sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Columns

Weblogs disclaimer

Leo Frijda

Van 2009 tot en met 2016 schreef Leo Frijda literaire columns voor Crescas. Najaar 2011 publiceerde Amphora Books een deel van zijn columns onder de titel ''Het jodendom laat je niet los''. Eveneens bij Amphora Books verscheen begin 2015 ''Op het balkon van de elektrische tram'', een verzameling door hem geschreven opstellen over en rondom Franz Kafka.

vrijdag 27 mei 2016

Literaturstadt Czernowitz of Stadt der Dichter luiden de titels van twee boeken die ik mijn vorige columns heb aangehaald. Tot die dichters behoren ook Elieser Steinbarg en Itzik Manger die in het Jiddisj schreven.


Links Itzik Manger, rechts Elieser Steinbarg, Czernowitz 1924
(de dichter in het midden is Mojsche Altman)

Zie over Manger en Steinbarg een eerdere column van 22 juni 2012. Ik noemde toen ook de tweetalige verzamelbundel Sprakeloos water, Spiegel van de moderne Jiddische poëzie van Willy Brill, in 2007 bij Meulenhoff verschenen waarin gedichten van Steinbarg en Manger zijn opgenomen. Bovendien wees ik op het boek van Efrat Gal-Ed, Dunkelgold, met veel gedichten van Manger in het Jiddisj en in het Duits, naast elkaar. Bijgevoegd is ook nog eens een CD waarop Manger eigen gedichten leest. Van Dunkelgold is nu een heruitgave verschenen omdat Efrat Gal-Ed begin van dit jaar een biografie van Manger heeft gepubliceerd, onder de titel Niemandssprache, Itzik Manger – ein europäischer Dichter. Beide boeken zijn verschenen bij de Jüdischer Verlag van Suhrkamp en samen vormen zij een indrukwekkend monument voor Itzik Manger, de prins van de Jiddisje ballade.

Het eerste deel van Niemandssprache heeft gediend als dissertatie voor de promotie van Gal-Ed aan de Heinrich-Heine-Universität Düsseldorf. Dit deel is in zijn geheel op internet te vinden.

Gal-Ed heeft een schitterende biografie geschreven waaraan ze tien jaar heeft gewerkt waarbij zij heeft gekozen voor het ‘Talmoedische model’. Dat bood haar de mogelijkheid, zoals zij het in haar voorwoord formuleert, ‘sowohl Erzählpassagen chronologisch aus Bild- und Textdokumenten zu entwickeln als auch – in einem umgebenden Tekst – kulturelle, politische, literarische und soziale Felder zu skizzieren, den Blick auf das Verhältnis von Legende und Lebensumständen, von Werk und Lebensentwurf zu richten’.

De keuze voor het ‘Talmoedische model’ heeft geleid tot een prachtige vormgeving doordat de centrale en in een groter lettertype gezette tekst wordt omringd met afbeeldingen en aanvullende brieven en herinneringen. Dat komt nog beter en fraaier tot z’n recht in het gedrukte boek dan in het op internet te raadplegen eerste deel, ook omdat in die tekst de even en oneven bladzijden niet naast elkaar staan.

De keuze voor het ‘Talmoedische model’ betekent bovendien dat het de lezer wordt vergund de biografie te lezen en al dan niet de diepte in te gaan door ook de aanvullende teksten te bestuderen die het leven en het werk van Manger plaatsen binnen de bredere context van het vooroorlogse Jiddisje landschap in Oost-Europa. Daardoor is het een biografie geworden die als vanzelf tot herlezen en nadere studie dwingt. ‘Erst im Leseprozess entsteht die Biographie’, zo vat Gal-Ed dit in haar voorwoord kort en bondig samen.

Ik heb het boek over Manger meegenomen op vakantie maar, zoals dat vaak gaat, ik heb daaraan minder tijd besteed dan ik van plan was. Ik kan het echter niet laten nu al op dit boek te wijzen, hoewel ik het nog maar vluchtig heb gelezen en ik mij in het verlengde van mijn vorige columns ook nog eens beperk tot het aanstippen van enkele passages over Manger en Czernowitz.

