sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Gastcolumns

Weblogs disclaimer

Op deze pagina vindt u eenmalige bijdragen over uiteenlopende onderwerpen. Onderwerpen die natuurlijk altijd een link hebben met jodendom. Een gastcolumn bestaat uit een boek- of filmrecensie, een mening of opinie over een (actueel) onderwerp, het verslag van een Joodse-thema-reis, een bijzondere belevenis, etc. De gastcolumn is niet bedoeld voor reacties op eerder verschenen columns. Hiervoor is steeds ruimte ónder de betreffende column. Wilt u een gastcolumn schrijven? Neem dan contact met ons op via blocq@crescas.nl. De directie van Crescas beslist in alle gevallen over plaatsing van een gastcolumn.

vrijdag 20 oktober 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Regelmatig krijgen we vrienden langs uit Nederland. Ze willen ‘live’ van ons horen hoe het met ons gaat. Vaak zijn ze ook nieuwsgierig hoe we wonen. In het laatste geval spreken we bij ons thuis af. Anders ontmoeten we elkaar op een terras in Tel Aviv of Herzliya.

De eerste keer dat er een goede vriendin bij ons op bezoek kwam, was de container met onze spullen nog niet eens uit Nederland gearriveerd. Ons huis was nog leeg. Op een tafeltje en twee stoeltjes na. De koelkast was wel besteld, maar nog niet afgeleverd. Ze was er dus heel snel bij. Later heeft ze ons opnieuw opgezocht, samen met haar echtgenoot. Ze kon toen zien dat we er heel wat gezelliger bij zaten tussen onze vertrouwde bank, eettafel, stoelen, boekenkasten, enzovoort.

Op een keer vroeg iemand ons: “Voelen jullie je nu écht thuis in Israël?” Die vraag verraste me. Ik merkte dat ik niet ronduit “ja” kon zeggen. We voelen ons zeker helemaal thuis in ons eigen huis. Dat is vertrouwd en een soort Nederlandse enclave. Daar kunnen we doen en laten wat we willen. Wat we dagelijks nodig hebben, is binnen handbereik. In de buurt voelen we ons inmiddels ook aardig thuis. Maar hoe verder we van huis komen, hoe minder vertrouwd het aanvoelt. Dat heeft vooral te maken met de taalbarrière. En met nog wat onbekendheid met het landschap en de natuur. Dat laatste wordt steeds minder naarmate we meer tochtjes maken. We kenden het land eigenlijk al heel behoorlijk voordat we hier kwamen wonen, want we hebben van noord naar zuid en van west naar oost rondgereden.

Gan Rasjal, zoals de wijk heet waar we ons domicilie hebben gevonden, is dus al min of meer het verlengde van ons huis geworden. Bijna net zoals de Concertgebouwbuurt, waar we ruim 35 jaar hebben gewoond, óns buurtje was. We kennen hier lang niet alle buren, maar dat was in Amsterdam net zo min het geval. Er zijn inmiddels buren verhuisd, aan wie we enigszins gewend waren geraakt. Zoals de buren op onze eigen verdieping. De man, Chaim, sprak redelijk Engels en hij heeft ons af en toe wegwijs gemaakt, meestal omdat hij vond dat we een soort correctie nodig hadden. Toen we bijvoorbeeld onze elektrische fietsen wilden stallen in het trappenhuis, maakte hij ons direct duidelijk dat zoiets niet op prijs werd gesteld. In het portiek naast ons staan wél fietsen in het trappenhuis. De voordeur van dat portiek kan worden afgesloten met een cijferslot. Dat gaat niet op bij onze voordeur, die bovendien veelal open staat. Onze vroegere buurman wist ons er om die reden van te overtuigen onze fietsen maar op ons balkon te zetten, anders zouden ze wel eens snel verdwenen kunnen zijn. Israël is niet alleen het land van Talmoedgeleerden, maar net zo goed van ordinaire fietsendieven. Net Amsterdam, wat dat betreft.

Onlangs werden we door één van de bovenburen uitgenodigd. Die mensen waren altijd al vriendelijk tegen ons. Ik weet nog goed dat ze ons wat lekkers kwamen brengen toen we hier nog amper woonden. Het was Poeriem en dan is het een goede gewoonte elkaar wat eten of iets lekkers te sturen (misjloach manot). Daar stonden ze opeens voor onze ingang: oma, dochter en kleinzoon. De dochter sprak goed Engels en voerde het woord. We werden welkom geheten en de drie nieuwsgierige Israëli’s hoorden van ons dat we nieuwe immigranten (oliem chadasjiem) uit Holland waren. Helaas konden we hen nog niet binnen uitnodigen, want we hadden nog nauwelijks iets om op te zitten.

Later hebben we hen iets lekkers gegeven, nadat we terug waren van een uitstapje naar Amsterdam. Pepernoten. Het was december. Kan het Hollandser? Het bleek dat de dochter Amsterdam kende, omdat ze daar pas was geweest met haar eigen, oudere dochter. Het was gelukkig goed bevallen. Ze bewaarden goede herinneringen aan de hoofdstad van Nederland. Dat geldt voor veel Israëli’s.

De oma was degene die ons naar boven had uitgenodigd. Ze deed dat toen ze mijn vrouw een keer op de trap tegenkwam. Mijn vrouw was vergezeld door onze jongste dochter, die in Tel Aviv woont. De oma, ze heet Tamar, net als onze jongste, spreekt alleen Hebreeuws. Onze dochter kon echter tolken. Ze vertelde naderhand dat de man van oma, toen ze even later de trap opliepen, zei: “Maar ze spreekt alleen Engels!” (Aval hie rak medaberet angliet!)

