sluiten
×
Mogen wij u om een kleine bijdrage vragen om het werk van Crescas blijvend mogelijk te maken? Alle content op deze website is vrij toegankelijk: de wekelijkse columns, video’s, geluidsbestanden, artikelen, etc. Dat willen wij graag zo houden. U kunt ons daarbij helpen met een kleine, vrijwillige bijdrage. Ieder bedrag is welkom. Met de groene knop hiernaast is dat zó geregeld. Dankuwel.
inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Gastcolumns

Weblogs disclaimer

Op deze pagina vindt u eenmalige bijdragen over uiteenlopende onderwerpen. Onderwerpen die natuurlijk altijd een link hebben met jodendom. Een gastcolumn bestaat uit een boek- of filmrecensie, een mening of opinie over een (actueel) onderwerp, het verslag van een Joodse-thema-reis, een bijzondere belevenis, etc. De gastcolumn is niet bedoeld voor reacties op eerder verschenen columns. Hiervoor is steeds ruimte ónder de betreffende column. Wilt u een gastcolumn schrijven? Neem dan contact met ons op via blocq@crescas.nl. De directie van Crescas beslist in alle gevallen over plaatsing van een gastcolumn.

vrijdag 12 januari 2018

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Met de meeste krappe meerderheid van 58 tegen 57 stemmen heeft de Knesset dinsdagmorgen een controversiële wet aangenomen die de landelijke overheid de mogelijkheid geeft gemeentes te overrulen die winkels toestemming geven op sjabbat open te zijn.

Minister Arjeh Deri van de ultra-orthodoxe Shaspartij, die aan de regering Netanjahoe deelneemt, heeft zijn zinnen gezet op het bewaken van de sjabbatrust. Er was eerder flink veel gedoe over het werken aan het spoor op de wekelijkse Joodse rustdag. De spoorwegen gaven aan dat het nodig was het onderhoud in het weekend te laten plaatsvinden ter voorkoming van stremmingen tijdens de werkdagen. Ook werden er werkzaamheden verricht aan de nieuwe spoorlijn die Jeruzalem en Tel Aviv met elkaar moet gaan verbinden. Er is weliswaar al een spoorlijn tussen Israëls hoofdstad en de meest mondaine, aan zee gelegen stad van dit land, doch dat is een boemeltje. De nieuwe spoorlijn moet voor een supersnelle verbinding zorgen.

Aan de discussie over het spoor is min of meer een eind gemaakt door af te spreken dat er alleen aan het spoor mag worden gewerkt als de veiligheid in het geding is. Pikoeach nefesj heet dat. Als het leven in gevaar komt, mag je sjabbatwetten overtreden.

De supermarktwet is een gebaar van de Likoed van Netanjahoe naar de ultra-orthodoxie. In ruil daarvoor blijven ze in de regering, waardoor Netanjahoe verder kan met zijn meest rechtse kabinet sinds de oprichting van de staat, als ik de journalisten mag geloven. De partij van Liberman, Israel Betenoe, die deel uitmaakt van de regeringscoalitie, moet niks hebben van de supermarktwet. Die heeft tégen gestemd. Voor de Russische achterban van Liberman is de sjabbat niet zo heilig en winkelsluiting vinden zij alleen maar lastig. Als je doordeweeks hard werkt, moet je toch op enig moment boodschappen doen. Op vrijdag als je een vijfdaagse werkweek hebt óf op sjabbat, als je ook op vrijdag werkt.

Om potentiële tegenstemmers te paaien, mogen benzinestations hun kleine supermarkten openhouden. Plus dat in Tel Aviv niet wordt getornd aan de huidige openstelling van winkels, zo is beloofd. Bij eerdere discussies was dat nog niet zo zeker.

De naderende stemming over de supermarktwet werd een paar keer aangehouden, omdat de meerderheid zeer krap dreigde te worden vanwege het niet meedoen van de partij van Liberman. Enkele parlementsleden die vóór zouden stemmen, zouden namelijk verstek laten gaan vanwege familieomstandigheden. Daardoor zou aanvaarding van de wet in gevaar komen. En daarmee ook de regering Netanjahoe, want het is Arjeh Deri menens met die wet. Die geeft hem straks als minister van Binnenlandse Zaken de bevoegdheid gemeentelijke bepalingen inzake openstelling op sjabbat opzij te zetten. En geloof me, dat gaat hij doen. Hij heeft toegezegd – als ik het goed heb begrepen – reeds bestaande openstellingen niet terug te zullen draaien. Doch Deri is nogal onbetrouwbaar in de ogen van veel Israëli’s, dus dat is afwachten. Wat er dan gebeurt, is onzeker. Wordt sluiting afgedwongen? Komt er dan verzet? De eerste voortekenen zag ik al in onze buurtwinkel, waar een affiche is geplaatst met de tekst: “Ook hier geopend op sjabbat – Vrij Herzliya”.

Veel gemeenten vinden openstelling van groot belang (overigens is in de Arabische sector alles open, die staat buiten deze interne Joodse discussie). Het gros van de Israëli’s is behoorlijk seculier, zij het vaak wel traditioneel. Door veel Israëli’s wordt bijvoorbeeld met Pesach de seder gevierd (wat neerkomt op racen door de Haggada, het Pesachverhaal) en op sjabbat zoekt men elkaar op vanwege de gezelligheid, net zoals je de auto laat staan op Jom Kipoer (Grote Verzoendag).

Voor dat laatste is niet eens een wet nodig. Het is een stilzwijgende afspraak van Israëli’s om degenen die Jom Kipoer vastend in sjoel doorbrengen niet voor het hoofd te stoten. En zo’n autoloze dag is bovendien leuk voor de kinderen, die met hun fietsen of rolschaatsen en dergelijke de rijweg overnemen.

