
De afgelopen 6 weken lazen we in de diaspora een andere parasja dan in Israël. Het is u waarschijnlijk niet opgevallen, maar als je op religieuze sites kijkt naar een stichtelijk woord over de parasja, kon je dus de afgelopen weken zien dat ze daar één week voor liepen op ons. Sommigen in de diaspora met familie in Israël vonden dat wel grappig, want je kan dan bar-mitswa worden in Israël – terugvliegen naar huis en daar in de diaspora een week later dezelfde parasja in sjoel lezen als de bar-mitswa jongen. Heb je alles ook al een keer live geoefend ... Hoe komt het dan dat men in de diaspora en in Israël niet dezelfde parasja las? Dat komt allemaal door de tweede dag jom tov die door de orthodoxie in de diaspora nog steeds in ere wordt gehouden. Want, terwijl wij nog vrolijk de 8e dag Pesach vierden, was het die zaterdag een gewone sjabbat in Israël. En dus lazen ze daar een gewone parasja, terwijl in de diapora dus een speciale lezing van de 8e dag Pesach werd gedaan. En zo lag men daar dus 1 week vóór op ons in Nederland.
Maar daar komt deze sjabbat dus verandering in. Want zoals misschien bekend, zijn er 50 weken in een maanjaar (354 dagen), maar zijn er 54 parsjiot. Dus moet men op een aantal weken in het jaar een dubbele parasja lezen, zoals Wajekhel-Pekudé (de laatste 2 lezingen in het 2e boek Sjemot/Exodus), of Tazria-Metsora, of Matot-Masé (de laatste 2 lezingen in het 4e boek Bemidbar/Numeri). Deze week wordt dus in de diaspora de dubbele parasja Behar-Bechoekotai gelezen, maar in Israël worden ze apart gelezen. Dus vorige week werd daar Behar gelezen en deze week Bechoekotai. Met Bechoekotai wordt het 3e boek van de Tora – Wajikra (Leviticus) uitgelezen. Dus: deze week lezen ze zowel in de diaspora als in Israël het 3e boek van de Tora uit en wordt de achterstand van de diaspora vanaf Pesach weer gelijkgetrokken.
Nu kan de oplettende lezer vragen waarom eigenlijk gewacht wordt tot het einde van het boek Wajikra om deze achterstand in te halen. Het was toch ook mogelijk geweest om al enkele weken geleden het leesrooster in de diaspora en in Israël gelijk te trekken door in Israël Tazria als enkele parasja te lezen en de week daarop Metsora daar als enkele parasja te lezen, terwijl men dan in de diaspora de dubbele lange-zit Tazria-Metsora leest. Probleem opgelost en de week daarna leest iedereen alweer het zelfde. Waarom dus wachten tot het einde van het boek? Nu blijken daar twee oude gebruiken over te bestaan: één die inderdaad de 1e mogelijkheid in het leesrooster benut, door in Israël Tazria en Metsora te scheiden, en de andere minhag om te wachten tot het einde van het 3e boek, waar Behar en Bechoekotai als 2 aparte parsjiot worden gelezen in Israël, en in de diaspora als één dubbele lezing.
De afgelopen 500 jaar heeft men voor de 2e oplossing gekozen. Waarom is niet helemaal duidelijk. Volgens sommigen om aan te geven dat het primaat van de kalender in Israël ligt en niet in de diaspora. Oftewel: iedereen weet dat de echte jom tov de 1e dag is en alleen door de praktische problemen in het verleden om die informatie door te geven aan de diaspora, viert men daar al eeuwen lang 2 dagen feest. Dus vindt men het niet erg dat men in Israël nog langere tijd voorloopt in het leesrooster, omdat je de zaak moet omdraaien: de diaspora loopt achter op Israël die de echte traditie volgt. Om dat aan te geven wacht men dus zo lang mogelijk met het gelijktrekken van het leesrooster in Israël en de diaspora.
