inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Jom haSjoa 27 april 2014

toespraken van Mia Davidson en Deborah Juliard

Jom haSjoa, de dag van de Sjoa (Hebreeuws voor vernietiging) valt in de Hebreeuwse kalender op 26 Nisan, de datum die in 2014 overeen kwam met 27 april. Op deze dag herdenken Joden over de hele wereld de slachtoffers van de naziterreur. In Nederland vindt de herdenking plaats in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. Namens de oudere generatie werd gesproken door mevrouw Mia Davidson-Henselijn. Deborah Juliard sprak namens de jongeren. Onderstaand kunt u hun speeches (nog eens) lezen.

Mia Davidson-Henselijn (1939) was van 1943 tot 1945 ondergedoken in Wassenaar. Ze woont in Amsterdam, is getrouwd met Carel L. Davidson, heeft twee gehuwde zonen en vier kleinkinderen. Zij volgde de opleiding Mode- en textielontwerpen, waarna zij enkele jaren werkzaam was als modeontwerpster. Later volgde zij een vierjarige opleiding Maatschappelijk werk en een tweejarige opleiding Individuele en gezinstherapie. Tot haar pensionering werkte ze bij Joods Maatschappelijk Werk. Mia is tegenwoordig verbonden aan verschillende Joodse organisaties, waaronder LJG en Yad Vashem. Als vast onderdeel van haar dagelijkse activiteiten verricht zij ‘schrijfwerk’ van formele en individuele aard. In 2011 verscheen bij Uitgeverij Gopher haar dichtbundel Eigen Vel.

Toen ik voor het eerst de Hollandsche Schouwburg binnenging, was ik drie jaar. Het was een razzia.
Ik weet niet of mijn moeder mijn hand fijn kneep in de hare.
Ik weet niet hoeveel bekenden ze zag en hoeveel ze nooit meer zou zien.
Van onze aanwezigheid hier hoorde ik terloops als volwassene, want wat de oorlog betrof, was de tong van mijn moeder verlamd. Ook de tong van mijn grootmoeder, die bij ons woonde, maar zij kon het me uitleggen: er lagen teveel doden op hun tong.
Mijn familie, de weinigen die overleefden, behoorde tot de zwijgers. Mensen van wie je voelde onder hoeveel verdriet ze gebukt gingen. Ik leed met hen mee. Tot ik me op een gegeven moment met een schok realiseerde, dat ook ik de oorlog had meegemaakt. Net als zij. Een schok – zoveel kostbare gezamenlijke tijd verspild.
Toen ik met Carel een aantal jaren geleden Auschwitz bezocht, dacht ik aan hen. Al mijn woorden waren verdwenen en ik vroeg me af waar ik mijn emoties had opgeborgen.

Als we vandaag samen de vernietiging, de Sjoa, gedenken, proberen we, mede uit naam van de zwijgers, woorden te vinden.
Dicht bij elkaar staan we, we hebben niet veel geheimen meer, we kennen elkaars woorden. Het blíjft van belang, ze uit te spreken.
Le-dor wa-dor, zoals het Joodse gebruik is: vertel van generatie op generatie over de geschiedenissen waar wijzelf of onze voorouders deel van hebben uitgemaakt, want ze zijn de grond waarop wij staan en onze kinderen en onze kleinkinderen.

We moeten het hebben van de generatie die na 1945 is geboren.
Van de nieuwsgierige, de bereidwillige, de onverschillige.
Het is een uitdaging om met hen te discussiëren over de mateloze volkerenmoord die in Europa plaatsvond, in Nederland plaatsvond.
In Nederland wordt in het algemeen niet veel ophef gemaakt over Vaderlandse Geschiedenis. Er is in beperkte mate trots, er is in beperkte mate schaamte. Het geheugen is al vol genoeg met het dagelijks bestaan en de etnische oorlogen die na 1945 oplaaiden.
De Tweede Wereldoorlog, hoewel bijna 70 jaar geleden, blijft nog steeds actueel. Hoe lang is de Sjoa geleden …