We zagen wel wat op tegen het burenbezoek. Ondanks de complimenten die ik kreeg van de dochter van oma Tamar met wie ik steeds probeer Hebreeuws te praten, hoewel zij goed Engels spreekt. Een paar van tevoren ingestudeerde zinnen krijg ik er vrij redelijk uit. Het probleem begint pas als er iets wordt terug gezegd. En vooral als je iets dieper wilt dan de gebruikelijke plichtplegingen.

Toch is het bezoek aan de bovenburen goed bevallen. Het bleek dat de echtgenoot van oma Tamar Engels spreekt, al deed hij volop mee aan de Hebreeuwse conversatie van zijn vrouw met ons en liet hij zijn Engels voor wat het was. Hij is geboren in Irak en kwam op zijn achtste te voet naar Israël. Hij heeft niet de hele weg lopend afgelegd, want op enig moment namen ze het vliegtuig. Hij kwam alleen naar Israël, zijn familie kwam pas een jaar later. Zijn vrouw is van Hongaarse origine. Ze is in Israël geboren, doch haar beide ouders zijn in Hongarije ter wereld gekomen.

Zo hebben we wel meer uitgewisseld. Veelal in simpel Hebreeuws, soms aangevuld met wat Engels. Ze spraken niet al te snel en gebruikten geen ingewikkelde woorden. Van tijd tot tijd werd het gesprokene aangevuld met handgebaren om iets duidelijk te maken. Bijvoorbeeld toen het ging over de bouwplannen in de buurt. Het gemeentebestuur wil hele hoge torenflats neerzetten (dat hadden we eerder al gelezen in een aankondiging van een buurtdemonstratie), dus het woord “binjaniem” (gebouwen) ging gepaard met flinke handgebaren de hoogte in.

Het bezoek aan de vriendelijke bovenburen die ons uitvoerig bedankten dat we langskwamen (toda rabba she batem) drukte ons weer met de neus op de feiten: je woont niet alleen in een land, je woont ook als het ware in een taal. Of in ieder geval in een taalgemeenschap.

Met Nederlanders delen we de taal en in ruime mate de Nederlandse cultuur. Met Israëli’s delen we eveneens de cultuur maar dan vooral de Joodse cultuur, in ieder geval de religie. Plus dat we met onze nieuwe landgenoten de afkomst of origine gemeen hebben (hoe ruim die ook is), want Joden zijn op de keper beschouwd geen oorspronkelijke Nederlanders. Hier hoef je niks uit te leggen hoe het voelt om in een Joods land te wonen en hoe belangrijk het is dat Joden (weer) een eigen land hebben. In Nederland is dat iets dat door Joden moet worden uitgelegd, en zelfs steeds meer moet worden verdedigd.

Het is echter iets dat je niet mooier moet maken dan het is. Er zijn Joden aan wie je helaas ook duidelijk moet maken dat Israël van belang is als achterland voor Joden daarbuiten. Zonder dit land zou het Joodse zelfbeeld niet zijn wat het is nu is. Het is een land om trots op te zijn (zie wat er is bereikt) en óók om je van tijd tot tijd voor te schamen. Maar het land is er. Al bijna zeventig jaar. Nog steeds geen vanzelfsprekendheid, zoals Nederland veel meer is. Al is daar ook steeds meer sprake van discussies, soms zeer fel, over wat Nederland nu eigenlijk is of zou moeten zijn. En: van wie en voor wie.

Een internationale wereldorde zonder autonome staten en het daarmee vaak gepaarde gaande nationalisme is nog ver weg. Misschien komt het er nooit van, omdat mensen niet in staat zijn over de verschillen heen te stappen die er nu eenmaal zijn tussen mensen. Huidskleur, religie, taal. Het schept onderlinge banden én onderlinge afstanden. Joden zijn daarin niet anders dan anderen, al hebben ze daar wel meer dan menig ander volk de gevolgen van ondervonden. Daarom is Israël er gekomen. Op de plek waar het hoort te zijn. Al hadden anderen (de Arabieren dus) daar na de verdrijving van de Joden door de Romeinen later hun plek veroverd. Op zichzelf moet er uit te komen zijn van en voor wie dit land is, als je wil. Waar een wil is, is een weg. Als je het wil, is het geen droom!

Nog even terug: voelen we ons nou echt helemaal thuis in Israël? Blijkbaar tot nog toe wel, want anders waren we alweer terug gegaan. Ons verblijf hier laat zich misschien nog het beste omschrijven als een eindeloze vakantie. Niet dat we elke dag zitten te niksen en alleen maar zitten te recreëren op het strand of waar dan ook; integendeel, we zijn druk met van alles. Een paar keer per week naar taalles, op de kleinkinderen passen, af en toe uitgaan en uitstapjes maken. Plus de gewone dingen die bij het leven horen, zoals het huis schoonmaken, boodschappen doen, naar de tandarts, naar instanties om zaken te regelen en noem maar op. Werken hoeven we niet meer als pensionado’s. Dat is een grote luxe en versterkt het vakantiegevoel. Net als het meestal mooie weer. Anders dan vroeger hoeven we niet terug naar Nederland omdat het erop zit. We kunnen blijven. In het ‘vakantieland’ waarvan de taal nog veel te weinig beheersen, in een soort Nederlandse bubbel, maar wel met het warme gevoel dat dit land ons op het lijf is geschreven.

