait om de zorgvuldige bestudering van voorwoorden, titelpagina’s, approbaties en nawoorden, ‘paratext’, in Jiddisje boeken die in Amsterdam gedrukt zijn. De studie van dit soort teksten, die in de woorden van de Franse historicus Gérard Genette ‘de periferie van de eigenlijke tekst’ uitmaken, mag zich in ruime belangstelling verheugen in de niet-Joodse boekwetenschap en Shlomo Berger was de eerste, en tot nu toe de enige, die dit type onderzoek toepaste op Joodse boeken. Ik bewaar warme herinneringen aan de vele gesprekken die ik bij de voorbereiding van dit boek met hem gevoerd heb tijdens zijn bezoeken aan de Bibliotheca Rosenthaliana, gezamenlijk gebogen over oude Jiddisje boeken en discussiërend over de grote of minder grote betekenis van een bepaalde paratext.

Dat gezamenlijk genieten van de studie van oude bronnen deden we al heel lang. Berger publiceerde in 2002 zijn boek Travels among Jews and Gentiles: Abraham Levie's Travelogue (Amsterdam 1764), een historische duiding van een van mijn favoriete handschriften uit de collectie van de Bibliotheca Rosenthaliana, een Jiddisj reisverslag van Abraham Levi uit 1764. Ook met dat handschrift hebben we heel wat uurtjes doorgebracht. Een nieuw boek, over ‘Readers and Modes of Reading in Yiddish, 1500-1850’, heeft hij helaas niet meer kunnen afmaken.

Hij was een originele denker die pal stond voor de belangen en vooral het niveau van de wetenschap en van zijn vakgebied. Hij kon daar heel ver in gaan. Als iemands werk hem niet beviel dan liet hij niet na dat met veel misbaar te benadrukken. De Joodse studies kunnen alleen bedreven worden door mensen die alle relevante talen kennen, vond hij niet ten onrechte, en door onderzoekers die over de methodologische en inhoudelijke grenzen van hun vakgebied durven heen te kijken. Als hij met dat misbaar mensen voor korte of langere tijd tegen zich in het harnas joeg, nam hij dat voor lief; hij kon niet anders en moest zijn frustratie over gebrek aan kwaliteit of gebrek aan echte ijver kwijt.

Het grote internationale onderzoeksproject van het Menasseh ben Israel Instituut over ‘Yiddish in the Netherlands, an expression of Ashkenazic culture’, dat wij aan het einde van de vorige eeuw samen met Marion Aptroot, Irene Zwiep, Rena Fuks-Mansfeld, Henk Meijering en Falk Wiesemann bedachten, had er zonder hem heel anders uitgezien. Ik denk met plezier terug aan de vele tientallen uren die we met zijn tweeën achter de computer doorbrachten in mijn kantoor in het Menasseh ben Israel Instituut in het Joods Historisch Museum, goochelend met teksten in ons beider Engels, kibbelend over de superioriteit van de ene formulering ten aanzien van de andere. Hij had een diepe hekel aan alle administratieve rompslomp die de Nederlandse en Duitse bureaucratie met zich meebracht, en liet nooit na dat luidkeels te benadrukken, maar hij begreep dat het ambtelijke werk nodig was om zijn wetenschappelijke idealen te bereiken en was bereid daar keer op keer de schouders onder te zetten. Hij richtte samen met Irene Zwiep het tijdschrift Zutot: perspectives on Jewish culture op, dat sinds 2001 bij uitgeverij Brill in Leiden verschijnt en hij maakte deel uit van de redactie van Studia Rosenthaliana, het wetenschappelijk tijdschrift van de Bibliotheca Rosenthaliana. Als bijzonder hoogleraar was hij bovendien redacteur van een serie bij het Menasseh ben Israel Instituut verschijnende cahiers naar aanleiding van de door hem geleide jaarlijkse ‘Amsterdam Yiddish Symposia’, waarvan onlangs het negende deel verscheen.

Shlomo Berger was een kosmopoliet. Hij was een Israëlische Amsterdammer, die op alle plaatsen in de wereld gewerkt heeft, van Jeruzalem tot Philadelphia, en van Ann Arbor, Michigan, tot Dublin (waar hij juist gekozen was tot extern examinator voor Joodse studies aan Trinity College). Een bijzondere liefde koesterde hij voor Spanje, waar hij regelmatig in de zon met een stapel boeken energie ging bijtanken, en vooral voor het walhalla voor iedere onderzoeker, Oxford. In Oxford was hij Visiting Fellow aan Brasenose College en leidde hij nog onlangs een Oxford Seminar in Advanced Jewish Studies aan het Oxford Center for Hebrew and Jewish Studies over ‘Jewish Books in Amsterdam, 1650-1850: Authors, Producers, Readers and the Construction of Jewish Worlds’. In het bedenken van dergelijke titels was hij een grootmeester. Daar, in zijn geliefde Oxford, heb ik hem voor het laatst gezien, we hebben er geluncht in de Common Room van Brasenose College waar hij zichtbaar genoot van de gemoedelijk elitaire sfeer die daar heerst en we hebben er nog eens goed gedronken en gegeten, na mijn eigen lezing in zijn seminar. Ik kon toen niet vermoeden dat dat de laatste keer zou zijn dat ik hem kon omhelzen. De Joodse wetenschap zal een stukje minder spannend worden nu deze volbloed intellectueel er niet meer is. En ik zal net als zovele andere vrienden, collega’s en studenten de herinnering koesteren aan die warme eigenzinnige man, die estheet in hart en nieren, “a tayerer fraynd”.