Toen wij neerstreken in het deel van Herzliya dat grenst aan Ra’anana, bleek tot onze verrassing de kleine supermarkt beneden ons op sjabbat gewoon open te zijn, evenals een klein winkelcentrum met allerlei winkels aan de rand van Ra’anana. Dat ligt voor ons op loopafstand. Sterker nog: in Herzliya heeft men er geen probleem mee dat de grote kenjon (het grote overdekte, airconditioned winkelcentrum met meerdere verdiepingen, zoals je die zoveel hebt in dit land met zijn hete zomers) open is. Niet op vrijdagavond, maar wel overdag op sjabbat. Kom daar maar eens om in Ra’anana, daar is de kenjon grotendeels dicht, want de religieuzen liggen dwars in de gemeenteraad.

Er moet toch uit te komen zijn met elkaar. Er is al een groep bestaande uit oud-generaals en een voormalige minister, Pnima genaamd, die een soort van nationale discussie heeft voorgesteld over deze sjabbatwet. Voor de één is het immers een heilige rustdag, voor de ander een vrije dag om te doen en laten waar je zin in hebt, desnoods een klein boodschapje als je iets vergeten bent.

Israël zal zeker geen tweede Iran worden met ultrareligieuze dwingelandij. Maar de ultra-orthodoxie houdt het land wel flink in zijn greep door – onder andere – steeds te wijzen op de zogenaamde status quo van Ben Goerion bij de oprichting van de staat. Toen werd afgesproken om in religieus opzicht de situatie van toen te bevriezen. Ondertussen is er van alles veranderd, dus hoezo status quo? Zoeken naar een nieuwe status quo met respect voor elkaars levenswijze lijkt me wel het minste wat dit land en zijn bewoners te doen staat.

Delen |

vrijdag 22 december 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Onlangs begon onze nieuwe wasmachine rare geluiden te maken bij het centrifugeren. Het klonk als een metalen onderdeel dat los zat, af en toe ergens tegenaan rammelde of zelfs schuurde. Het apparaat is nog maar net iets ouder dan een jaar. Een Duits merk, maar vervaardigd in Polen. Toen we de Bosch aanschaften via een Internetbedrijf namen we geen verlenging van de in Israël gebruikelijke garantietermijn van één jaar , dus die periode zat erop. We hadden bij de koop in Israël onze wasmachine in Nederland in gedachten die nu in het huis van onze middelste dochter staat. Die doet het na zo’n tien jaar nog steeds.

Wat nu? Een mannetje laten komen ter reparatie? Zoiets kost alleen al aan voorrijkosten minstens ₪ 200 (ongeveer € 50,-), meestal iets meer. Daar komen dan de materiaal- en uurloonkosten bij, als het apparaat tenminste nog te repareren is. Voordat je het weet zit je op de helft van de prijs van een nieuwe, zo redeneerden we. Dan maar – met forse tegenzin – een nieuwe laten aanrukken? Na enig wikken en wegen, hebben we dat toch maar gedaan. Op zulke momenten wreekt het zich dat we het Hebreeuws niet beheersen, anders had ik uitgebreid gebeld met een monteur. Op Internet had ik namelijk allerlei mogelijke oorzaken opgezocht van het rare metaalachtige geluid. Het kon een kapotte kogellager zijn, een kapotte aandrijfas of iets heel anders. Ik heb nog geprobeerd de Bosch open te maken, maar de schroeven die erop zitten, vereisen een hele speciale schroevendraaier, die ik niet heb. In Nederland heb ik ooit een wasmachine gerepareerd met behulp van een speciaal onderdeel via de importeur, waardoor die nog jaren meekon. Toen had je nog weinig slimme elektronica in dat soort machines, het meeste ging ouderwets mechanisch.

Na wat zoeken ontdekte ik een Engelse website voor klanten in Israël. Vanwege Black Friday was onze nieuwe Duitse wasmachine (een AEG ditmaal) aanzienlijk afgeprijsd. Later zag ik dat de Black Friday-prijzen ook daarna nog steeds op de site stonden. Ik kon niet ontdekken of het ding weer van Poolse makelij was. We hebben de gok maar gewaagd en we besloten de verlengde garantie te nemen, niet één maar drie jaar. Dat kost niet eens zo heel veel, slechts 200 sjekel, zo was te lezen op de website.

In Israël hebben ze een apart ritueel bij het afleveren van apparaten aan huis. Je bestelt zo’n ding (in ons geval via Internet, dus niet in een winkel). Betaling gaat normaal gesproken met een creditcard. Dan word je in de regel gebeld door het bedrijf dat de leverantie voor zijn rekening neemt. Dat telefoongesprek kon probleemloos in het Engels. Nadat het apparaat in huis is geplaatst, moet je een ander nummer bellen voor de installatie. Waag het niet de verpakking open te maken of de machine zelf te installeren, want dan vervalt onmiddellijk iedere garantie.

De dame van het installatiebedrijf sprak geen Engels. Ze was heel geduldig wanneer ik iets niet direct begreep en na alles genoteerd te hebben, zoals merk en typenummer, adres en telefoonnummer, spraken we een tijd af. Er kwam daarna nog een sms binnen met een webadres waar alles nog eens op een rij was gezet om de installatie te kunnen doen. De hele riedel had ze ook in het Hebreeuws gedaan. Ik hoorde woorden langskomen als kraan en elektriciteit. Op de website zag ik dat ze het tevens moest hebben gehad over de afvoer. Dat sms’je was handig. Het was wat minder dat ze de afgesproken tijd niet hadden toegevoegd. Ze hadden al twee dagen na de levering kunnen komen, maar dat kwam niet uit. We spraken een wat latere datum en tijd af.