Vanaf volgende week lezen ze dus overal weer vrolijk Bemidbar – de openingsparasja van het 4e boek. Nu is dát weer een ander geheim van het leesrooster: altijd moet de parasja van Bemidbar gelezen worden de sjabbat vóór Sjawoe’ot. Wat precies daar weer de reden van is weet ik niet, maar er is ongetwijfeld een reden voor. In ieder geval is het symbolisch dat de parasja van Bemidbar opent met de opdracht om het volk Israël te tellen in de woestijn. En de sjabbat voor Sjawoe’ot zijn we al weer bijna uitgeteld met de Omertelling. Ook in de parasja van deze week (in de diaspora dan ...), staat tellen in de spotlights. De bijbelse visie op economische groei wordt namelijk neergelegd in een systeem van 7-jarige landbouwcycli, waarbij er – net als in de kalenderweek – 6 jaar geproduceerd moet worden, maar het 7e jaar een rustjaar (sjemita) is en er niets nieuws gemaakt / gezaaid / geoogst mag worden. Er mag wel kleinschalig geconsumeerd worden wat er groeit, maar niet wat daar door de mens aan toegevoegd wordt. Na 7 van dergelijke cycli gehad te hebben, komt er een 50e jaar, het Jubeljaar. Hier gebeuren er nog veel ingrijpender hervormingen: slaven worden vrijgelaten en landerijen en huizen (buiten de grote steden) keren weer terug naar de oorspronkelijke eigenaren.
Niet echt een model voor groei, maar (waarschijnlijk) wel voor bestendigheid, stabiliteit en het vermijden van grote ongelijkheid en onrust. De Tora is daar heel nuchter over: “want het land (of beter: de wereld) is van Mij, en u bent vreemdelingen en bijwoners bij Mij ...” (Wajikra/Numeri 25:23). Direct volgend op deze wetten over de economie en een sociaal vangnet (de plicht om iemand uit slavernij vrij te kopen) komt de laatste parasja van het 3e boek waarin 2 scenario’s worden geschetst: één van zegen en één van vloek (hoofdstuk 26). De boodschap lijkt te zijn: wanneer je je aan deze wetten houdt, gaat het goed, anders wordt het inderdaad een strijd van allen tegen allen, die alleen verliezers kent (vloek).
Moderne economische modellen hebben groei mogelijk gemaakt – een groei waar men in de bijbel niet eens van kon dromen. Maar zijn de grenzen van de groei nu voorlopig bereikt zoals sommigen zeggen? En is dat erg? Hoe gaan we, nu we gewend zijn aan altijd groeien, om met stagnatie? En is er wel echt stagnatie, of is dat ook alleen maar relatief? Het belangrijkste is dat we ons hoofd koel houden en rechtvaardig en sociaal blijven. Best een moeilijke opgave in tijden waarin het lijkt alsof het allemaal een strijd is om schaarse middelen ...
Sjabbat sjalom!
Gisteravond weigerde ik gewoon de supermarkt uit te gaan totdat ik een mini zou krijgen (u weet wel, die actie van die bekende supermarkt). “Maar, u heeft helemaal niet gewinkeld voor 15 euro” zei de verkoopster vriendelijk, “dus heeft u er strikt gezien geen recht op.” Wat zullen we nou krijgen, ik heb ergens géén recht op?, dacht ik. Met stemverheffing zei ik dat ik de winkel pas zou verlaten als ik mijn mini zou krijgen. “En zorg maar dat het er één is die we nog niet hebben” beet ik haar toe. “Broccoli, gloeilampen en die stomme mini-kaasjes hebben we al 10x dubbel” schreeuwde ik nu. Dat was allemaal gekomen doordat ik de dag ervoor bij vrienden langs was, die niet alleen de crème in blauwe pot hadden (geen sluikreclame ...), maar ook al de worstjes en de pizzasaus. En dan zwijg ik nog over de (plof)kippetjes die ze weigeren te ruilen. Ik bedoel – er zijn grenzen ... Bovendien had ik net een assertiviteitscursus gevolgd, die nu zijn vruchten leek af te werpen. Even later liep ik trots met een klein zakje boodschappen en een mini die we nog niet hadden (het pak sinaasappelsap), de winkel uit.