Itzik Manger is op 30 mei 1901 in Czernowitz geboren als zoon van Hillel en Chawe Manger. Het geboortehuis van Manger lag in de benedenstad waar de arme en meer traditionele Joden woonden. Hillel Manger was afkomstig uit een in de Karpaten gelegen sjtetl, Stoptschet, en leerde het kleermakersvak in het eveneens aan de Proet gelegen Kolomea waar hij met Chawe Wolliner trouwde. De kleine Manger heeft met zijn grootvader Awrom, die voerman was, vele malen tochten gemaakt door de donkere bossen van de Karpaten. Hij zal later dichten:

Zwischen Stoptschet und Kolomej
(o stille Freude meiner Kinderjahre)
auf dem Bock sitzt Grossvater und schweigt –
Hüa, Fuchs, hüa! Und wir fahren.

Het oorspronkelijke gedicht is niet in het Duits maar in het Jiddisj. Waarom koos Manger voor het Jiddisj? Efrat Gal-Ed:

Er wählt Jiddisch, es ist sein Zuhause, der intime, unbezweifelbare Klang, vertrautes Idiom und verlässliches Bild, Muttersprache, die Kultur und Lebensweise bedeutet, eine Welt, die er als Kind in Czernowitz in eine deutsche, rumänische und ukrainische Umwelt eingebunden erlebt hat.

Manger koos al vroeg voor het Jiddisj omdat het de taal was van het hem vertrouwde, warme milieu van zijn jeugdjaren. Het is de cultuur die hij als kind in Czernowitz had beleefd, in een verder Duitse, Roemeense en Oekraïense omgeving. Die keuze had ook z’n problematische kanten en in de door Gal-Ed aan haar boek meegegeven titel, Niemandssprache, en ondertitel, ein europäischer Dichter, komt dat tot uiting. Manger consteerde al in in 1925 dat het Jiddisj een ‘Niemandssprache, Niemandsliteratur, Niemandswelt’ was. ‘Damit’, schrijft Gal-Ed, ‘stellte Manger fest, dass unter den europäischen Kulturen die jiddische schutzlos und gefährdet, vogelfrei sei’. Tijdens zijn leven heeft Manger moeten meemaken dat ‘der lebendige Sprachraum des Jiddischen in Europa verschwand, als habe es ihn nie gegeben’. Ook zijn vader Hillel Manger ging in die donkere jaren ten onder. Op 30 november 1942 vond hij de dood in het in Transnistrië gelegen kamp Murafa. Het door Gal-Ed gebruikte woord ‘vogelfrei’ is treffend want toen Manger bericht had gekregen van de dood van zijn vader, stelde hij in een overpeinzing dat woord centraal:

Was ist jüdisches Leben? – Vogelfrei!
Was ist jüdisches Sterben? – Vogelfrei!
Jüdischer Traum? Jüdischer Genius? – Vogelfrei, vogelfrei!
Und wo liegt der Sinn von diesem Vogelfreisein?

Een Europese dichter? Manger moet een keer hebben gezegd: ‘Ich bin ganz und gar Gedicht …’ en hij was zeker een dichter van Europees niveau. Toen zijn debuut, Lid und Ballade, was verschenen, noemde een recensent deze gedichtenbundel het eerste moderne Jiddisje boek in Roemenië. Die recensent had ook Europa kunnen schrijven want het ‘Sprachraum’ van Manger beperkte zich niet tot het Roemeense Czernowitz. Op jonge leeftijd ging hij al naar Jassy en vanaf 1928 tot 1938 is Warschau zijn vaste woonplaats al zal hij ook regelmatig in andere belangrijke Jiddisje centra als Wilna en Riga te vinden zijn, waar hij contacten onderhoudt met in het Jiddisj schrijvende dichters en voordrachten houdt.

Regelmatig kwam Manger terug naar Czernowitz, waar hij was geboren en waar zijn ouderlijk huis stond. In 1924 is de foto gemaakt waarop hij samen met Elieser Steinbarg te zien is. Overigens onderhielden Manger en Steinbarg geen warme relatie. Van de ‘zerzauste, undisziplinierte, rebellische Manger’ hield Steinbarg liever afstand. In mijn column van 22 juni 2012 heb ik al aangehaald hoe Manger zich in Czernowitz gedroeg, van kroeg naar kroeg gaande. De wijn smaakte hem goed. Manger was een vagebond, een bohemien, een poète maudit zoals de Fransen zeggen.

In het boek van Gal-Ed staat een fraai portret van Manger, getekend door Ber Horowitz en gepubliceerd in de Literarische Bleter van 21 maart 1930. Ik neem het hier over.

De teksten rond de tekening heeft Gal-Ed zo goed mogelijk ontcijferd. Het zijn opmerkingen van andere dichters over de geportretteerde, zoals: ‘trinkt mehr als er isst’.