Delen |

zondag 8 oktober 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

In de tijd dat ik net bij een Riagg in Den Haag was gaan werken, brak de eerste intifada uit. Ik kan me goed herinneren dat op televisie te zien was dat Israëlische soldaten Palestijnen met stenen bewerkten. Het waren vrij vage beelden, want ze waren van ver gefilmd. Toch was goed te zien dat de soldaten in het open veld zojuist gevangengenomen Palestijnse leeftijdgenoten aan het slaan waren. Kort daarvoor had premier Rabin z.l. nog gezegd dat Palestijnen “de botten moesten worden gebroken”. Weinig verheffend en ik schaamde me daar voor. Al wist ik heel goed dat Palestijnen ook geen lieverdjes zijn en nog ergere dingen hebben uitgehaald, zoals de moordpartij op Israëlische reservisten die de weg kwijt waren geraakt gedurende de tweede intifada.

Tijdens de lunchpauzes bij de Riagg ging het meestal over vakanties en andere aangename bezigheden. Toen het weer eens over buitenlandse reisbestemmingen ging, zei een secretaresse dat wat haar betreft een vakantie naar Israël niet aan de orde was. Ze zou ook niet naar Zuid-Afrika gaan, vanwege de Apartheid.

Het was best een aardige meid. Ze zat bij mij in de redactie van het personeelsblad. Ze was wat alternatief, en vooral heel links. Ze had Sociale Academie gedaan, maar was niet aan de bak gekomen met die opleiding. Ik liet voorzichtig merken dat ik andere ideeën en gevoelens had over het Joodse land dat zij zo verfoeide. Ik heb heel wat keren op het werk of waar dan ook Israëls daden – soms zelfs een beetje tegen beter weten in – verdedigd of ten minste van achtergrondinformatie voorzien.

Gedurende mijn interreligieuze dialoogactiviteiten vanuit de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam (dat was vele jaren later) kwamen ook van tijd tot tijd discussies over Joden én Israël langs. Dat gebeurde niet alleen met externe dialoogpartners, het speelde net zo goed intern als we onder elkaar waren binnen de LJG-dialoogcommissie en onze dialoogcontacten aan het evalueren waren. In die tijd heb ik extern nog wel eens wat over me heen gekregen, want ik liet Israël niet zomaar vallen om de lieve vrede met onze dialoogpartners te bewaren. Geen van de Joodse dialoogbetrokkenen bij de LJG was daar overigens toe bereid. Allen etaleerden zich als zionist in de contacten naar buiten. De interne discussies gingen meer om de vraag wat je in dit opzicht van de externe dialoogpartners mocht verwachten.

Van Marokkaanse zijde werd me ooit verweten dat ik toch wel een hard core zionist was, wat een manier was om me op een zijspoor te krijgen. Het maakte niet uit dat ik uitging van de twee staten-oplossing en dat ik best snapte dat Palestijnen in de voetsporen van Israël wilden treden en een eigen staat wilden hebben. Oók een eigen staat, benadrukte ik dan altijd. Náást Israël, als overwegend Joodse staat met een aanzienlijke Arabische minderheid die voor de wet gelijk is – al kan je kanttekeningen maken bij de praktijk daarvan. Dat mij fervent zionisme werd verweten, kwam – meen ik – niet zozeer doordat ik hardnekkig vasthield aan het bestaansrecht van Israël als Joodse staat (de enige ter wereld). Het kwam vooral omdat ik weinig trek had samen op te trekken met mensen of organisaties die Israël liever vandaag dan morgen wilden zien verdwijnen. Het kwam daarbij niet zelden voor dat heel vroom werd gezegd dat men van de twee-statenoplossing uitging; in de praktijk bleek daar in mijn ogen weinig van. Bijvoorbeeld als men zei vierkant achter de BDS-beweging te staan of niets, maar dan ook werkelijk niets goed te vinden aan Israël. Wat het ingewikkeld maakte, is dat men voortdurend riep niks tegen Joden te hebben, het ging hen “alleen” om de Joodse staat.

Nadat mijn vrouw en ik serieus gingen nadenken over een eventuele alija na of rond de pensionering hebben we allerlei argumenten pro en contra tegen het licht gehouden. Veel daarvan waren puur praktisch en persoonlijk. Eén van de meest pregnante praktische vragen was of het financieel haalbaar was om in dit vrij dure land te gaan wonen; in ieder geval als het om woonkosten en ‘luxeartikelen’ als een auto gaat. Meer persoonlijk vroegen wij ons af hoe het zou voelen om buiten Nederland te leven, ver van vrienden en familie, in een land waar we niet zijn opgegroeid en waarvan we de taal helaas nauwelijks machtig zijn. Ook al gaat het om het Joodse land, waar iedere Jood zich thuis zou moeten kunnen voelen.

De vraag of het wel ‘oorbaar’ is om naar Israël te verhuizen, hebben wij nauwelijks aangestipt. Voor veel Joden is dat totaal geen vraag. Voor sommigen wél, vanwege de ontstaansgeschiedenis en de politiek jegens de Palestijnen – zowel binnen de Groene Lijn als op de Westoever en andere na de Zesdaagse Oorlog ‘bezette’, of zo je wil ‘bevrijde’ gebieden (niet mijn terminologie). Er zijn zelfs Israëli’s vertrokken uit hun vaderland vanwege bezwaren die je kunt hebben tegen de “Israëlische bezettingspolitiek” en de steeds rechtser wordende sfeer. Een bekend geval is de historicus Ilan Pappe.