Overigens vertelde een teleurgestelde oma mij dat ze voor haar kleinkinderen bij een speelgoedzaak was geweest en voor enkele euro’s tientallen speelgoed-boodschapjes had gekocht. “Dat gaat toch veel sneller, en is goedkoper dan voor elke 15 euro 1 mini krijgen” legde ze uit. Maar ja, de miniverpakkingen van de winkel zagen er anders uit en hadden een ander formaat. Ze werden door de kleinkinderen dan ook meteen afgekeurd en uit het winkeltje gehaald (een soort ongewenste vreemdelingen ...). Ze weigeren er mee te spelen omdat het “niet de echte mini’s zijn.” Grappig toch, dit fenomeen. De ‘echte’ mini’s uit de supermarkt zijn zelf weer een mini-afbeelding van een product, niet echt dus. Maar ook het echte product uit de supermarkt is natuurlijk wel echt, maar niet uniek – er lopen er elke week miljoenen van de lopende band af in de fabrieken.
Wat me weer deed denken aan de kledinggekte uit de jaren 80, begin jaren 80 moet ik zeggen. Toen kwam het poloshirt in – niemand die écht wist wat polo precies was en hoe het gespeeld werd. Maar daar ging het niet om, je zag er natuurlijk razend sportief uit in zo’n poloshirt (niet natuurlijk als je – zoals ikzelf – veel te dik was en de kleur roze koos omdat dat ‘in’ was ... Je had toen een merk waarvan het symbool een krokodil was. Ook weer zoiets – dat is natuurlijk ook niet echt, maar het geeft wel het idee dat je als het ware een jagersnatuur hebt. Met zo’n krokodil op je borst is geen oerwoud je te veel (dat je in je eentje nog nooit Buitenveldert was uitgeweest was minder belangrijk ...). Enfin, op een dag kwam een vriend van ons trots zijn nieuwe poloshirt aan ons op school showen. Een van de aanwezigen liep langzaam naar hem toe, boog zich over het krokodilletje heen, betastte de randen daar enkele keren van en zei: “da’s een nepper”. Boos zei de jongen dat zijn vader het poloshirt in de officiële winkel van het merk had gekocht, dus het-kon-he-le-maal geen nepper zijn ... Maar de andere jongen bleef bij zijn onverbiddelijke oordeel: een nepper. Maar, hoe erg is dat eigenlijk? Het shirt voldoet qua kwaliteit en uiterlijk aan wat je van een poloshirt mag verwachten. Bovendien, hoe echt is een poloshirt dat in miljoenen oplage uit de machines rolt?
Wat we weer deed denken aan een kopje koffie dat ik in een vestiging van een bekende buitenlandse keten dronk. De entourage was mooi (hout + beton), maar wat me opviel was dat je je kopje koffie niet meteen kreeg. Nee, je moest je naam geven en dan je bestelling – amper 1 meter verderop – bij een andere persoon afhalen. Bij anderen die een frapp/grappuchino (da’s toch geen koffie meer ...) bestelden, werd de naam op de plastic beker geschreven. Om het als het ware als iets persoonlijks te maken, hoewel het wegwerpbekertje na het opdrinken weggegooid wordt en er in de wereld miljoenen van dergelijke bekers bestaan.
Wat me weer bij Lag beOmer brengt en de bijbehorende held Sjimon bar Jochai. Volgens orthodoxen heeft hij de Zohar geschreven, maar vroeger was men daar minder van overtuigd (ook sommige kabbalisten). Academici weten het zeker – de Zohar werd door Mozes de Leon geschreven, of door een groep kabbalisten, of is een project van meer dan één generatie. De Zohar is dus niet echt. Maar hoe erg is dat? Niet voor al die mensen die uit de Zohar hun inspiratie halen. Dus steek vandaag nog de fik in de vuurkorf en zing het mooie lied *Bar Jochai – nimsjachta asjrecha ... *, ‘Bar Jochai – gezegend ben je, gezalfd door de heilige zalfolie ...’ Huh, maar er is toch geen bijbelse zalfolie meer in zijn tijd? Ook niet echt dus, die olie?