Op zondag verscheen de monteur op het afgesproken tijdstip. Zijn komst was voorafgegaan door een telefonische melding via zo’n ingeblikte stem. Uiteraard in het Hebreeuws maar dat was redelijk te volgen voor mij. Je moest nog bevestigen dat je thuis was. Kies 1. Je kon zelfs kiezen om te spreken met de monteur. Kies 2. Ongetwijfeld voor mensen die even weg waren, doch snel weer thuis zouden zijn.

De monteur sprak goed Engels. Bij binnenkomst vloog hij direct af op de defecte machine, die we nog in een hoekje hadden staan. Die hadden we kunnen laten meenemen bij de levering van de nieuwe. Er is in Israël een wet die voorschrijft dat ze de oude apparaten horen mee te nemen (tegen enige betaling). We waren er echter nog niet uit of we het ding aan de straat zouden zetten (veel gesjouw), of tegen een heel zacht prijsje zouden aanbieden met de eerlijke vermelding erbij dat hij het nog goed deed, maar met gratis gerammel erbij.

In no time had de monteur het apparaat opengemaakt. Bij het proefdraaien van het korte centrifugeerprogramma (daarbij wordt geen water getapt en we hadden al het water al laten weglopen) was niets te horen. Dat had ik ook al ontdekt. Het probleem deed zich alleen voor bij de uitgebreidere programma’s, maar dan wel uitsluitend bij het centrifugeren. Rara, hoe kan dat? De monteur opperde dat er wellicht iets mis was met één van de twee elektronische kaarten. Dat kon heel duur worden. Hij zag verder geen afwijkende dingen.

Hij had het nog wel over Duitse apparaten die uit Polen komen en daarom meestal minder goed zijn. (Achteraf ontdekte ik dat onze nieuwste machine net als de rammelende Bosch in Polen is gefabriceerd …)

Vervolgens werd de AEG geïnstalleerd en kregen we alles keurig uitgelegd. Uiteraard wilde ik deze keer verlengde garantie. Dat hield hij wat af, daar zouden we het nog over hebben als de installatie volledig was afgerond. Het bleek dat hij een extra garantie kon bieden van vier jaar bovenop de fabrieksgarantie. Hij had gratis nóg drie maanden te bieden bovenop de vijf jaar in totaal. Totale kosten ₪ 600. Op zijn papieren zag ik ₪ 400 staan, alleen kon ik niet lezen wat erbij stond. Uiteindelijk zijn we overstag gegaan. Ik merkte nog droogkomisch op dat ze nog wel minstens vijf jaren moesten blijven bestaan.

Bij het opmaken van het garantiecertificaat maakt hij nog een opvallende fout. Weliswaar was de leverdatum december 2017 en dus de afloop van de normale extra termijn in 2022, doch door de extra drie maanden liep de garantie door tot maart 2023. Het kostte enige tijd voordat hij het door had. Mijn vrouw vertrouwde hem daarna niet meer. Ik kon nog enig begrip opbrengen, als je bedenkt dat de Joodse jaartelling anders werkt (ongeveer van september tot september). De garanties worden echter uitgedrukt in ‘gewone’ jaren, dus het was vast niet de eerste keer dat hij dit deed.

Wat ons nu overkwam, gebeurt wel vaker. Leveranciers die je een poot proberen uit te draaien. Bij de aflevering van de koelkast werden enige honderden sjekels extra geëist, hoorden we van onze Israëlische schoonzoon, die toen het apparaat ontving omdat wij dringend ergens anders naartoe moesten. Bij de levering van de afwasmachine door twee potige Israëli’s gebeurde hetzelfde. Bij mijn weten had ik voor de levering extra betaald, maar de sjouwers (nou ja, een afwasmachine weegt niet zoveel) brulden ons toe dat we nog een paar honderd sjekel moesten geven. Ze zijn zonder één sjekel de deur uitgegaan, al had ik wel iets klaarliggen maar beslist niet zoveel.

Het kan gelukkig ook anders. De man die de laatste wasmachine kwam brengen, was heel beleefd, vroeg niks, want er was al betaald voor de levering. Bij de installatie van de afwasmachine deden zich ook geen gekke dingen voor. Gewoon, rustige man en netjes gemonteerd plus twee jaar extra garantie voor ₪ 250. Dat vond ik toen vreemd. Het is hier vrij normaal. In Nederland is verlengde garantie trouwens ook al aardig ingeburgerd, al is de basisgarantietermijn daar twee jaar volgens Europese regelgeving.

Dit soort zaken blijft voor ons een avontuur. Het is hier meestal oppassen, net wat meer dan in Nederland. Iedereen wil een graantje meepikken. Lang niet altijd, het gebeurt ook regelmatig dat het gladjes verloopt zonder onregelmatigheden. Je moet wel blijven opletten en op je punt blijven staan. Dat gaat ons steeds beter af, met af en toe een terugval.

Nu moeten we nog op een nette manier van de “oude” wasmachine af, die een miskoop bleek te zijn. We zijn benieuwd hoe ons dat zal vergaan.

Delen |

vrijdag 17 november 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Inmiddels zitten mijn vrouw en ik al een paar weken in een vervolgklas van de Hebreeuwse les bij oelpan Gordon in Tel Aviv (zie ook mijn eerdere column: Oelpan). Irith zit in kita ב (beth) en ik in ג (gimmel, met harde g zoals in “to go”). Haar klas met gepensioneerden bleek te bestaan uit een paar leerlingen van haar oude klas en anderen die een stuk verder bleken te zijn. Daarom moest er een test worden afgenomen. Gelukkig mocht ze blijven, de uitslag was goed.