Het veiligheidsvraagstuk was voor ons een serieuzer issue. Gelukkig heeft dit land om te overleven een sterke krijgsmacht. Hard nodig want Iran, Hezbollah en Hamas dreigen voortdurend dit land een kopje kleiner te maken. Ze zullen hun woorden graag in daden omzetten.

Israël is internationaal door zeer veel landen volledig erkend, het is nota bene met de zegen van de Verenigde Naties opgericht. Het is een rechtsstaat én een democratie, zij het (nog) niet volmaakt. En Israël heeft bij voortduring getracht tot vrede te komen met de Arabische én de islamitische wereld. Met enkele landen is dat inmiddels gelukt, al staan Egypte en Jordanië niet bekend om hun warme gevoelens jegens Israël. Op allerlei landen, niet alleen Israël, kun je kritiek hebben als het gaat om mensenrechtenschendingen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Nederland waar het gaat om kinderrechten.

Met de Palestijnen wil het alsmaar niet lukken (ze liggen trouwens onderling ook stevig overhoop). Dat wordt Israël zwaar aangerekend. Onevenredig zwaar, want op de Palestijnse houding inzake het vredesproces valt ook heel veel aan te merken. Daar hoor en lees je steeds minder over, in ieder geval te weinig naar mijn smaak.

De vijandige gevoelens tegenover de staat Israël hebben invloed op de houding tegenover Joden in het algemeen. In Engeland maken ze het heel bont aan de linkerkant van het politieke spectrum. Onlangs zag ik een interview met de Britse filmregisseur Ken Loach langskomen. Hij heeft prijzen gewonnen in Cannes, dus hij is niet zomaar iemand. In het interview is te zien dat hij scherp wordt ondervraagd door een BBC-reporter. Op de vraag of ontkenning van de Holocaust eigenlijk wel kan (daar is sprake van bij Labour) geeft hij als antwoord dat álle geschiedenis voor discussie vatbaar is. Om vervolgens heel snel over te schakelen naar de wordingsgeschiedenis van de staat Israël. Die staat is er gekomen dankzij ethnic cleansing, aldus Ken Loach. Hij zegt op de keper beschouwd: Joden moet hun bek houden over de Sjoa als zij zich zo misdragen in Israël.

Moet je je laten weerhouden om op alija te gaan, als er zo over Israël wordt gedacht en gesproken? Of moet je dan júist op alija gaan, als teken van solidariteit? Of uit angst voor toenemend antisemitisme? Voor ons was het geen van beide. We zijn hier gaan wonen omdat het ons gezien onze persoonlijke situatie goed uitkwam. Natuurlijk spelen zionistische gevoelens een rol. Zolang het hier geen heuse schurkenstaat dreigt te worden (Turkije gaat aardig die kant op) of een door geloofsfanatici geregeerd land (Iran met zijn ayatollahs), zo lang blijven we hier wonen. Met alle ups en downs. En met een vredesproces dat volledig lijkt te zijn vastgelopen. Oslo is verder weg dan ooit.

Delen |

vrijdag 15 september 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Onlangs waren we weer even in Nederland. De tweede keer in het anderhalve jaar dat we in Israël vertoeven.

Het werd de hoogste tijd om onze middelste dochter plus haar partner en hun zoontje Sam van ongeveer anderhalf weer eens te zien. We zagen hen overigens nog aan het begin van de zomer, toen ze bij ons in Israël logeerden.

Een tweede reden om naar Nederland te gaan, had te maken met ons huurhuis. Dat mochten we van de eigenaar nog anderhalf jaar aanhouden én doorverhuren aan onze dochter, maar daarna was het voorbij met de ‘huisbewaring’, zoals deze vorm van onderhuur officieel heet. Het huis moest dus helemaal worden leeggemaakt voor de oplevering aan de huisbaas.

Er was nog een motief om Nederland aan te doen, en dat had te maken met de familie en de vele vrienden die we wilden zien. We kwamen natuurlijk tijd te kort om met iedereen die we wilden spreken, een afspraak te maken. Dan loop je het risico dat vrienden die we deze keer hebben moeten overslaan vanwege tijdgebrek, ons boos gaan aankijken …

Een laatste reden om naar Nederland te gaan, had te maken met ons paspoort, dat aan het eind van het jaar ging verlopen. We hadden een nieuw Nederlands paspoort nodig om het Nederlanderschap niet te verliezen. Dat kan je ook bij het Nederlandse consulaat in Israël regelen, maar dat is nog duurder én we hebben rare verhalen gehoord over onvriendelijk en weinig klantgericht consulair personeel. Bovendien moet je eerst een afspraak maken en de wachttermijn is lang.

Het leegmaken van ons huis viel vies tegen. Toen we op alija gingen, hadden we al heel veel weggegooid, weggegeven of naar de kringloop gebracht. En uiteraard veel dingen opzijgezet die in de container naar Israël moesten. Er waren echter ook allerlei spullen die we niet mee wilden en ook (nog) niet wilden wegdoen voor het geval we terug zouden komen. Al die dingen konden nu eindelijk weg - en dat bleek nog heel veel te zijn. Een paar dingetjes hebben we eruit gevist om alsnog in de koffers te stoppen, zoals een enkele belangrijke papieren, herinneringen en wat handig huisraad.