Sjabbat sjalom
Hoewel ik het woord Pesach van mijn omgeving niet meer mag gebruiken in mijn columns, doe ik dat nog één keer. In onze schoonmaakijver hadden we het broodrooster en het tosti-apparaat weggegooid voor Pesach. Dat heeft weinig met halacha te maken, maar meer met het feit dat beide apparaten niet goed meer werkten. Dus we kochten na Pesach een nieuw broodrooster en een tosti-apparaat. Uiteraard kochten we een goedkoop apparaat, want in praktijk blijkt er toch vaak weinig verschil te zijn. Meteen nadat het apparaat uit de doos kwam, bleek het al kapot te zijn – althans volgens ons. Beetje zeuren in de winkel, en weinig later waren we de trotse eigenaar van een 2e tosti-apparaat dat nu wél goed werkte. Uit nieuwsgierigheid begon ik de gebruiksaanwijzing te lezen (moet je ook niet doen, had mijn vrouw nog gewaarschuwd). Na enige regels gelezen te hebben kwam ik een curieuze zinsnede tegen:
De onderdelen van deze set zijn voorzien van een PTFE-antiaanbaklaag. Wanneer deze laag wordt opgewarmd, kan hij kleine hoeveelheden gas afgeven. Dit is onschadelijk voor mensen. Het is echter bewezen dat het zenuwstelsel van vogels er erg gevoelig voor is. Gebruik dit apparaat daarom niet in de buurt van vogels (tropische vogels, zoals papegaaien).
Nou heb ik geen tropische vogels thuis, maar een tekst als deze is natuurlijk te veel voor mijn neurotische hypochondrische karakter. Na een beetje googlen kwam ik in hele discussiegroepen terecht over anti-aanbak-lagen en mogelijke gevaren voor de gezondheid. Alleen een samenzweringstheorie ontbrak, maar misschien heb ik niet goed gekeken. Zelfs het maken van een tosti kan je niet meer onbevangen doen, dacht ik toen ik aarzelend een hapje van mijn tosti nam ...
En toen was het ook nog Koninginnedag, en dus moet je wat doen met de kinderen. Ze hadden al aangekondigd dat ze dit jaar zelf muffins zouden bakken, die ze dan weer zouden gaan verkopen. Prima, moedigde ik hen aan, echt de VOC-mentaliteit! Zelf handelaartje spelen, één keer per jaar, prachtig toch – terwijl je toch de rest van het jaar overal een vergunning voor nodig hebt. Mijn vrouw vond het idee minder goed (rotzooi, wie gaat die opruimen, etc), maar ging toch overstag. En daar stonden zondagavond – erev Jom HaMalka – 36 muffins op ons aanrecht. De prijs was vastgesteld op 1 euro per muffin, en een halve euro voor een glas limonade, dat ze ook zouden verkopen. We aten ons alvast even in, en betaalden onze kinderen 5 euro voor 4 muffins (je knijpt af-en-toe een oogje dicht natuurlijk ...) die inderdaad lekker waren. De volgende ochtend togen we met muffins, limonade, versieringen voor op de muffins (naar keuze) en slagroom richting Middenhoven – u weet wel, die betwiste enclave in het hart van Amstelveen.