Maar men moet zich niet laten misleiden. Manger is meer dan een rebel. In zijn bundel Laterne im Wind staan veelzeggend naast elkaar gedichten als Ich der Troubadour, Ich der Prinz en Einsam. Van dat gedicht de laatste regels (overgenomen uit Dunkelgold):

Setz ich meinen Hut auf
und geh so vor mich hin.
Wohin geht denn, spät bei Nacht,
einer ganz allein?

Over Manger, las ik bij Gal-Ed, schreef een andere dichter:

Manger kann oft mit der Aussenwelt, mit sich selbst in Konflikt geraten, jedoch nie mit seiner dichterischen Berufung. Sein Schaffensprozess ist geradlinig. (…) Im Leben ist Manger ungeordnet, zügellos, aber in seiner Dichtung ist kein einziges Wort Abbild seines zerzausten Kopfs. In der Dichtung erreicht er die volle Harmonie, vor der er im Leben so oft resigniert.

Wij richten ons weer op Czernowitz waar zijn ouders leven. Manger wil vooral zijn moeder ‘Freude machen, ihr versicheren, dass nichts vom Schatz der Geschichten und Lieder, die sie ihm in der Kindheid erzählt und gesungen hatte, verlorengehe, dass sie in sein Gedicht eingehen’. Maar met zijn moeder gaat het al langere tijd niet goed en als zij op 6 november 1929 overlijdt, is Manger op reis. Hij zorgt naderhand voor de tekst die op de grafsteen komt te staan. Het is een gedicht in het Jiddisj waarvan één van de regels luidt: Hier ligt begraven de liefde zelf.

Later schrijft Manger een gedicht met dit woord als titel. Dat gedicht, Liefde, heeft Willy Brill opgenomen in Sprakeloos water. Daarvan hier de laatste regels:

De liefde laat haar in het graf niet rusten.
Zij opent voor de sterren haar gebedenboek
en bidt en bidt dat God haar zal verhoren.

In mijn droom zie ik haar tranen gloren.

Als Manger in 1934 Czernowitz bezoekt, hij is intussen een bekend en gevierd dichter, houdt hij een lezing in de grote zaal van het Joodse Huis over ‘Weg der jiddischen Literatur’ waarin hij spreekt over de worsteling met een ‘zerbrochenen Wirklichkeit’. Er wacht hem daarna een bijzondere verrassing. Vader Hillel Manger nodigt hem en de andere twee kinderen en enkele bevriende kleermakers uit op een glas wijn, ‘Gottes hellen Tränen’, in de wijnkelder van de Chassidiem. Verjaardagen viert men binnen de familie eigenlijk niet, het is slechts een ‘deutsche Mode’, maar deze verjaardag wil Hillel toch vieren om iets over het eigen leven te vertellen. Hillel Manger doet dat ‘im improvisierten Reimen und Melodien’.

Later zal zijn zoon die gebeurtenis in een verhaal vastleggen en we vinden het ook terug in het gedicht Seine Exzellenz mein Vater, waarvan de eerste regels luiden (overgenomen uit Dunkelgold):

Da stehst du vor mir, in der Hand den Becher Wein,
und singst in wunderschönen Reimen ab dein Leben
und trauerst über Mutters frühes Sterben,
der Abend hält am Fenster seinen Atem an.

Herfst 1937 is Manger voor het laatst in Czernowitz om wederom een voordracht te houden in de grote zaal van het Joodse Huis. Voor het laatst want naar Czernowitz zal hij nooit meer terugkeren. Manger gaat na deze voordracht terug naar Warschau waar hij al spoedig niet langer kan blijven. Op 21 april 1938 komt hij als balling in Parijs aan. Diezelfde dag, 21 april 1938, verschijnt het gedicht van Manger dat het bekendst is geworden: Op de weg staat een boom. Later zei hij over dat gedicht: ‘Ik heb dit lied geschreven in de dertiger jaren, als aandenken aan mijn moeder – een eenvoudige jiddisje mamme, die niet kon lezen en schrijven, maar boordevol liefde zat, een liefde die voor de sterkste vleugels te zwaar kon worden.’

Tenslotte. Bij het grasduinen in het prachtige boek van Efrat Gal-Ed vond ik de volgende karakterisering van Manger, opgetekend door Isaac Bashevis Singer:

Wenn er betrunken war, hat er mit Bitterkeit und Humor alle Schmerzen und Klagen ausgeschrien, die im Unterbewusstsein des ganzen Gewerbes lagen, das sich jiddische Literatur nannte.