Door het vele en zware werk (drie of vier trappen!) dat vastzat aan het afvoeren van onze laatste rommel, kwamen we bijna in tijdnood. Gelukkig hebben we nog redelijk wat afspraken kunnen maken met vrienden. Als we minder tijd aan het huis hadden hoeven besteden, hadden we meer afspraken kunnen maken. Schrale troost dat we de volgende keer dat we naar Nederland komen écht vakantie hebben en niks meer hoeven op te ruimen. Die volgende keer kan best eens lang op zich laten wachten, want onze enige dochter die nog in Nederland woonde, is vertrokken naar het buitenland. Een belangrijke reden mínder om een retourtje Schiphol te boeken. Haar willen we uiteraard blijven opzoeken in haar nieuwe woonland Spanje en dat gaat ten koste van de bezoekjes aan ons oude vaderland.

Het was heerlijk om tien dagen terug te zijn. Je kan iedereen verstaan en hoeft geen enkele moeite te doen om jezelf verstaanbaar te maken. Je kent de situaties, instanties en de sociale codes. Je kan grapjes maken en reageren op spontaan commentaar uit de omgeving. Allemaal zaken die we ons in Israël nog eigen moeten maken, hoewel we het land steeds meer door beginnen te krijgen. In Nederland hebben we ons kunnen laven aan de uitgebreide museumcultuur in Amsterdam en omgeving. Onze museumkaarten waren nog geldig dus daar hebben we aardig gebruik van kunnen maken. Israël heeft ook diverse mooie musea, maar het ligt toch meer in een uithoek van de Westerse wereld dan Nederland, dat nu eenmaal vrij centraal in West-Europa ligt.

In anderhalf jaar bleek er van alles veranderd te zijn. De AH aan het Gelderlandplein was nog mooier geworden. De Bijenkorf in Amstelveen verkoop nu echt alleen maar dure merken. En de wegen rond Amsterdam zijn behoorlijk veranderd; in ieder geval is de afslag Schiphol vanuit Amsterdam totaal anders geworden. Het zomerweer of wat daarvoor moet doorgaan is nog wel hetzelfde. Gelukkig hebben we maar één heuse plensbui op ons hoofd gehad, waarvoor we snel konden schuilen in de tuin van het Rijksmuseum. Niettemin hebben we toch genoten van de lagere temperaturen als onderbreking van de zinderende zomerhitte in Israël.

De ochtend na onze late landing (rond middernacht) moesten we weer op Schiphol zijn om ons paspoort te vernieuwen. We dachten eerst dat dat gewoon zou kunnen op ons vertrouwde stadsdeelkantoor in Zuid. Als je echter in het buitenland woont, gaat dat niet, ontdekten we ruim voor onze vluchtdatum. Dan moet je naar speciale plekken, meestal aan de grens van Nederland. Gelukkig hoefden we niet helemaal naar Breda, Enschede, Venlo of zoiets, want Schiphol is ook een soort grens. Het gaat echter nog maar om een proef van de gemeenten Haarlemmermeer en Amsterdam, dus het kan best zijn dat die mogelijkheid over een tijdje niet meer bestaat, zo vertelde de aardige ambtenaar.

Het verlengen van het paspoort als Nederlander die in het buitenland woont, is een spoedprocedure en daardoor veel duurder dan normaal. Maar zo’n 25 procent goedkoper dan bij het Nederlandse consulaat in het buitenland. Paspoorten van nu zijn tien jaar geldig dus omgerekend per jaar vallen de kosten mee.

Toen we weer terug waren in Israël met onze nieuwe Nederlandse passen, moesten we het permanente Israëlische visum in ons Hollandse paspoort vernieuwen. We hebben namelijk geen Israëlisch paspoort. We zijn geen Israëlische staatsburgers, slechts permanente ingezetenen met een buitenlandse nationaliteit. Ik heb – dacht ik – al eens eerder uitgelegd dat we bij aanvaarding van het Israëlisch paspoort onmiddellijk onze Nederlandse nationaliteit kwijt zijn. Je neemt dan namelijk vrijwillig een andere nationaliteit aan en dat is een doodzonde in de ogen van de Nederlandse wet. Als je als Nederlander (m/v) trouwt met een Israëli, mag je wel je Nederlandse nationaliteit behouden, want dan is het geen vrijwillige zaak, doch iets onvermijdelijks. Ook als kind van een gemengd stel mag je er twee passen op nahouden van Nederland. De Israëlische overheid doet niet zo moeilijk over meerdere paspoorten. Als het even kan, houden Israëli’s er nog een buitenlands paspoort op na, wat vooral handig is als je naar landen wil die niet van Israëlische passen houden.

Dat halen van ons permanent visum deden we bij dezelfde dame als eerder bij het kantoor van het misrad hapniem (ministerie van Binnenlandse Zaken) in Herzliya. Het ging weer superefficiënt. En het kostte niks! Tenminste als je op alija bent gekomen. Ik geloof dat anderen die zo’n verblijfsvisum moeten hebben, wel wat moeten betalen. Het visum is niet tien jaar geldig, wat ik verwachtte, maar slechts zeven jaar. Ons eerdere visum was net zo lang geldig als het Nederlandse paspoort, dat dus binnenkort ging verlopen, doch tien jaar is kennelijk te lang voor een Israëlische verblijfsvergunning. Ons Israëlische identiteitsbewijs (teoedat zehoet) is wel tien jaar geldig.