Nou, je kon er weer minje maken: enkele vrienden uit sjoel en wat Israëli’s. Handig maakten we hiervan gebruik en chanteerden onze vrienden en bekenden om een muffin te kopen bij onze lieve kindertjes (wij zaten er ondertussen ook al in voor 6 euro, dús ...). Na een 1½ uur vonden we het wel leuk geweest. Zelf word ik altijd wat depressief van al die rotzooi die aangeboden wordt: kapot speelgoed, foute vaasjes, lelijke miniatuurschilderingen, kinderkleertjes – enfin u kent dat wel. En wat een lol dat mensen daaraan beleven ... Af en toe keken we elkaar aan: al zouden we het cadeau krijgen, dan nog zouden we het niet meenemen. Maar goed, ieder zijn ding. De muffins en limonade werden de auto ingeladen en we reisden af naar het volgende station: het Gelderlandplein in Amsterdam-Buitenveldert. Toen we echter vanuit de auto de halve kille daar aan de Mizrach-kant van het plein zagen staan, zeiden we unaniem: nee, we gaan iets anders doen. Maar wat? Ah, een picknickje in een rustig park, zei mijn vrouw. Briljant. Snel togen we naar een supermarkt die open was, kochten wat eten, en vertrokken richting een park waar het heel stil was en lekker zonnig (zo zonnig dat men werd aangeraden om zich in te smeren met zonnebrandcrème, niet te veel natuurlijk. Welk park zeg ik trouwens niet, anders komt u volgend jaar ook en is het daar ook zo druk als op alle andere plekken. De dag na Koninginnedag is trouwens minder feestelijk in de binnenstad van Amsterdam – wat een rotzooi lag er weer op straat!
Ondertussen zijn we ook al weer aan het Omer-(af)tellen tot Sjawoe’ot. Oorspronkelijk was de periode tussen Pesach en Sjawoe’ot een vrolijke periode waarin de nieuwe oogst van gerst en tarwe centraal stond. Mensen sliepen dan op het veld – lees maar in het boek Ruth. En niet voor niets lees je met Pesach het Hooglied waar de ontluikende lente-natuur mooi beschreven wordt om alvast een beetje in de stemming te komen. Later werd het echter juist weer een periode die men met treur verbond. Het verhaal van 24.000 leerlingen van rabbi Akiva die allemaal stierven in deze periode, en kruistochten en andere pogroms in de Middeleeuwen, zorgden voor een sobere stemming. Zodat men al eeuwen geen muziek luistert in de Omertijd, geen vrouwen huwt, de haren niet knipt en de baard laat staan. In veel tradities houdt die treur op vanaf de 33e dag van de Omer, Lag BeOmer – dit jaar op donderdag 10 mei – de sterfdag van rabbi Sjimon bar Jochai volgens de mystieke traditie. Een dag die opmerkelijk genoeg dus geen treurdag maar juist een feestdag is. Sterfdagen van heilige mensen zijn vrolijke dagen omdat zij hun bestemming in de andere wereld bereiken. Sommige mystici zeggen dat de tsaddiek – de vrome en heilige man – na zijn dood op een bepaalde manier nu meer aanwezig is dan bij zijn fysieke leven hier op aarde. Helemaal snappen doe ik dat laatste trouwens niet.
Enfin, als u Lag BeOmer viert, vergeet dan niet uw vuurkorf alvast uit de schuur te halen – een echt kampvuur maken raad ik u af in de Randstad. Mensen zullen namelijk ongetwijfeld de brandweer bellen, die meteen een einde maakt aan de feestpret, denk ik. Hoewel de vele vreugdevuren in Israël wel weer voor een gigantische luchtvervuiling zorgen.
Sjabbat sjalom
Gelukkig daar is ie: de traditionele rel rond de 4-mei herdenking. Over een Duitse ambassadeur die een krans moet leggen bij de Dam, of: een vrolijke politieke polemiek gevoerd over de 4-mei herdenking. Dan schrijft een PVV-er “dat we op 4 mei de ‘slachtoffers van het (nationaal-)socialisme herdenken’” (grappig toch?), zodat als reactie daar weer op een linkse politica zich afvraagt ‘of PVV-politici wel aanwezig mogen zijn bij de 4-mei herdenking’. Zo, die puntjes zijn over en weer gescoord. Dan weer over die ‘ene mevrouw’ die al dan niet in een restaurant moedwillig zit te bellen tijdens de 2 minuten stilte. Dit jaar gaat het conflict over een gedicht van een puber die naar zijn foute oud-oom is vernoemd die bij de Waffen-SS zat. Moet kunnen toch? (Ik vond het gedicht zelf overigens best pover, literair gezien dan ...) Ik kan mij zelf al herdenkingen in de vroege jaren ’80 herinneren waar het opeens ook over het leed in (vul maar in:) Angola, El Salvador, Nicaragua, etc. ging.