Mijn klas bestaat voornamelijk uit jongeren plus enkele ouderen, zoals ik. Net als in de vorige klas veel Russisch sprekenden, niet alleen uit Rusland, maar ook uit andere zelfstandig geworden staten van de voormalige Sovjet-Unie. Daarnaast veel Fransen, een enkele Italiaan en zowaar twee leerlingen uit Turkije en één uit Brazilië. Je kan aan de samenstelling van de klas merken waar het voor Joden begint te knellen of al langer niet helemaal oké was. Welvaart speelt ook mee, want de Russisch sprekenden komen tevens voor de relatief hogere welvaart in Israël, denk ik. Zionisme speelt ongetwijfeld een rol. Zeker bij een aardig Amerikaans-Joods meisje in de klas. Zij kwam naar Israël voor de liefde van haar leven plus warme gevoelens voor het vaderland van haar Israëlische vriend.

Was Sara van mijn vorige klas al een prima lerares, Ramit is zelfs nog beter. Ze spreekt snel Hebreeuws, maar kiest haar woorden met zorg op ons niveau. Daardoor is zij goed te volgen, al versta ik niet alles. Bij de eerste les deelde ze een tekst uit met spelregels en tips. Bijvoorbeeld: afmelden als je niet komt en een websiteadres van het ministerie van Onderwijs, speciaal voor oliem (immigranten). Het barst op die website van de oefeningen die je op de PC kunt doen. In de tekst (drie pagina’s) waren ook de vakanties opgenomen. Dat was in de vorige klas steeds een verrassing. Sara kwam steeds pas vlak vóór de vakanties met de mededeling dat er eventjes geen lessen waren.

Ook in deze klas blijken de meesten nog maar moeizaam Hebreeuws te spreken. Door de zenuwen maakte ik in het begin een paar forse fouten, zowel bij het spontaan spreken over een onderwerp dat werd aangereikt door Ramit als bij het nalopen van het huiswerk. Ik heb het idee dat Ramit mij om die reden regelmatig overslaat. Als ze af en toe vraagt hoe een woord in het Russisch en het Frans wordt uitgesproken (ze houdt van talen, ze zit op Portugese les) interesseert het haar nauwelijks hoe het in het Nederlands klinkt. Ik moet steeds inbreken om dat te vertellen en soms lukt dat niet eens. Jammer want daardoor missen zij en de klas wel iets naar mijn idee. Zo is het Hebreeuwse woord voor dak (גג, uitgesproken als gag, met een harde, Engelse g) in het Nederland bijna hetzelfde. In de andere talen klinkt het totaal anders. Roof, toit of kрыши (kryscha, in het Russisch) is hele andere koek.

Het is grappig te constateren dat de groep die eerst uit losse individuen bestond die niks met elkaar hadden, steeds meer een gezellige eenheid vormt. De taalgrenzen zorgen wel voor splitsing in de pauze. De Fransen zoeken elkaar direct op, wat ook geldt voor de Russisch sprekenden. Anderen, zoals ik, vermaken zich met hun iPhone. Ik heb nog geen Nederlanders ontdekt op mijn lestijden.

Regelmatig bespreekt Ramit iets uit de Israëlische actualiteit, zoals de Joodse feestdagen en de herdenking van de moord op Rabin. Ze slaagt erin om lastige onderwerpen eenvoudig onder woorden te brengen, waarbij toch sprake is van enige diepgang. Ze is sowieso een wonder als het gaat om het uitleggen van (werk)woorden. Van tijd tot tijd staat ze te springen voor de klas of maakt ze andere gekke bewegingen om iets uit te leggen. Het is haar eer te na om in het Engels te zeggen wat iets betekent. Tekeningetjes op het bord helpen ook. Soms snap ik het dan nog niet en dan biedt Google uitkomst. Ramit vindt het helemaal niks als we tijdens de les gaan googelen voor de vertaling.

Hoewel het Hebreeuws van Irith en mij langzaam vooruitgaat, is het volstrekt onvoldoende om het meeste op straat, in winkels en op radio en televisie te volgen. Spreken lukt wel, in eenvoudige zinnetjes. De ongeduldige Israëli’s schakelen echter gelijk over op Engels – als ze dat beheersen – wanneer ze merken dat dat sneller gaat. Ik blijf het dan toch in het Hebreeuws proberen, waardoor er komische duetten ontstaan van mijn brabbel-Hebreeuws en hun brabbel-Engels (of beter).

Het lastigste is dat de (werk)woorden bijna niet zijn te koppelen aan het Nederlands of een andere Europese taal. Semitische talen gebruiken totaal andere woorden. Bovendien hebben veel woorden veel weg van elkaar, wat in het Nederlands overigens niet anders is. Wat hebben “beter, meter, veter en Peter” bijvoorbeeld met elkaar te maken behalve klankverwantschap? Het is dus iedere dag stampen en nog eens stampen plus steeds maar weer herhalen om te voorkomen dat woorden snel wegzakken – en dat gaat echt heel snel. In gesprekken met andere oliem hoor ik wel eens dat sommigen het maar hebben opgegeven en vooral Engels spreken, zeker als ze in een Angelsaksische bubbel wonen. Het is ook wel dodelijk vermoeiend en vertragend als je een vervoeging van een werkwoord eerst in gedachten moet aflopen voordat je er iets uitkrijgt in de tegenwoordige, verleden of toekomstige tijd. Het is pure hersenpijniging.