De eerste keer dat we terug kwamen uit Nederland voelde het toch anders aan dan nu. We merken dat we meer ingeburgerd zijn. We kennen de weg beter, zijn meer vertrouwd geraakt met van alles. We beginnen zowaar wat meer Hebreeuws te brabbelen en snappen soms ook meer van wat wordt terug gezegd. Dat geeft hoop, al zal het een soort vijfjarenplan zijn om alledaags Hebreeuws onder de knie te krijgen. Dat zal dan nog wel volstrekt onvoldoende zijn om radio, tv of kranten te kunnen volgen, valt te vrezen. Dat kost vast nog weer vijf of meer jaren extra. Hopelijk is ons dat gegeven.

Toch is Israël, de enige Joodse staat ter wereld, steeds meer ons land aan het worden. Ondanks de mooie maar lastige taal, de hete zomers, de rommeliger Mediterrane of zelfs wat rauwe Midden-Oosterse cultuur. Het definitief opgeven van ons vertrouwde huis in Nederland is weer een belangrijke stap geweest. Al blijven we nog wel lid van een woningbouwvereniging in onze oude Amsterdamse woonbuurt …

Delen |

vrijdag 8 september 2017

Over de gastcolumnist

Julie Blocq-Schipper is sinds oktober 2016 directeur bij Crescas, Na er anderhalf jaar te hebben gewerkt te hebben als beleidsmedewerker.
Julie groeide op in Joods Antwerpen en verhuisde op haar vijftiende naar Amsterdam. Mede door haar traditionele opvoeding en nauwe betrokkenheid bij Joodse organisaties groeide haar interesse voor het culturele jodendom. Zij werkte een jaar in Israël, wat haar Ivriet op een hoger niveau bracht.
Julie’s kennis op het gebied van educatie en coaching en haar passie voor kunst en cultuur komen goed van pas in haar werk bij Crescas. Naast het ontwikkelen van het jaarprogramma richt Julie zich op de verdere ontwikkeling en profilering van Crescas; hét Joodse kenniscentrum van Nederland.

Er zijn weinig stellen die ik ken, die na meer dan dertig jaar huwelijk nog zo liefdevol met elkaar omgaan. Dat kon je zien en dat kon je voelen. Ik heb Rob helaas maar een enkele keer ontmoet. De indruk die hij maakte, was er één van stabiliteit, tevredenheid en rust, een aimabele man. Uit Channa’s verhalen kon ik ook opmaken dat Rob een man was waar je op kon bouwen en steunen. Dat Rob zo plotseling en zo jong is overleden, zorgt dan ook voor een golf van ongeloof en verdriet: iedereen is erdoor aangeslagen. Iedereen die bij Crescas betrokken is en ook daarbuiten.

Voor Channa, Lilian, Chaim, Juliette & Laura: Rob leeft in jullie door. Ik wens jullie alle sterkte, liefde en kracht toe in deze moeilijke tijd.

Julie Blocq


Een in memoriam van Michel Waterman, voormalig directeur van Crescas


In memoriam Rob Boerboom

In de dertien jaar dat ik bij Crescas nauw heb samengewerkt met Channa Obstfeld heb ik ook ‘haar Rob’, haar steun en toeverlaat, haar anker in moeilijke tijden, haar maatje en de liefde van haar leven, goed leren kennen. Het Whatsappje van Channa met het bericht dat Rob een hartstilstand had gehad en haar telefoontje, nauwelijks vijf dagen later, dat hij was overleden, heeft mij geschokt en diep geraakt. Rob is sinds dat eerste Whatsappje geen dag uit mijn gedachten geweest en het verdriet van Channa en hun drie kinderen laat mij geen moment los.

Het overlijden van een jonge vent – Rob was in augustus 55 geworden – is verschrikkelijk. Het is een schok omdat het zo totaal onverwacht komt. Maar dat is niet de belangrijkste reden dat Robs heengaan mij zo aangrijpt. Ik was bijzonder op hem gesteld. Hij was een Mensch, in de échte betekenis van het woord. Hij was door en door integer. Huishoudelijke hulp zwart betalen? Niet in Huize Boerboom. Rob was ook een familieman, Channa’s verhalen spraken boekdelen. Hij stond altijd klaar om te helpen. Ook ons, bij Crescas. Zo heeft hij na onze verhuizing naar de Kastelenstraat nog een avond staan boren en schroeven om de boekenkasten van de Crescas-bibliotheek in elkaar te zetten. Rob was goed gezelschap bij een etentje, of een biertje in de kroeg, daar bewaar ik goede herinneringen aan.

Rob Boerboom zal gemist worden, het meest door Channa, Lilian, Juliette en Chaim, maar zeker niet door hen alleen.

Michel Waterman

Delen |

vrijdag 11 augustus 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Onlangs heb ik me laten vertellen dat er in Israël zo’n tienduizend Nederlanders wonen. Nederlandse Joden en net zo goed niet-Joodse Nederlanders, die expat of student zijn, diplomaat of wat dan ook. In Nederland wonen ongeveer net zo veel Israëli’s. Het saldo is dus nul.

