sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Jansje Stodel

In 1965 ging Jansje Stodel met man en kind op aliya en keerde in 1967 met twee kinderen, zonder man naar Nederland terug. Hier volgde ze de Sociale Academie, waarna ze zich in Joods bestuurswerk stortte. Later werkte ze bij het opzetten en bijhouden van het papieren archief van het NIW. Ze is lid van het algemeen bestuur van WIZO Nederland en maakte enige jaren deel uit van de redactie van het verenigingsblad, de Chadasjot. Voor het Joods Hospice Immanuel bouwde ze een database die ze gebruikt bij het voeren van de donateursadministratie. Ze is getrouwd met Lou Evers. Samen hebben ze 29 kleinkinderen en al veel achterkleinkinderen.

vrijdag 24 april 2015

Iedereen die de oorlog overleefde, had op één of andere wijze geluk, maar op de schouders van mijn ouders zat wel een heel speciale engel die de omstanders verblindde. Gewapend met valse papieren en de smoes dat ze op zoek naar werk en uit Drenthe afkomstig waren, woonden zij vanaf mei 1943 op kamers in Rotterdam. Mijn vader werkte in een boekhandel en ‘s avonds gingen ze naar concerten en de film. Ik zie ze zo voor me. Mijn moeder, een klein Joods vrouwtje met gebleekte haren. Mijn vader, die naar eigen zeggen twee keer zijn hand had opgehouden toen ze de neuzen uitreikten. En dan hadden ze nog niet eens hun Amsterdams-Jiddisje mond open gedaan.

Pas kort geleden stond ik er bij stil wat het betekende dat mijn ouders niet alleen hun eigen hachje probeerden te redden, maar dat mijn vader ook een bijdrage leverde aan het verzet. Hij, de man van anekdotes, vertelde, dat hij op een avond valse persoonsbewijzen naar onderduikers bracht. Vroeg de man: “Bent u Joods?” Nee, natuurlijk niet, anders kon ik dit werk toch niet doen. Maanden later komt mijn vader bij de Joodse gemeente Rotterdam, zit daar die man.

Mijn gemengd gehuwde schoonmoeder samen met man en zonen vanuit de kustplaats gedwongen verhuisd naar de grote stad, kreeg er een bovenwoninkje met zolderkamer. Op die zolderkamer logeerden regelmatig onderduikers waarover de kinderen niet mochten spreken.

We kenden de verhalen en vonden het de gewoonste zaak van de wereld, totdat je je bedenkt dat elke verzetsdaad, hoe klein ook, toch een heldendaad was.

Delen |

vrijdag 16 september 2011

Onze vrienden trachten ons al jaren te overtuigen van het natuurschoon van Zweden, met minstens zoveel zonuren als het zuiden van Europa. Maar wij zijn eigenwijs en trotseren hevige regenval en hittegolven en genieten van pittoreske marktjes, de natuur – ook daar – en prachtige kunst in musea, met vooral in Italië - soms wat te veel heiligen naar onze smaak. De vakantie begint op het moment dat we de huisdeur achter ons dichtslaan en met auto en caravan wegrijden. Een van ons beiden zit achter het stuur, de ander is de passagier. Vroeger wisselden we elkaar daarin af, nu is er slechts één die steeds de passagier is. De meest saaie rol bij langdurige ritten. Het is bijna onmogelijk om je ogen open te houden. Vooral ook omdat de combinatie auto met caravan iets meer deining geeft en je onvermijdelijk in slaap gewiegd wordt. Terwijl de ander voortdurend alert dient te zijn, is de passagier de sukkelaar. Als je niet oppast ga je je nog schuldig voelen dat je ogen dichtvallen.

Tegenwoordig heb ik geen gelegenheid meer om mij daarover schuldig te voelen. Ik ben steeds de chauffeur. Dat levert vreemde reacties op. Dat vrouwen achter het stuur van een auto zitten is tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld. Zelfs in Saoedi-Arabië trachten vrouwen tevergeefs voor dat recht op te komen. Maar een vrouw achter het stuur van een auto waar ook nog een caravan aanhangt, levert verbazing en bewondering op. Dat je dat durft! Jij achter het stuur!

Het geeft me een ongemakkelijk gevoel, alsof ik iemand er op betrap in de neus te zitten peuteren, terwijl dat toch bij die persoon niet past. Zou het zijn, dat men stiekem en ongewild toch denkt, dat meisjes dit niet kunnen?