Ik had verschillende keren contact met jongeren van 12 tot 15 jaar met uiteenlopende maatschappelijke en religieuze achtergronden. Het kader was een internet-brievenproject met scholieren, een aantal jaren geleden ontwikkeld door JMW. Joodse ouderen die de oorlog hebben meegemaakt, schrijven hierover en beantwoorden vragen van de scholieren. Aan het eind van het schrijfcontact vindt er een ontmoeting plaats, hier, in de Hollandsche Schouwburg.
Ik breng altijd de zondebok ter sprake, verzet en verraad. Ik probeer te prikkelen met begrippen die zij, wij allemaal kennen uit het alledaagse leven.
Enkele reacties:

Ik vind het echt niet kunnen wat ze allemaal met de Joden deden, ze hebben niks gedaan en toch kregen ze de schuld. Op school was een meisje dat gepest werd en ik vond het best erg maar ik durfde niet tegen die anderen te zeggen, hé hou d’r es mee op. Daar heb ik nu wel spijt van.
Hoe weet ik dat nou, of ik iemand durf te verbergen. Een vriend misschien – het is natuurlijk wel spannend. Je doet tenminste iets.
Ik kan me wel voorstellen dat je je buren verraadt voor een beetje geld, want als je niks hebt, kan je niks anders doen dan andere mensen verraden. En … als je je eigen leven ermee kan redden …
Was u anders geweest als u geen oorlog had gehad?
Ik begrijp er echt niks van, dat ze vroeger al die Joden hebben vermoord – maar er worden toch overal mensen vermoord?

We komen er niet omheen, dat de naoorlogse generatie de volkerenmoorden van de afgelopen jaren ter sprake brengt, of op z’n minst met de moord op Joden vergelijkt. Ze kijken TV en vergeet vooral dogma’s en discussies thuis niet.
In zijn soort is de Sjoa uniek, maar zijn soort, genocide, gaat onveranderd door. Er is niets nieuws onder de zon.

Zonder de Sjoa te verkleinen, kunnen wij hun blikveld verruimen.
Ons individuele familieverhaal ter sprake brengen en tegelijk ons eigen verhaal overstijgen door een discussie opgang te brengen: heb jij ervaring met vooroordelen? Wat overkomt een mens, als hij tot zondebok wordt gekozen, zó niets ontziend dat zijn leven niets, helemaal niets meer waard is, als hij door een speling van het lot terecht komt in het middelpunt van een oorlogsorkaan. Stel je voor dat jij en jouw familie … ken je een familie die …

Als ik nu de Hollandsche Schouwburg binnenkom, voel ik elke keer een lichte verbijstering, ik was hier tóen en kan het me niet meer herinneren.
De familienamen op de wand, waaronder die van mijn vader, blijven me ontroeren. Een muur van namen, van tranen. Als ik zijn naam lees voel ik een voldoening, hij wordt hiermee uit de anonimiteit van een massagraf gehaald.
Elke keer als iemand zijn naam leest, bestaat hij even.

Wij staan hier, we hebben geen dak boven ons hoofd. We zijn kwetsbaar, we kunnen worden bespied.
U kunt hier elke dag van het jaar zijn. U loopt naar binnen voor een minuut, voor een uur. U draait zich om en loopt weer weg en kunt uw geluk niet op.

Dank u.

Deborah Juliard (1991) is haar hele leven al betrokken bij de Joodse gemeenschap. Ze is actief bij de Joodse jeugdbeweging Haboniem-Dror BeHolland (waar zij penningmeester is) en de Joodse studentenvereniging IJAR. Ze zat op Rosj Pina en op Maimonides en is nu derdejaars student Toegepaste Psychologie aan de Hogeschool van Amsterdam. Op dit moment loopt ze stage bij Amsterdam Marketing.

Boeken. Films. Foto’s. Documentaires. Musea. Verhalen. Verhalen. En nog meer verhalen.
Een overvloed aan informatie is te vinden over de verschrikkelijke gebeurtenis die 74 jaar geleden heeft plaatsgevonden.
74 Jaar geleden. 74 Jaar aan informatie.