Voordat mijn vrouw en ik het aandurfden op alija te gaan, hebben we in Amsterdam het spreekuur bezocht van de voorzitter van de Hollandse immigrantenvereniging, de Irgoen Oleh Holland (IOH). Ephraim Eisenmann bleek een vriendelijke man. Hij somde de voordelen op van de alija en had daarbij ook een verheugend nieuwtje voor ons in petto: oliem (immigranten) krijgen een aantal jaren een flink belastingvoordeel als ze buitenlandse inkomsten hebben, wat bij pensionado’s in de regel het geval is. De IOH helpt oliem chadasjiem (nieuwe immigranten), fungeert verder als belangenvereniging plus dat het sociale activiteiten en een lezenswaardige periodiek biedt voor de leden. Dat waren er ooit meer dan 1.500; nu telt de vereniging circa 700 leden. De leden worden ouder en ouder, er overlijden dus steeds meer mensen en er is nauwelijks instroom van jonge leden. Als het zo doorgaat zal de vereniging op den duur opdrogen, tenzij de IOH zichzelf opnieuw uitvindt.

In juni van dit jaar hebben we de algemene ledenvergadering van de IOH bezocht. Normaal vindt die plaats in Beth Juliana in Herzliya. Ditmaal was het in een verzorgingshuis bij ons om de hoek, omdat Beth Juliana wordt verbouwd. Er waren zo’n veertig leden aanwezig. Dat was een stuk minder dan het jaar daarvoor, hoorden we. Toen stonden er spannende zaken op de agenda, in het bijzonder bestuursverkiezingen. We hadden ons schrap gezet voor een wat tumultueuze vergadering na lezing van het verslag van de vorige jaarvergadering. Het ging er echter heel rustig aan toe. Bijna saai zelfs. Op het eind was er even een klein beetje roering in de zaal (de tot algemene ruimte omgetoverde sjoelruimte van het Amerikaans georiënteerde bejaardenhuis). Ik ben echter vergeten waar het precies over ging. Iets over speciale fondsen ter ondersteuning van leden of was het toch iets anders? De ruzies rond de Maror-gelden die voor Israël waren bestemd, kwamen ook even langs. Het laatste woord is daarover nog niet gezegd, hoewel velen hardnekkig proberen er een punt achter te zetten.

Hoewel we bijna niemand kenden, werden we door diverse mensen spontaan aangesproken. Joden die naar Israël verhuizen, kunnen hier op sympathie rekenen. Ook de voorzitter kwam naar ons toe. Toen we zeiden dat we hem eind 2014 hadden gesproken over onze alija-plannen, begon er iets te dagen. Hij was blij verrast dat we in Israël waren komen wonen.

Eerder hebben we een uitstapje meegemaakt van de afdeling Netanya van de IOH. De reis ging naar het noorden. We bezochten een zoutwinningsproject in de buurt van Atlit uit de eerste tijd van zionistische beweging en daarna een mooi gelegen kibboets voor de lunch. Tot slot gingen we naar een opgraving in Herzliya. Daar waren we al eens op eigen houtje geweest, maar nu was er een gids bij die een boeiende uitleg gaf over welke volkeren hier allemaal voet aan land hadden gezet – naast Joden uiteraard. Tijdens het bezoek aan de zoutwinningsplek werd één van de deelnemers onwel. Dat was schrikken. Hij werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Gelukkig ging het daarna beter met hem, zo vernamen we desgevraagd.

Bij de excursie was iedereen heel aardig voor elkaar en ook voor ons. Het bleek dat de meesten al heel erg lang in Israël wonen. Veertig jaar was geen uitzondering. We kwamen ook nog de Amerikaans-Joodse moeder tegen van de man van een vriendin van onze middelste dochter. Zij heeft lange tijd in Nederland gewoond. Met haar hebben we veel uitgewisseld. Zij zit hier nog maar enkele jaren en spreekt goed Hebreeuws. Dat heeft ze, als ik het goed heb ingeschat, van huis uit meegekregen, en dat scheelt.

Kort geleden hebben we ook nog een bijeenkomst meegemaakt van Jong Belegen. Zelf zou ik nooit zo’n naam hebben verzonnen voor een groep, maar het beestje moet een naam hebben. Er is ook nog een groep met de spannende naam Hutspot. Die is voor oudere Joodse Nederlanders in Israël. Jong Belegen bestaat zo’n twintig jaar. Het is opgericht door Elah en de IOH. Elah is een op (Joodse) Nederlanders gerichte hulpverleningsorganisatie. Oorspronkelijk ging het vooral om slachtoffers van de Sjoa. In Israël was heel vroeger bedroevend weinig aandacht voor deze groep en ook nu nog zijn er heel wat slachtoffers van de Sjoa die een kwijnend bestaan lijden. Dat mag je rustig een schande noemen voor een Joods land. De Israëli’s moesten na de Sjoa echter verder, zo was de algehele gedachte in Israël, ze moesten hun land opbouwen en ook nog eens verdedigen. Ze hadden weinig oog voor immateriële noden. En ik denk dat Joodse Israëli’s ‘gewoon’ de knop hebben omgezet: Joden als slachtoffer, dat nooit meer! Ze wilden er helemaal niets van weten! Gaandeweg is er gelukkig wel meer aandacht gekomen voor wat er echt is gebeurd in Europa en dat het voor velen bijna onmogelijk was om aan de nazi’s en hun handlangers te ontkomen. Zeker na het Eichmann-proces in de jaren zestig en het dreigen met gifgasaanvallen door Saddam Hoessein in de jaren negentig begonnen Israëli’s meer te begrijpen van de Sjoa. Ook als ze uit de Arabische landen of Iran kwamen. Tijdens de Golfoorlog werden nota bene gasmaskers uitgedeeld aan de Israëlische bevolking, waarmee de cirkel rond dreigde te worden.