We leven in de eenentwintigste eeuw. In Nederland. Wij vrouwen kunnen en mogen toch alles. Gelijke behandeling van man en vrouw is geen kwestie waar men warm voor loopt, omdat men meent dat de strijd gestreden is. Volgens sommigen is het zelfs ouderwets om je feminist te noemen en dan: rij jij met een caravan? Jawel. En ook nog op de grote weg? Dat ook. En in het buitenland? Jazeker. Welke man wordt deze vraag gesteld? Ik wil niet ontkennen dat er verschillen zijn tussen man en vrouw, maar die liggen toch niet op het gebied van autorijden. Zelfs niet met auto en caravan. Misschien houden de vragenstellers intuïtief rekening met het feit dat jongens een beter ruimtelijk inzicht zouden hebben. Deze mannelijke eigenschap kan van nut zijn bij lastige verkeerssituaties. De vragenstellers menen het goed met mij, maar wat zij over zichzelf vertellen, daar schrik ik van. Hoe diep zit het gelijkwaardig zijn van man en vrouw werkelijk?

Delen |

vrijdag 25 februari 2011

Als volwassen kinderen moesten we regelmatig grenzen stellen aan de bemoeizucht van onze ouders. Ze lieten niet na te zeggen dat ze het beste met ons voor hadden. Ze maakten zich regelmatig hevige zorgen over ons. Mamma was een Jiddisje Memme en daarbij, zo stelden wij vast, hadden Vader noch Moeder zelf ervaring hoe het is om volwassen kind te zijn met ouders die het beste met je voor hebben. Want nebbisj, zij hadden hun ouders verloren in de oorlog.

Nu ben ik niet meer zo zeker of dat de reden was waarom het wel eens botste tussen ons en onze ouders. Ook ik ben nu in de positie van ouder met allang volwassen kinderen. Ik waak ervoor op hun terrein te gaan. In ieder geval doe ik er mijn best voor. Ik ben mij er terdege van bewust dat ieder mens zijn of haar eigen weg gaat en die weg ook zelf wil vinden. Maar je kinderen, dat is toch wat anders. Pas las ik dat er bij de geboorte van een kind een zorghormoon vrijkomt, waardoor je de verzorging van je kind goed op je kunt nemen en aanvoelt als het kind problemen heeft. Heel nuttig met een hulpeloze baby die al je zorg en aandacht nodig heeft. Maar zodra ze beginnen te roepen: Mamma, zelf doen! moet je al beginnen met het eeuwige onderdrukken van dat zorghormoon.

Die hele lange weg naar het volwassen worden van je kinderen, het is hel! Te zien hoe ze als blinden hun weg zoeken, van de weg raken, zich stoten, vallen en weer opstaan (goed zo, goed zo, roep je braaf, maar liever had je gezien dat ze zonder kleerscheuren zouden raken). En af en toe kun je het toch niet laten en moet je een eitse, raad geven. Een hele geruststelling te weten dat ik, Jiddisje Memme, het niet was, maar mijn zorghormoon dat niet anders kon dan trachten het kind - 45 jaar inmiddels - op de weg te houden. Want raad nemen ze niet aan en in het beste geval horen ze niet wat je zorghormoon je laat zeggen. Een van mijn kinderen gaf mij laatst nog het, voor mij, dubieuze compliment, dat ik hem de ruimte heb gegeven om zijn eigen fouten te maken. O ja, en al die keren dat je zei, ‘hè, Mamma bemoei je er niet mee? Mamma, zelf doen.’ Niet gehoord, dus. Ik zou niet verbaasd zijn wanneer op een dag het anti-zorghormoon gevonden wordt. Met de kinderen gaat het onbeschrieje onberoefen goed. Hun hormonen functioneren prima.

Delen |

vrijdag 12 november 2010

“Schep” hoorde ik de stem van mijn moeder op dwingende toon zeggen. Met trillende handen pakte ik de schep en wierp een, twee, drie scheppen aarde op haar graf. Natuurlijk wist ik dat het not done was, geen gewoonte, geen minhag in onze Joodse gemeenschap. We worden ontmoedigd. Dat vrouwen sinds de oorlog wel mee gaan naar Muiderberg is na 65 jaar schoorvoetend geaccepteerd als een gewoonte, maar meehelpen aan het dichten van een graf is nog zeker niet geaccepteerd.

Het is ieders zwaarwegende, medemenselijke verplichting om een dode te begraven. Het is een grote mitswa, maar vrouwen zijn even niet iedereen wanneer het om deze verplichting gaat. Vanwege een oud gebruik gestoeld op mystieke concepten over vrouwen, worden wij ervan weerhouden iets te doen, waar ook vrouwen behoefte aan hebben. Ik zie geen onderscheid in de soort van emotie tussen mannen en vrouwen wanneer iemand overleden is. De behoefte om samen met de andere aanwezigen een bijdrage te leveren is bij vrouwen niet minder dan bij mannen. Of dit nu is omdat men degene die overleed de laatste eer wil bewijzen, of de nabestaanden een teken van troost wil geven. Of dat men deel wil zijn aan de gemeenschap en daaruit troost wil putten. In dood en de emoties eromheen zijn man en vrouw gelijk. Hier past geen ongelijkwaardige bejegening.