Delen |

Uw reactie:

vul de beveiligings-code in
jan 2017Een laatste column
okt 2016Kafka’s dierentuin
okt 2016De verbanning van de dood
sep 2016De kleine marktplaats Sadagora
sep 2016Irmgard Keun
aug 2016Brody
jul 2016Clarice Lispector
jun 2016Vuurontstekers
mei 2016Itzik Manger uit Czernowitz
apr 2016Tel me bij de amandelen
apr 2016Stadt der Dichter
apr 2016Tsjernivtsi
mrt 2016Langs de zuidelijke Boeg
mrt 2016In de schaduw van een boom
feb 2016Lin Jaldati
feb 2016Winternabijheid
jan 2016Bleib gesund!
dec 20152015
dec 2015Ruiter in de wolken
nov 2015Hommage aan Andreas Burnier
sep 2015'Jij schrijdt in trotse vrijheid'
sep 2015Een handvol sneeuw
aug 2015Schaduwen van het verleden
aug 2015Onze geschiedenis
jul 2015Damals im Romanischen Café
jul 2015Café Grössenwahn, Königin aller Cafés
jun 2015Kurt Löb
mei 2015Van hagedissen en ratten
mei 2015De benoemer en de verzwijger
apr 2015Aghed
feb 2015Asperges en gevulde eieren
jan 2015Op het spoor van Patrick Modiano
jan 2015Terugblik
nov 2014Mooie series
nov 2014Met een boek naar het museum
aug 2014Appie Drielsma (1937-2014)
jul 2014Opzij geschoven en gezwegen
jul 2014Exilliteratuur
jun 2014Kurt Lehmann of ook Konrad Merz
mei 2014Hommage
mei 2014Joseph Roth (1894-1939)
mei 2014Kafka en de Joden uit Galicië
mei 2014Schrijf dat op, Kisch!
apr 2014Kafka augustus 1914
feb 2014Heine, een voorproefje
jan 2014Kafka's raam
jan 2014Arnold Zweig en Hermann Struck
jan 2014Arnold Zweig
dec 2013Mijn lijstje 2013
dec 2013Nogmaals Jacob Israel de Haan
nov 2013Austerlitz
nov 2013W.G. Sebald
okt 2013Freud, Kafka en Wenen
sep 2013Marcel Reich-Ranicki (1920-2013)
sep 2013De beslissing
aug 2013Dan Pagis
aug 2013jewsandwords
aug 2013Voor de wet
jun 2013De groeten van meneer Onhandig (2)
jun 2013De groeten van meneer Onhandig (1)
mei 2013Klassenfoto met Walter Benjamin
mei 2013Amsterdam
apr 2013Treinreis naar Czernowitz
apr 2013Het Odessa van Jabotinsky
mrt 20131913
feb 2013Selma Meerbaum-Eisinger
feb 2013Van majestueuze katten en onmuzikale schrijvers
jan 2013Ravensbrück
jan 2013Milena Jesenská
dec 2012Mijn lijstje 2012
dec 2012Varia
nov 2012Schiller in Barnow
nov 2012De gedaanteverwisseling
nov 2012Joseph Schmidt
okt 2012Rondom Kafka (2)
okt 2012Appelfeld en Kafka
okt 2012Appelfeld en de taal
sep 2012Met Kafka naar de synagoge
sep 2012Rondom Kafka
aug 2012Vriendschap
jul 2012Kalman Polgar
jul 2012Een knipoog naar Max Brod
jun 2012Steinbarg en Manger
jun 2012Josef Burg
jun 2012Klara Blum
mei 2012Mythos Czernowitz
mei 2012De odyssee van Edgar Hilsenrath
mei 2012Nacht in Mogilev-Podolski
apr 2012Sereth
apr 2012Eichmann in Wenen
apr 2012Anna Seghers ontmoet Franz Kafka
mrt 2012Anna Seghers
mrt 2012Netty Reiling
mrt 2012Fallada past zich aan
feb 2012Nico Rost en Hans Fallada
feb 2012Karel van het Reve
feb 2012Kafka, Brenner en Feuchtwanger
jan 2012Holocaust Memorial Day
jan 2012De heerlijkheid van het leven
jan 2012Wassermann, Roth en Nederland
dec 2011De Hoge Raad buigt mee
dec 2011Isaak Babel
dec 2011Gerron
nov 2011Aharon Barak
nov 2011Abraham Mapu
nov 2011Naar Kaunas
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (2)
okt 2011Briefwisseling Roth en Zweig (1)