Om de woorden erin te krijgen, maakte ik in het begin veel gebruik van ezelsbruggetjes; soms waren die ingewikkelder dan het te onthouden woord. Inmiddels begint klankverwantschap ook een rol te spelen bij het memoriseren van woorden. En nu is het al zover dat de grammaticale mogelijkheid een werkwoord te koppelen aan een zelfstandig naamwoord (of andersom) een flinke steun geeft. De stam van (werk)woorden, meestal bestaande uit drie medeklinkers, is een fantastisch houvast in het Hebreeuws.

Wat betreft de ezelsbruggetjes, die altijd sterk persoonlijk getint zijn (Irith heeft weinig aan de mijne), een voorbeeld: het woord voor ei is ביצה (beetsa), dat voor moeras is בצה (bitsa), dus denk ik aan altijd aan rotte eieren wanneer ik het woord voor moeras probeer terug te halen.

Als het om klankverwantschap gaat: ik kende al het woord voor kat (חתול chatoel). Het woord voor luier is (חיתול chitoel). Het heeft niets met elkaar te maken, doch de klank van de woorden lijkt op elkaar, waardoor ik het nieuwe woord beter kan onthouden.

Het Hebreeuws heeft een uitgekiend systeem om van werkwoorden zelfstandige naamwoorden te maken, wat trouwens ook in het Nederlands kan: “ontmoeten” leidt tot “ontmoeting”. Op dezelfde manier kan je in het Hebreeuws van ontmoeten, lifgosj (לפגוש), volgens een vaste regel pgisja (פגישה) maken. Helaas barst het van de uitzonderingen. Plus dat de regel voor de omzetting afhankelijk is van de groep waarin het werkwoord thuishoort en daar zijn er enkele van (samen vormen ze de binjanim ofwel het bouwwerk). Als je de regel kent, kan je bijvoorbeeld van het woord inenting (חיסון chisoen) een werkwoord maken: לחסן (lechaseen) is inenten. Of andersom.
Het werkwoord lechaseen hoort bij een andere groep dan lifgosj. In het Nederlands heb je net zoiets: monteren leidt tot montage, een ander soort afleiding dan bij “ontmoeting”.

Het leren van het Hebreeuws vinden we allebei best leuk, al gaat het moeizaam én op kruipsnelheid. Het leren is echter geen doel op zich, we leren de taal natuurlijk om die te gebruiken in het dagelijks leven.

Dankzij mijn handigheid met Internet is het geen probleem geld over te maken voor diverse energierekeningen, de gemeentelijke belasting, de autovergunning en meer van dat soort zaken. In Israël is dat allemaal geautomatiseerd, zij het anders dan in Nederland. Hebreeuwse websites met belangrijke informatie, zoals de website van onze bank, vertalen we met Google Translate. Afspraken maken met de huisarts of andere artsen doen we via Internet. Hebreeuwse brieven, berichten via e-mail en dergelijke over belangrijke zaken ontcijferen we ook op die manier. Google Translate is onmisbaar voor ons, al zijn de vertalingen vaak niet om over naar huis te schrijven. Met enige kennis van het Hebreeuws lukt het veelal toch de juiste betekenis te ontdekken. Zo niet, dan zijn er nog altijd de Israëlische schoonzonen of kennissen! En als je ergens persoonlijk langs gaat, wordt je altijd goed geholpen, zelfs in het Engels, is onze ervaring tot nog toe.

Er zijn gelukkig ook digitale woordenboeken via de iPhone te raadplegen. Meesjouwen van dikke fysieke woordenboeken is eigenlijk onmogelijk als je op stap bent. Regelmatig maak ik een foto van een Hebreeuwse tekst (zoals van producten in de supermarkt of op een reclamezuil) met de iPhone om de foto vervolgens in de vertaler te stoppen. Ook Hebreeuwse krantenkoppen kan je op die manier tot leven wekken in het Nederlands of Engels. Berichten uit kranten als Ha’aretz of Yediot Achronot, die op het scherm van mijn iPhone verschijnen, lenen zich voor dezelfde bewerking. En zowaar, het komt ook steeds vaker voor dat een tekst of krantenkop aardig te volgen is (artikelen lezen is nog veel te vermoeiend). Dat geeft een heel goed gevoel. Daar doen we het voor.

Het spannendst is het voeren (nou ja, voeren …) van telefoongesprekken in het Hebreeuws, want alle helpdesks die ik tot nog toe aan de lijn had, weigeren Engels te spreken. Met gespitste oren probeerde ik kort geleden het Hebreeuws te ontrafelen van een vriendelijke dame van Pazgas, het nutsbedrijf voor gasvoorziening, die me belde. Af en toe hakkelde ik wat terug. Pazgas had iets twee keer afgeschreven van onze bankrekening door een onhandigheid mijnerzijds en ik had om terugbetaling verzocht (een mailtje sturen in het Hebreeuws gaat beter want dan heb je de tijd om na te denken en dingen op te zoeken). Die dame maakte me duidelijk dat het zou worden teruggestort, maakte ik uit haar woorden op. Heel netjes dat ze belde vanwege mijn mailtje; ik heb haar beleefd bedankt. En ja hoor, ruim een week later kwam de betaling retour.

Zo slaan we ons door het Israëlische leven heen als steeds beter geoefende analfabeten, want dat zijn we. Elke dag leren we woordjes (vooral uit My Dictionary for Children) en steeds meer werkwoorden, en we proberen vaker in het Hebreeuws te converseren (dus luisteren én spreken). Het is een soort van communistisch meerjarenplan, hopelijk wordt het nog wat met ons Hebreeuws in de toekomst.

Delen |

vrijdag 10 november 2017

Over de gastcolumnist

Karen de Jager (1957) is werkzaam als strategisch adviseur en woordvoerder voor (non-profit) organisaties. Daarnaast werkt ze als journalist, onder andere voor het NIW en het Nationaal Comité 4 en 5 mei.