Wanneer op een lewaja (begrafenis) gezegd wordt: “de heren worden uitgenodigd om te scheppen”, zullen er weinig vrouwen zijn die dan toch naar voren gaan om de schep op te pakken. Geïntimideerd staan we terzijde. In sjoel mogen we ook niet actief meedoen, dus deze uitnodiging zal wel uit hetzelfde principe voortkomen. Een begraafplaats is geen plek om actie te voeren. Geen plek waar je met gelijkgestemden met scheppen gaat zwaaien. Maar het kan anders, met zorg voor de voortgaande traditie en de mensen die de traditie in stand houden. We kunnen er zelf wat aan doen. Wanneer ook jij, vrouw of man van mening bent dat vrouwen ook moeten kunnen scheppen wanneer jouw moment gekomen is, laat het je omgeving weten. Dit is geen revolutionaire gedachte. Zo gebeurt het al. Anderen zijn je voorgegaan.

Zo ook mijn moeder. Enige maanden voor haar overlijden in 1989 stonden we samen aan het graf van een vriend. Ze zei: “beloof me dat je zal scheppen op mijn graf”. En zo deed ik. Omringd door mannen, doorbrak ik de bestaande gewoonte. Mijn schoonzusje Bloeme en vele anderen volgden. En het voelde goed.

Delen |

vrijdag 29 oktober 2010

Zij die het licht gezien hebben, zijn overtuigd van de absolute, allesomvattende waarheid. Of het nu een politiek of godsdienstig licht is, het zijn overtuigingen die niet inwisselbaar zijn. Kort geleden vernam ik dat in 1942 de Joden van Palestina gevast en gebeden hebben. Daardoor greep G’d in en hebben de geallieerden de slag bij El Alamein gewonnen, die zoals later zou blijken, de omslag vormde in de oorlog tegen de Duitsers.
Oorzaak en gevolg worden zodanig geschikt dat het eigen gelijk onmiskenbaar is. Het verleden, de geschiedenis, wordt in zwart-wit tinten herschreven, waarbij de andersdenkende de rol van schurk krijgt toebedeeld.
Wanneer ik voorzichtig - want ik ben geen held, geen grote vechter, en wil de goede vrede graag behouden - er blijk er van geef dat ik de absolute overtuiging niet volg, begint er een uitzichtloos gesprek. Een gesprek van doven.
Vooral wanneer het over politiek gaat, wil men nog wel eens op verontwaardigde toon de veroorzakers van het onrecht in de samenleving bij één partij of land leggen. “Ik denk dat het toch meer genuanceerd ligt”, is dan niet voldoende om een luisterend oor te krijgen en de gemoederen te sussen. Het eigen gelijk wil niet bestookt worden met grijstinten.

Zo nemen wij allemaal standpunten in van waaruit wij een perspectief op de wereld hebben. Mensen met absolute overtuigingen willen niet weg van hun plek, maar trachten anderen wel over te halen om zich bij hen aan te sluiten. Samen zijn we sterk. De plek waar je staat is bepalend voor je visie, je perspectief.
Nooit eerder werd ik mij daarvan zo bewust als vorige week toen ik ondervond wat het fenomeen van perspectief en wijzigen van standpunt letterlijk teweeg kan brengen.

Ik werd er totaal door verrast. Het leek of ik de truc van een goochelaar doorzag. Het was tijdens een korte vakantie in de Elzas. We bezochten er de imposante sluizen in de Rijn bij Straatsburg. Ze bestaan uit twee naast elkaar gelegen bassins met een lengte van 300 meter, gescheiden door een dijk. Er tegenaan ligt een smalle verkeersbrug die beide oevers van de rivier verbindt. Bezoekers krijgen een fraai overzicht van alle bedrijvigheid bij en in de sluis vanaf een speciaal met dit doel opgericht platform. We beklommen de trap en zagen hoe rechts van ons lange rijnaken het dichtst bijzijnde bassin binnenvoeren. De sluisdeuren werden gesloten en langzaam, heel langzaam zakte het water naar hetzelfde waterpeil dat links zichtbaar was. Nadat het water het juiste niveau had bereikt, rees aan de lage zijde een enorme metalen muur op, zo breed als het sluisbassin waardoor er een doorgang voor de boten ontstond. Terwijl het water daalde maar de sluis nog niet was geopend, kwam er links over de rivier, die hier heel breed is, een dubbele duwboot van wel 250 meter lengte langzaam in de richting van de sluis gevaren. Dichtbij gekomen leek het onmogelijke te gebeuren. De duwboot verdween helemaal onder de smalle brug en kwam aan de andere kant niet meer te voorschijn. Na enige tijd was in het verderaf gelegen bassin het water gestegen en daar lag de rijnaak. Vanaf ons hoge standpunt hadden we alles in een afwijkend perspectief gezien. Pas toen we beneden waren en op de brug stonden op een ander standpunt, werd ons de werkelijke situatie duidelijk. In de toekomst zal ik altijd denken aan het sluizenstelsel bij Straatsburg. De ander mag blijven staan op het fraaie platform. Maar even naar de brug lopen voor een ander standpunt zal ik blijven doen.

Delen |