Tuurlijk, er zijn tegenwoordig ook wel weer mensen te vinden die tijdens hun toespraak bij de herdenking nog even naar het Israëlisch-Palestijnse conflict verwijzen. Dan valt die Dam-schreeuwer eigenlijk wel weer een beetje mee, denk ik dan stiekem. Zolang er nog mensen leven die de Tweede Wereldoorlog / de Sjoa hebben meegemaakt, mag je sowieso niet komen aan die herdenking. En, als ik zo om me heen kijk in Joodse kring, is de oorlog nog (spring)levend, te levendig helaas voor al die ‘creativiteit’ rond de herdenking. De discussie hierover zal pas echt over 25-30 jaar neutraal gevoerd kunnen worden, denk ik. En misschien dan niet eens. Is dit allemaal antisemitisme? Natuurlijk niet, alleen bestaat er een duidelijk verschil tussen Joden en niet-Joden wanneer het gaat over de Tweede Wereldoorlog. Dat het Comité 4-en-5 mei dat niet begrijpt, begrijp ik dan weer niet. Kortom, tijd om het boek van Maud van de Reijt aan te schaffen: “Zestig jaar herrie om twee minuten stilte – hoe wij steeds meer doden gingen herdenken” (zelf niet gelezen...). Volgens haar gaan we naar één Europese herdenking toegroeien. Alvast een tipje van de sluier: “Wist u dat de dodenherdenking niet altijd op 4 mei plaatsvond? Dat de Joodse slachtoffers pas vanaf de jaren zestig werden herdacht?” (wervende tekst op bol.com). Op naar de volgende rel!
Ach, en dan was het ook nog eens Jom Ha’atsmaoet – de Staat Israël is 64 jaar geworden. Mazzeltof! Ik kan me zelf als kind nog herinneren hoe we uitbundig het 25-jarige bestaan van de Staat Israël vierden, ik meen in de RAI (of was het de 30e Jom Ha’atsmaoet?) Grote indruk maakte dat toen. Het is eigenlijk de enige grote viering die ik me kan herinneren waar ik als kind bij was tot mijn vertrek naar Israël in de jaren ’80. Maar Jom Ha’atsmaoet in Israël is toch echt anders dan in het buitenland. Het heeft altijd wat geforceerds, die vieringen in het buitenland, vind ik (falaffel, choemoes, techina en zo). Nee, in Israël is het Nationale Barbecue-dag. In grote zwermen worden de parken, bossen en andere recreatieplekken in een blauw-witte walm gestoken. De geur van geroosterd vlees is overal aanwezig (een vegetarische barbecue is nog niet echt hip ...) En veel plastic bekertjes, borden en bestek die matig worden opgeruimd ... Mijn ‘diepe’ gedachten worden onderbroken door gestommel bij de deur. Genoeg voor vandaag. Mijn vrouw komt terug van het winkelen met de kinderen. Ze hebben een film gekocht. Leuk. Welke?, vraag ik. “13 In de oorlog!” antwoordt mijn vrouw. Dûh ...
Gelukkig was er ook goed nieuws: we zijn een stap dichter bij de verklaring voor de zogenaamde 'ijshoofdpijn', althans volgens nu.nl:
Helemaal quatsch en zinloos was het onderzoek niet, want men hoopt dat inzicht in de ijshoofdpijn ook kan helpen om migraine te begrijpen en misschien te voorkomen. Enfin, hoofdpijn of níet: ijs is en blijft gewoon lekker! Overigens werd vroeger ook al aangeraden om niet heel snel van warm naar koud te gaan en vice versa. Mensen gingen uitgebreid naar een warm badhuis en als je daar klaar was, moest je langzaam chambreren en goed ingepakt naar buiten gaan, vooral je hoofd. En eigenlijk moest je geen lauw of koud water op je hoofd doen. Dit was volgens Maimonides dé ideale manier van badderen:
(Maimonides, Regels van het gedrag [Hiilchot Deót, H. 4:16-17/ 21-22)], vertaling A. van der Heide).