Voor wie deed ik het? Misschien wel voor mezelf. Ik was zó boos dat het Nederlandse Rode Kruis van leer trok wanneer een bekende Joodse Nederlander liet weten geen cent aan het Rode Kruis te geven. Dat ze geen idee hadden waar deze reactie vandaan kwam en het ook niet wilden weten. Dat zat me dwars. En degenen die mij kennen, weten dat ik in dat geval het onderste uit de kan haal. Iedereen bij het Nederlandse Rode Kruis moest en zou weten hoe de vork aan de steel zat.

En zo begon mijn persoonlijke kruistocht. De eerste jaren, onder directeur Jan Post, kreeg ik niemand voor mijn karretje gespannen. Tot januari 2005. Een nieuwe directeur, murw van zijn recente bezoek aan Sri Lanka, direct na de tsunami, met gruwelijke beelden en de geur van de doden nog vers in zijn geheugen, is op weg naar de landelijke hulpactie. Ik ben zijn persvoorlichter. In de coulissen lopen we Frits Barend tegen het lijf. Hij is blij me te zien en roept “Wat doe jij hier?” Dit was mijn kans. Op Frits’ reflexen kun je rekenen. Ik draai me om en zeg: “Ik ben hier met mijn nieuwe baas, Cees Breederveld, de directeur van het Rode Kruis …” Frits steekt zijn hand uit en trekt die direct weer terug. “Dat zijn toch allemaal antisemieten.” Hij draait zich om en loopt weg. Ik kijk opzij. Cees Breederveld ziet lijkbleek. “Gaat het een beetje?” vraag ik. Ben ik te ver gegaan?

Misschien wel. Maar het heeft wel gewerkt. Cees Breederveld wilde weten waar dit vandaan kwam. Het was het begin van een lange weg van bewustwording binnen het Rode Kruis. Een weg met hindernissen. Directeur en management gingen op cursus in het Joods Historisch Museum, een cursusdag georganiseerd door Crescas. Ze kregen geschiedenisles, ontmoetten overlevenden van de Sjoa, keken kritisch naar de keuzes die ze nu maakten. Hadden ze wel oog voor alle groepen in de samenleving? Het bestuur werd bij het traject betrokken en langzaam maar zeker ontstond het gevoel dat er wat moest gebeuren. Het Nederlandse Rode Kruis zou over niet al te lange tijd zijn 150-jarig bestaan vieren, de hoogste tijd voor reflectie. Hoe kon het gebeuren dat het Nederlandse Rode Kruis een groep die door iedereen in de steek was gelaten, zo had genegeerd. Het NRK wilde iets doen richting de Nederlands-Joodse bevolking. Maar niet iets waar de Nederlandse Joden niet op zaten te wachten.

Op verzoek van de directie ben ik ‘Joods Nederland’ langs gegaan. Officiële instanties, particulieren, nabestaanden … Aan iedereen vroeg ik: “wat zouden jullie willen dat het Rode Kruis zou doen?” En we kregen drie opdrachten mee voor directie en bestuur: ken je geschiedenis, maak die bekend in de nationale media en doe er wat mee.
Dat is nu vier jaar geleden. In de afgelopen vier jaar heeft het Rode Kruis het NIOD de opdracht verstrekt een breed onderzoek uit te voeren naar het functioneren van het NRK tijdens de Tweede Wereldoorlog. De nieuwe directeur, Gijs de Vries, committeerde zich aan de opdracht die het Rode Kruis zich had gesteld om kennis te nemen van wat de Nederlandse Joden is overkomen. Bestuur en directeur bezochten Auschwitz en spraken daar ook met overlevenden uit de kampen. Ze lazen het onderzoek, en waren er ziek van. En ze besloten dat er maar één reactie mogelijk was. Excuses, onomwonden. Niet met de verwachting dat daarmee alle boosheid en verdriet zou kunnen worden weggenomen. Wel om te laten zien dat de Rode-Kruisorganisatie waar zij voor staan, dit nooit had mogen laten gebeuren. Dat hun Rode Kruis er voor iedereen moet zijn. Ook als het moeilijk is. Juist als het moeilijk is.

En ze gaan de confrontatie aan. In de landelijke pers. In een besloten bijeenkomst met nabestaanden. Tijdens de publieke presentatie in De Balie die voor iedereen toegankelijk was. En volgend jaar in Israël tijdens een aantal bijeenkomsten die worden georganiseerd in samenwerking met Irgoen Oleh Holland.
Ik ben trots op mijn Rode Kruis dat de moed had dit traject te kiezen, te doorlopen en te doorleven. Wat dat voor hen heeft betekend, klinkt door in de speech van voorzitter Inge Brakman en werd gehoord en gevoeld door de tweehonderd aanwezigen in een doodstille zaal in De Balie.

De publieke presentatie is in zijn geheel te zien op het tv-kanaal van De Balie. Let op: de presentatie begint rond minuut vier.

Delen |

vrijdag 20 oktober 2017

Over de gastcolumnist

Harry Polak (1947), psycholoog, was tot zijn pensionering kwaliteitsadviseur in de geestelijke gezondheidszorg. Als voorzitter van de dialoogcommissie van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam was hij een belangrijke en graag geziene bruggenbouwer. In maart 2016 maakten Harry en zijn vrouw alija. Ze wonen nu in Herzliya.

Regelmatig krijgen we vrienden langs uit Nederland. Ze willen ‘live’ van ons horen hoe het met ons gaat. Vaak zijn ze ook nieuwsgierig hoe we wonen. In het laatste geval spreken we bij ons thuis af. Anders ontmoeten we elkaar op een terras in Tel Aviv of Herzliya.