Terug naar Jong Belegen. We kregen te horen dat er bij de oprichting twee harde afspraken werden gemaakt door de leden: we spreken Nederlands met elkaar én er wordt niet gesproken over de Sjoa. Het was best gezellig tijdens onze eerste bijeenkomst van Jong Belegen. We zagen bekende gezichten, mensen die we ook op het uitstapje van de IOH hadden gezien. Het eten was OK en we hebben gezellig gekletst met diverse mensen, onder wie de fameuze Riek Levie.
Riek is bijna een fenomeen. Heel wat oliem zijn ‘door haar vingers’ gegaan, want zij ving de nieuwkomers op vanuit de IOH. Dat doet ze niet meer, maar ze is nog volop in de running ondanks haar hoge leeftijd. Zij is ver in de tachtig, al zie je dat niet aan haar af. Zo is ze heel actief bij Beth Daniël, de progressief-Joodse gemeente in Tel Aviv. Riek heeft ook nog tijd gehad om een autobiografie te schrijven. Mijn Levenspad heet het, uitgekomen in 2013. We kregen van haar een gesigneerd exemplaar, waar we heel blij mee zijn. En natuurlijk gaan we het lezen.

Het is leuk om hier (oud-)Nederlanders te ontmoeten – inclusief degenen die ons vanuit Nederland komen opzoeken wanneer ze hier op vakantie zijn. Allereerst vanwege de taal, want we kunnen ons nu eenmaal het best uitdrukken in onze moedertaal. In het Hebreeuws zijn we heel gauw uitgepraat. Ten tweede heb je aan een half woord vaak genoeg als het over Nederland gaat. Of over de positie van dat land in de steeds kleiner wordende wereld, die psychologisch echter steeds onderlinge afstand laat zien. Toch zouden we niets liever willen dan zo snel mogelijk zoveel als mogelijk integreren en zo gauw mogelijk beter Hebreeuws spreken, al is het maar een beetje. Toen we bij Jong Belegen merkten dat iedereen uit volle borst Nederlandse liedjes begon mee te zingen, hadden wij zoiets van: maar dat hebben we achter ons gelaten, wij willen karaoke doen met Israëlische liedjes. “Geef mij maar Amsterdam” en meer van dat sentimenteels. Als we dat echt hadden gewild, zaten we nu niet hier.

Delen |
okt 2017Thuis
okt 2017Israël. Hoe kun je dáár nou gaan wonen?
sep 2017Op en neer naar Nederland
sep 2017In memoriam Rob Boerboom
aug 2017Hollanders ‘in den vreemde’
jun 2017Israël op zijn smalst
jun 2017Joodse geschiedenis van Gouda
mei 2017Staaroperatie in het Assutaziekenhuis
apr 2017Stemmen vanuit Israël
mrt 2017Een jaartje verder
mrt 2017Midden-Oostenpolitiek uit 1001 nacht
jan 2017Oelpan
jan 2017Nieuwsbriefredactrice Raya Lichansky 70
jan 2017Oude mannen en een dood paard
okt 2016Tweedehands of nieuw?
sep 2016Op zoek naar een auto
sep 2016Zachte landing
aug 2016Klein maar springlevend
aug 2016Het verkorte rijexamen (mivchan hamara = conversietest)
aug 2016Dubbelleven
jul 2016Mea (100)
jul 2016Nola
jun 2016Henriette Boas, vriendin en huisgast
jun 2016Cultuur
jun 2016Misrad Harishui (ministerie van Vergunningen)
mei 2016Antizionisme
mei 2016Geduld
mei 2016Zeg eens A(lef)
apr 2016Liften of niet?
apr 2016Een hele belasting
mrt 2016Alija
jan 2016Zondebok
dec 2015Wie is er bang voor Spinoza?
nov 2015Om toch
nov 2015Ahmad Dawabsheh blijft alleen
okt 2015Stilte in Joods Nederland
sep 2015Vluchtelingen: ruimhartig en meedogenloos
sep 2015Godgeklaagd
jul 2015I'm a European Jew - and No, I'm Not Leaving
mei 2015Culturele boycot Israël verzwakt de oppositie
mei 2015Boedapest
apr 2015Krakow
apr 2015Praag
mrt 2015Samen optrekken tegen jodenhaat en islamhaat
dec 2014Han Hollander (1886-1943), sportverslaggever
jul 2014Joden, Moslims, vooroordelen en Maison de Bonneterie
jun 2014De handel en wandel van de boekenjood
mei 2014Biografie van Esther de Boer–van Rijk
apr 2014Anne
apr 2014Inclusief of exclusief
apr 2014Het verrassende Egypte van vóór de Uittocht
feb 2014Op school
feb 2014Nieuw boek van Pauline Micheels: 'Vandaag'
feb 2014Allemaal hadden ze een naam
jan 2014Nooit meer Auschwitz
jan 2014Heruitgave van ‘De Samaritanen’
nov 2013Ariëlla Kornmehls 'Wat ik moest verzwijgen’
nov 2013Dialoog tussen Joden en Marokkanen of Turken
nov 2013Fietsen voor Alyn
nov 2013Limmoed en het orthodoxe fiasco
aug 2013Lemberg
jul 2013Joods Gouda
jul 2013Slavernij
jun 2013Een boek over rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog
jun 2013Lili, een boek dat geschreven mòest worden
mei 2013Hannah heet ik - Hannah Cohen
apr 2013Het kwaad van de banaliteit: Margarethe von Trotta's film Hannah Arendt
apr 2013Toespraak tijdens Jom Hasjoa-herdenking, 7 april 2013