okt 2011Rabbi Nachman en Kafka (2)
sep 2011Rabbi Nachman en Kafka (1)
sep 2011Czernowitz 1907
jul 2011Kafka in Berlijn
jul 2011Met Joseph Roth naar Berlijn
jul 2011Joseph Roth in Amsterdam
jun 2011Ik teken het gezicht van de tijd
jun 2011Het Joodse geheugen
jun 2011De memoires van Claude Lanzmann
apr 2011Heinrich Heine in Jeruzalem
apr 2011Jiri Weil houdt van katten
apr 2011Jiri Weil, getuige
apr 2011Laurent Binet, HhhH
mrt 2011Dan Porat, The Boy
mrt 2011De geheugenhut
mrt 2011The Search Committee
mrt 2011De Finklerkwestie
feb 2011Stefan Zweig, Joods schrijver
feb 2011Stefan Zweig, verdreven Europeaan
feb 2011Kisch, der rasende Reporter
jan 2011Verkeerde grootouders
jan 2011Ilse Aichinger en Kafka
jan 2011Perec, een leeservaring
jan 2011Van Kafka naar Perec
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (2)
dec 2010Kafka, Weltsch en het zionisme (1)
dec 2010Franz Kafka en Mania Tschissik
nov 2010Franz Kafka en Jizchak Löwy
nov 2010Erich Fried
nov 2010Harry Mulisch is zelf een mens
nov 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (2)
okt 2010Hannah Arendt en Gershom Scholem (1)
okt 2010Alexander Granach: ‘Da geht ein Mensch’
okt 2010Karl Emil Franzos: ‘Der Pojaz’
okt 2010Karl Emil Franzos: Zweigeist
sep 2010Hans Keilson
sep 2010Een intelligent hart
sep 2010Ernst Toller
sep 2010Jakob Wassermann: gebroken moralist
aug 2010Jakob Wassermann: Duitser en Jood
aug 2010Byron en de Joden
jul 2010Rathenau, ein begeisterter Deutscher, ein aufrechter Jude
jul 2010Walther Rathenau: Höre, Israel!
jun 2010Multatuli en de Joden
jun 2010Multatuli en W.A. Paap
jun 2010Herman de Man: Jood onder de boeren
mei 2010Herman de Man: ik ben een Jood
mei 2010Carry van Bruggen: een moedige Jodin
mei 2010Carry van Bruggen: De verlatene
apr 2010Carry van Bruggen: Seideravond
apr 2010Izak de Haan
apr 2010Carry van Bruggen
apr 2010Franz Baermann Steiner: Gebet im Garten
mrt 2010Franz Baermann Steiner: Praag, Jeruzalem, Oxford
mrt 2010Assaf Gavron
mrt 2010Celan en Bachmann (2)
mrt 2010Celan en Bachmann (1)
feb 2010Georg Hermann, een beschaafde Duitse Jood
feb 2010Heinz Liepmann bestraft
feb 2010Tussen orthodoxie en assimilatie
jan 2010Soma Morgenstern in de vergeethoek
jan 2010Hooligan in Roemenië
jan 2010Nogmaals Feuchtwanger
jan 2010Het succes van Feuchtwanger
dec 2009Paul Hellmann, medeaanklager
dec 2009Lezen over Auschwitz
nov 2009Ernst Weiss
nov 2009Bruno Schulz
nov 2009De zwarte zwaan van Israël
okt 2009Kafka en Else Lasker-Schüler
okt 2009Rahel Varnhagen
okt 2009Jacob Israël de Haan
okt 2009Noem het slaap
okt 2009Ongemakkelijk
sep 2009Bernard Malamud
sep 2009Leo Perutz
sep 2009De kant van Jeanne Weil
sep 2009De familie Pringsheim
aug 2009Simone Veil
aug 2009Grete Weil
jun 2009Heinrich Heine
jun 2009Ferrara
mei 2009Imre Kertész
mei 2009Aharon Appelfeld
mei 2009Joseph Roth (2)
apr 2009Joseph Roth (1)
apr 2009Zoektochten
mrt 2009Tegen het vergeten
mrt 2009Jeruzalem stond om ons heen
mrt 2009Berditsjev
mrt 2009Engführung
feb 2009Het lezen van Celan
feb 2009Moederland woord
feb 2009Abraham Sonne
feb 2009Canetti en het jodendom
jan 2009Dora Diamant
jan 2009Kafka en het zionisme
jan 2009Canon