De eerste keer dat er een goede vriendin bij ons op bezoek kwam, was de container met onze spullen nog niet eens uit Nederland gearriveerd. Ons huis was nog leeg. Op een tafeltje en twee stoeltjes na. De koelkast was wel besteld, maar nog niet afgeleverd. Ze was er dus heel snel bij. Later heeft ze ons opnieuw opgezocht, samen met haar echtgenoot. Ze kon toen zien dat we er heel wat gezelliger bij zaten tussen onze vertrouwde bank, eettafel, stoelen, boekenkasten, enzovoort.

Op een keer vroeg iemand ons: “Voelen jullie je nu écht thuis in Israël?” Die vraag verraste me. Ik merkte dat ik niet ronduit “ja” kon zeggen. We voelen ons zeker helemaal thuis in ons eigen huis. Dat is vertrouwd en een soort Nederlandse enclave. Daar kunnen we doen en laten wat we willen. Wat we dagelijks nodig hebben, is binnen handbereik. In de buurt voelen we ons inmiddels ook aardig thuis. Maar hoe verder we van huis komen, hoe minder vertrouwd het aanvoelt. Dat heeft vooral te maken met de taalbarrière. En met nog wat onbekendheid met het landschap en de natuur. Dat laatste wordt steeds minder naarmate we meer tochtjes maken. We kenden het land eigenlijk al heel behoorlijk voordat we hier kwamen wonen, want we hebben van noord naar zuid en van west naar oost rondgereden.

Gan Rasjal, zoals de wijk heet waar we ons domicilie hebben gevonden, is dus al min of meer het verlengde van ons huis geworden. Bijna net zoals de Concertgebouwbuurt, waar we ruim 35 jaar hebben gewoond, óns buurtje was. We kennen hier lang niet alle buren, maar dat was in Amsterdam net zo min het geval. Er zijn inmiddels buren verhuisd, aan wie we enigszins gewend waren geraakt. Zoals de buren op onze eigen verdieping. De man, Chaim, sprak redelijk Engels en hij heeft ons af en toe wegwijs gemaakt, meestal omdat hij vond dat we een soort correctie nodig hadden. Toen we bijvoorbeeld onze elektrische fietsen wilden stallen in het trappenhuis, maakte hij ons direct duidelijk dat zoiets niet op prijs werd gesteld. In het portiek naast ons staan wél fietsen in het trappenhuis. De voordeur van dat portiek kan worden afgesloten met een cijferslot. Dat gaat niet op bij onze voordeur, die bovendien veelal open staat. Onze vroegere buurman wist ons er om die reden van te overtuigen onze fietsen maar op ons balkon te zetten, anders zouden ze wel eens snel verdwenen kunnen zijn. Israël is niet alleen het land van Talmoedgeleerden, maar net zo goed van ordinaire fietsendieven. Net Amsterdam, wat dat betreft.

Onlangs werden we door één van de bovenburen uitgenodigd. Die mensen waren altijd al vriendelijk tegen ons. Ik weet nog goed dat ze ons wat lekkers kwamen brengen toen we hier nog amper woonden. Het was Poeriem en dan is het een goede gewoonte elkaar wat eten of iets lekkers te sturen (misjloach manot). Daar stonden ze opeens voor onze ingang: oma, dochter en kleinzoon. De dochter sprak goed Engels en voerde het woord. We werden welkom geheten en de drie nieuwsgierige Israëli’s hoorden van ons dat we nieuwe immigranten (oliem chadasjiem) uit Holland waren. Helaas konden we hen nog niet binnen uitnodigen, want we hadden nog nauwelijks iets om op te zitten.

Later hebben we hen iets lekkers gegeven, nadat we terug waren van een uitstapje naar Amsterdam. Pepernoten. Het was december. Kan het Hollandser? Het bleek dat de dochter Amsterdam kende, omdat ze daar pas was geweest met haar eigen, oudere dochter. Het was gelukkig goed bevallen. Ze bewaarden goede herinneringen aan de hoofdstad van Nederland. Dat geldt voor veel Israëli’s.

De oma was degene die ons naar boven had uitgenodigd. Ze deed dat toen ze mijn vrouw een keer op de trap tegenkwam. Mijn vrouw was vergezeld door onze jongste dochter, die in Tel Aviv woont. De oma, ze heet Tamar, net als onze jongste, spreekt alleen Hebreeuws. Onze dochter kon echter tolken. Ze vertelde naderhand dat de man van oma, toen ze even later de trap opliepen, zei: “Maar ze spreekt alleen Engels!” (Aval hie rak medaberet angliet!)

We zagen wel wat op tegen het burenbezoek. Ondanks de complimenten die ik kreeg van de dochter van oma Tamar met wie ik steeds probeer Hebreeuws te praten, hoewel zij goed Engels spreekt. Een paar van tevoren ingestudeerde zinnen krijg ik er vrij redelijk uit. Het probleem begint pas als er iets wordt terug gezegd. En vooral als je iets dieper wilt dan de gebruikelijke plichtplegingen.

Toch is het bezoek aan de bovenburen goed bevallen. Het bleek dat de echtgenoot van oma Tamar Engels spreekt, al deed hij volop mee aan de Hebreeuwse conversatie van zijn vrouw met ons en liet hij zijn Engels voor wat het was. Hij is geboren in Irak en kwam op zijn achtste te voet naar Israël. Hij heeft niet de hele weg lopend afgelegd, want op enig moment namen ze het vliegtuig. Hij kwam alleen naar Israël, zijn familie kwam pas een jaar later. Zijn vrouw is van Hongaarse origine. Ze is in Israël geboren, doch haar beide ouders zijn in Hongarije ter wereld gekomen.