Sjabbat sjalom!
Op het aanrecht staat nog een kilopak matzes – één van de souvenirs van afgelopen Pesach. Het tweede souvenir bestaat uit een aantal foute messen, vorken en bekers in de kast, waarvan mijn vrouw op Pesach opeens besloot dat ze niet meer mee doen volgend jaar Pesach. Waarom? Geen flauw idee, maar ze worden nu dan maar door het jaar gebruikt. Ach, en met die matzes – dat gaat elk jaar zo. Op de tussendagen van Pesach moet de moeilijke beslissing altijd weer genomen worden: kopen we bij of niet? Een beetje net zo als met aandelen die niet lekker gaan – koop je juist bij of stoot je ze af? En elk jaar verwacht mijn vrouw opeens nog drommen denkbeeldige gasten voor de laatste dagen Pesach, dus daar heb je natuurlijk extra matzes voor nodig. Alsof iemand de laatste dagen die matzes überhaupt nog kan zien ... Discussiëren met mijn vrouw is in deze zinloos, dat heb ik ondertussen wel geleerd.
Enfin, we hebben nog enkele weken tot Sjawoe’ot en dan moeten de matzes op zijn. In Tempelse tijden moest namelijk op Sjawoe’ot altijd een speciaal offer worden gebracht van twee broden. Lees maar: ‘Tot de dag na de zevende sjabbat (= week) moet u vijftig dagen tellen. Dan moet u de Eeuwige een nieuw (graan)offer aanbieden. Uit uw woongebieden moet u twee broden brengen, bestemd voor een beweegoffer. Ze moeten van twee tiende efa meelbloem zijn, met zuurdeeg gebakken; het zijn eerstelingen (Hebreeuws: bikoeriem) voor de Eeuwige.’ (Wajikra 23:16-17). Uitzonderlijk, omdat het het enige offer in de Tempel was dat chameets mocht zijn – alle andere broden en koeken die in de Tora worden genoemd, moesten altijd matsa (ongezuurd, ongerezen) zijn – het hele jaar door dus (arme priesters ...). Want men mocht geen meelwaren die chameets zijn, of met honing gezoet, op het altaar in de Tempel offeren (zie Wajikra 2:11). Volgens mij is dat speciale offer van de twee broden op Sjawoe’ot een teken dat je nu echt moet ophouden met het eten van matzes. Al die teveel gekochte / gemaakte matzes van Pesach moeten nu – circa 7 weken later – echt op zijn ...
Op verschillende internetsites is het soms nog een beetje Pesach. Hier-en-daar zijn immers nog vragen te vinden hoe het zit met chameets ná Pesach. Hè, zult u denken, na Pesach is er toch niets aan de hand met chameets? Toch wel, want er bestaat een regel over chameets dat op Pesach niet verkocht is of weggeruimd is uit het huis, vernietigd is of eigenaarloos is verklaard, dat dat chameets na Pesach niet genuttigd mag worden. Als straf voor de persoon in kwestie die zich niet aan de Pesach-voorschriften heeft gehouden. Dit heet chameets-sje’awar alav haPesach: chameets waar de Pesach overheen is geweest. In Israël leidt dat weer elk jaar tot problemen: hoe zit het met eigenaren van winkels waarvan je twijfels hebt of ze het chameets wel verkocht hebben? Mag je daar als orthodoxe Jood wel meelproducten kopen meteen na Pesach, of is dat verboden? Of hoe zit het eigenlijk, vraagt een verontruste Asjkenazi, met de verrijkte matzekoekjes die de familie kreeg van iemand anders op de Sjabbat ná Pesach, in Israël afgelopen zaterdag (blijkbaar ook te veel ingekocht ...).
