inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Nieuws

vrijdag 3 april 2020

Mascottes en amuletten tegen een epidemie

Crescas heeft toestemming gekregen van de Nationale Bibliotheek van Israël om af en toe een blog van 'The Librarians' in Nederlandse vertaling over te nemen.

Op 17 maart plaatste historicus en 'Librarian' Chen Maloel een voor deze pandemische tijden zeer toepasselijk verhaal over de wijze waarop tot in het recente verleden in de Joodse wereld werd omgegaan met epidemieën.


De wijzen van Safed maakten amuletten, de Joden van Italië schreven gebeden en andere Joden waarschuwden voor minder conventionele plagen …

De eerste gedocumenteerde plaag in de geschiedenis van het Midden-Oosten stond bekend als de ‘Plaag van Justinianus’, genoemd naar de Byzantijnse keizer, Justinianus I. Die kwam rond 541-542 na de gangbare jaartelling vanuit Egypte naar Erets Jisraeel. De resultaten zijn in detail gedocumenteerd door de hofhistoricus van de keizer. Naar schatting is een kwart van de bevolking van het Romeinse rijk omgekomen in deze epidemie.

Duizend jaar later kregen de bewoners van het land nog steeds te maken met vrij frequente uitbraken. Gedurende de zestiende eeuw verspreidde de pest zich over verschillende delen van het Midden-Oosten. Als wij de volkswijsheid in Jeruzalem uit die periode mogen geloven, was er sprake van een nieuwe golf van pest die de stad elke zes of zeven jaar trof. In de geschriften van de wijzen van de heilige stad Safed (Zfat), in het noorden van Israël, vinden we bewijs dat deze rabbijnen onder andere de pest probeerden te bestrijden met behulp van speciale mascottes en amuletten.

De mascotte hieronder is afkomstig uit een kopie van het boek Shaar HaYichudim (Het poort naar eenheid) van de beroemde Safed kabbalist Hayyim ben Joseph Vital. De Hebreeuwse titel die bovenaan verschijnt, luidt: "Deze mascotte is voor de pest van de heilige ARI …" (De heilige ARI was rabbijn Isaac Luria, de leraar van Vital). De mascotte bestaat in feite uit twee verschillende amuletten die met elkaar zijn verbonden, de ene boven en de andere eronder. De afbeelding hier is afkomstig uit een latere druk van het boek met verschillende commentaren op de geschriften van Vital en Luria, maar de mascotte (of soortgelijke versies ervan) verscheen ook in eerdere drukken. Deze editie werd in 1855 gepubliceerd in de stad Lemberg, het huidige Lviv, in het westen van Oekraïne. Isaac Luria kwam om tijdens een pestuitbraak in het jaar 1572, toen hij nog maar 38 jaar oud was.

Een andere interessante tekst is te vinden in een manuscript dat deel uitmaakt van de Bill Gross verzameling en dat de vrij algemene titel ‘Gebeden tegen de pest’ kreeg. De tekst begint met de woorden van het ‘Shiviti’ ("Ik heb de Heer voortdurend voor mij geplaatst"), onmiddellijk gevolgd door Psalm 91, waarin de spreker vertelt over het toevluchtsoord dat de vleugels van de Heer bieden, terwijl hij ook tegen verschillende aspecten van het kwaad wordt beschermd, inclusief 'verwoestende pest'. Later wordt het verhaal verteld hoe Aaron de Hogepriester de pest met wierook kon stoppen, samen met wat een medicijnrecept lijkt te zijn.

In tegenstelling tot de kabbalisten van Safed, die de geheime goddelijke namen gebruikten, besloten de schrijvers van dit manuscript gebruik te maken van canonieke teksten die verslag deden van de overwinningen van God over de verschillende plagen die het volk van Israël bedreigden. Afgaande op de stijl van het schrift en de naam van de jongere aan wie het manuscript was opgedragen – Yosef Tzemach Gabriel Donati – die op de laatste pagina staat, is het waarschijnlijk dat het manuscript in de achttiende of negentiende eeuw in Italië werd geschreven.

In de loop van de tijd is het Hebreeuwse woord voor ‘pest’ – magefa (????) – ook in verband gebracht met andere betekenissen. In de pasjkevil-posters die populair zijn in ultraorthodoxe Joodse gemeenschappen, wordt het woord vaak gebruikt om verschillende 'kwalen' te beschrijven die zich in de moderne Israëlische samenleving hebben verspreid, of ze nu van biologische, theologische of morele aard zijn. In 1980 werd deze pasjkevil-posterwaarschuwing gedrukt voor "de plaag van de archeologie die zich door het Heilige Land verspreidde" en opgehangen in verschillende ultraorthodoxe gemeenschappen. In de tekst staat: "van tijd tot tijd verspreidt de plaag van de archeologie zich naar nieuwe gebieden; in de noordelijke, zuidelijke en centrale regio's."

Een andere pasjkevil, hieronder te zien, dateert uit de periode van het Britse mandaat in Palestina/Erets-Jisraeel en waarschuwt voor de 'plaag' van het eten en verkopen van niet-koosjer vlees die onder de Joodse gemeenschap was 'uitgebroken'.

Het laatste manuscript in dit overzicht is ook afkomstig uit het negentiende-eeuwse Italië. Het wordt tegenwoordig bewaard in de British Library in Londen.
Het belangrijkste verschil hier is met betrekking tot de soort epidemie die zich over het hele land verspreidde, namelijk "cholera morbus" en de uiting van de hoop dat "ons geen kwaad zal overkomen, noch een plaag zal naderen naar onze tent.” Net als andere manuscripten in zijn soort legt het een verband tussen de naleving van de wetten die aan Mozes op de berg Sinaï zijn overgedragen en de gezondheid van het individu en de gemeenschap. Deze belofte wordt uitgedrukt in het citaat: “ ‘Ik, de EEUWIGE, ben het die jullie geneest’ (Exodus 15, 26) want er staat geschreven: ‘voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt’ ” (Malachi 3, 20).

De oorpsronkelijke, Hebreeuwse tekst vind je hier.

   Deel dit bericht: Facebook  Facebook