Geachte aanwezigen,

Ik sta hier voor u namens de jongeren van Joods Nederland.
Ik ben nu 22 jaar, ik heb op de basisschool boekbesprekingen gehouden over boeken van Ida Vos, ik heb tientallen oorlogsfilms gezien, foto’s, documentaires, ik ben naar musea geweest, ik heb verschillende kampen bezocht en ik heb verhalen gehoord.
Verhalen over mijn opa die met een kruiwagen, over de hei bij Huizen, zelf geschreven boeken over de nazi-bezetting aan het uitdelen was, terwijl hij ondergedoken zat met mijn oma.
Verhalen over onderdrukking, Bergen-Belsen, Westerbork, Auschwitz en ga zo maar door. Verhalen. Verhalen. En nog meer verhalen.

Verhalen die we nu nog kunnen horen, van overlevenden. Verhalen waarbij we de emoties kunnen aflezen van de gezichten; de pijn, de woede en de angst. Verhalen die om die reden een indruk op ons maken. Mijn generatie krijgt de verhalen nog te horen van de overlevenden – zoals mijn opa. En nog veel meer dan bij boeken, foto’s, films, documentaires en musea brengt dit die tijd dichterbij en wordt het persoonlijk.

Mijn generatie bevindt zich in een tijdperk, waarin die verhalen steeds minder vaak direct verteld kunnen worden. En wat overblijft zijn de boeken, foto’s, films, documentaires, musea.

Deze vertellen ons alles over wat er tijdens de Sjoa is gebeurd. Zoals de razzia’s, de deportaties, de kampen. Maar ze hebben geen emotie. Die maken wij er vervolgens bij. Emoties, zoals angst en verdriet leven in de verhalen die mijn generatie nog kunnen worden verteld.
En ook al voelen we nooit wat zij hebben gevoeld. Ook al denken we nooit hoe zij hebben gedacht. Ook al zien we nooit wat zij hebben gezien. Wanneer verhalen worden verteld worden deze levend.

Die levende verhalen zijn het levende bewijs voor die tijd. En het is prachtig zolang die er nog zijn. Want we beseffen ons daardoor dat vrijheid niet altijd heeft geleefd.
Dat het geen vanzelfsprekendheid is om in vrijheid te zijn opgevoed.
Om niet bang te hoeven zijn voor razzia’s, om op transport te worden gezet, om alleen te zijn.

En dat besef is moeilijk. Het staan op deze plek in de Hollandsche Schouwburg, met haar afgebroken muren en uit een Davidster herrijzende zuil is indrukwekkend. Maar het besef van vrijheid komt er niet uit tot leven. Dat komt pas als ik om mij heen kijk en mijn oma hier zie zitten, waardoor verhalen leven.

En als ik straks met alle aanwezigen deze plek verlaat waar ruim 46.000 Joden op transport zijn gezet, realiseer ik me mijn vrijheid. Mijn geluk om iedere ochtend op te kunnen staan, naar werk of naar school te gaan en mij te ontwikkelen, een bewust Joods leven te leiden, naar Joodse verenigingen te gaan zoals Haboniem, IJAR en Maccabi hockey.
Maar zou datzelfde besef er ook in volgende generaties zijn, wanneer jongeren niet hun oma, zoals de mijne, in de zaal zien zitten?

Ik als jongere – en mijn hele generatie – heb de belangrijke taak om de verhalen levend te houden. Zodat we de herinnering aan de Sjoa en ons besef van vrijheid niet alleen nog maar laten spreken door boeken, foto’s, films, documentaires en musea. Er zijn verhalen en straks is het aan ons om die nog levend te houden.

Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat het moeilijk is om naar verhalen te vragen. Om je grootouders hun herinneringen te laten ophalen, alleen zodat jij dit verhaal kan horen. Toch doe ik een oproep aan mijn generatie om dat te proberen. Ga naar je grootouders of anderen, stel ze vragen, schrijf ze op, maar zorg er bovenal voor dat hun verhaal, een verhaal voor jou persoonlijk wordt. Dat is de taak die wij hebben om de emoties, angst, pijn en verdriet – te laten spreken over een tijd die niet door boeken, foto’s, films en documentaires zijn te bevatten.

Dank u wel.