‘Verrijkte matzekoekjes’ (matsa asjiera), is een product gemaakt van meel, vermengd met wijn (of druivensap) en eieren. Zonder water dus. De vraag is of dit op Pesach gegeten mag worden. Volgens Asjkenaziem in principe niet – vruchtensappen e.d. maken het deeg misschien nog wel sneller chameets dan water – en volgens (sommige) Sefardiem wel. Deze persoon dumpt dus zijn koekjes bij de Asjkenazi, die ze echter op Pesach als chameets beschouwde. Nu, op de dag na Pesach (bij ons 8e dag Pesach), zijn ze weliswaar toegestaan, maar hadden die dingen eigenlijk niet verkocht moeten worden, is het geen chameets misschien? Mogen ze nu na Pesach dus wel gegeten worden? De rabbijn stelt de man gerust: omdat er een meningsverschil is of deze koekjes mogen op Pesach, geldt de strafmaatregel niet. Die is alleen voor écht chameets. Tja, en dan de persoon die vergat om zijn/haar probiotica te verkopen op Pesach, en deze zelfs gewoon meenam naar haar hotel op Pesach (mijn gevoel zegt dat het een vrouw is ...). Mogen die nu nog gebruikt worden na Pesach? Geen probleem, zegt de rabbijn weer, en legt niet eens uit waarom (zit er eigenlijk chameets in die probiotica?!).
We gaan overigens erg lekker met ons winkeltje. Ik verwacht dat we – in het tempo van onze boodschappen nu – binnen enkele weken alle producten compleet hebben. Gisteren was een mindere dag omdat we de gloeilamp en de chocoladereep dubbel kregen. Maar dat zijn dan ook de enige doublures die we hebben. Soms gaan we wel drie keer per dag boodschappen doen, alleen maar om die felbegeerde mini’s te krijgen. Onze goede contacten met de mensen achter de kassa werpen nu hun vruchten af. Wij wensen hún nu ‘een fijne dag verder’, ‘een prettige avond nog’, ‘een fijn weekend’, in plaats van andersom. Eergisteren kreeg ik – terwijl ik maar iets gekocht had van nog geen 10 euro – tóch een mini. Terwijl ik eigenlijk 15 euro had moeten uitgeven voordat ik me de trotste eigenaar had kunnen noemen van de mini-ketchupfles, het minuscule blikje frisdrank, de plastic broccoli, of het minuscule kaasje.
Elke keer weer scheuren we vol spanning de blauwe plastic verpakking eraf: hebben we hem al of niet? Vrienden van ons zijn al een stuk verder – die hadden al de plastic (plof)kip, het nepgeld en de mini-kortingskaart, zag ik snel. Tijdens ons bezoek aan hun kon ik mijn ogen maar met moeite van deze trofeeën afhouden. ‘Luister je wel’, vroeg de gastvrouw dan ook op een gegeven ogenblik, toen mijn blik weer eens afdwaalde naar de piepkleine plasticboterham die zij – verdorie – óók al hadden. Eén van onze dochters vertelde overigens dat ze werd aangesproken door een buurvrouw hier in de straat met de vraag of ze dubbele heeft, want die zou ze graag willen hebben! Verbroedering ten top, en dat allemaal door die briljante actie van die bekende supermarkt! Stelt u zich eens voor, al die probleemwijken waar de jeugd nu in plaats van criminaliteit te bedrijven, winkeltje gaat spelen (het winkeltje kost maar € 12.50 ... met een paar gestolen mobieltjes heb je dat toch zo bij elkaar).
Vooruit, nog één Pesachwitz die u misschien al kent. Een Joods gezin besluit na veel beraadslagen, om over te gaan tot het christendom. De rituelen worden uitgevoerd en ze zijn vanaf nu Christenen. Na enkele maanden komt de man thuis en klaagt dat hij eigenlijk toch weer Joods wil worden. Laten we allemaal maar weer terugkeren naar het jodendom, zegt hij tegen zijn vrouw. Sufferd, zegt deze, kon je niet wachten tot ná Pesach?!
Sjabbat sjalom.