Zo hebben we wel meer uitgewisseld. Veelal in simpel Hebreeuws, soms aangevuld met wat Engels. Ze spraken niet al te snel en gebruikten geen ingewikkelde woorden. Van tijd tot tijd werd het gesprokene aangevuld met handgebaren om iets duidelijk te maken. Bijvoorbeeld toen het ging over de bouwplannen in de buurt. Het gemeentebestuur wil hele hoge torenflats neerzetten (dat hadden we eerder al gelezen in een aankondiging van een buurtdemonstratie), dus het woord “binjaniem” (gebouwen) ging gepaard met flinke handgebaren de hoogte in.

Het bezoek aan de vriendelijke bovenburen die ons uitvoerig bedankten dat we langskwamen (toda rabba she batem) drukte ons weer met de neus op de feiten: je woont niet alleen in een land, je woont ook als het ware in een taal. Of in ieder geval in een taalgemeenschap.

Met Nederlanders delen we de taal en in ruime mate de Nederlandse cultuur. Met Israëli’s delen we eveneens de cultuur maar dan vooral de Joodse cultuur, in ieder geval de religie. Plus dat we met onze nieuwe landgenoten de afkomst of origine gemeen hebben (hoe ruim die ook is), want Joden zijn op de keper beschouwd geen oorspronkelijke Nederlanders. Hier hoef je niks uit te leggen hoe het voelt om in een Joods land te wonen en hoe belangrijk het is dat Joden (weer) een eigen land hebben. In Nederland is dat iets dat door Joden moet worden uitgelegd, en zelfs steeds meer moet worden verdedigd.

Het is echter iets dat je niet mooier moet maken dan het is. Er zijn Joden aan wie je helaas ook duidelijk moet maken dat Israël van belang is als achterland voor Joden daarbuiten. Zonder dit land zou het Joodse zelfbeeld niet zijn wat het is nu is. Het is een land om trots op te zijn (zie wat er is bereikt) en óók om je van tijd tot tijd voor te schamen. Maar het land is er. Al bijna zeventig jaar. Nog steeds geen vanzelfsprekendheid, zoals Nederland veel meer is. Al is daar ook steeds meer sprake van discussies, soms zeer fel, over wat Nederland nu eigenlijk is of zou moeten zijn. En: van wie en voor wie.

Een internationale wereldorde zonder autonome staten en het daarmee vaak gepaarde gaande nationalisme is nog ver weg. Misschien komt het er nooit van, omdat mensen niet in staat zijn over de verschillen heen te stappen die er nu eenmaal zijn tussen mensen. Huidskleur, religie, taal. Het schept onderlinge banden én onderlinge afstanden. Joden zijn daarin niet anders dan anderen, al hebben ze daar wel meer dan menig ander volk de gevolgen van ondervonden. Daarom is Israël er gekomen. Op de plek waar het hoort te zijn. Al hadden anderen (de Arabieren dus) daar na de verdrijving van de Joden door de Romeinen later hun plek veroverd. Op zichzelf moet er uit te komen zijn van en voor wie dit land is, als je wil. Waar een wil is, is een weg. Als je het wil, is het geen droom!

Nog even terug: voelen we ons nou echt helemaal thuis in Israël? Blijkbaar tot nog toe wel, want anders waren we alweer terug gegaan. Ons verblijf hier laat zich misschien nog het beste omschrijven als een eindeloze vakantie. Niet dat we elke dag zitten te niksen en alleen maar zitten te recreëren op het strand of waar dan ook; integendeel, we zijn druk met van alles. Een paar keer per week naar taalles, op de kleinkinderen passen, af en toe uitgaan en uitstapjes maken. Plus de gewone dingen die bij het leven horen, zoals het huis schoonmaken, boodschappen doen, naar de tandarts, naar instanties om zaken te regelen en noem maar op. Werken hoeven we niet meer als pensionado’s. Dat is een grote luxe en versterkt het vakantiegevoel. Net als het meestal mooie weer. Anders dan vroeger hoeven we niet terug naar Nederland omdat het erop zit. We kunnen blijven. In het ‘vakantieland’ waarvan de taal nog veel te weinig beheersen, in een soort Nederlandse bubbel, maar wel met het warme gevoel dat dit land ons op het lijf is geschreven.

Delen |
jan 2018Winkelsluitingswet
dec 2017Witgoed
nov 2017Geoefende analfabeten
nov 2017Eindelijk
okt 2017Thuis
okt 2017Israël. Hoe kun je dáár nou gaan wonen?
sep 2017Op en neer naar Nederland
sep 2017In memoriam Rob Boerboom
aug 2017Hollanders ‘in den vreemde’
jun 2017Israël op zijn smalst
jun 2017Joodse geschiedenis van Gouda
mei 2017Staaroperatie in het Assutaziekenhuis
apr 2017Stemmen vanuit Israël
mrt 2017Een jaartje verder
mrt 2017Midden-Oostenpolitiek uit 1001 nacht
jan 2017Oelpan
jan 2017Nieuwsbriefredactrice Raya Lichansky 70
jan 2017Oude mannen en een dood paard
okt 2016Tweedehands of nieuw?
sep 2016Op zoek naar een auto
sep 2016Zachte landing
aug 2016Klein maar springlevend
aug 2016Het verkorte rijexamen (mivchan hamara = conversietest)
aug 2016Dubbelleven
jul 2016Mea (100)
jul 2016Nola
jun 2016Henriette Boas, vriendin en huisgast
jun 2016Cultuur
jun 2016Misrad Harishui (ministerie van Vergunningen)
mei 2016Antizionisme
mei 2016Geduld
mei 2016Zeg eens A(lef)
apr 2016Liften of niet?
apr 2016Een hele belasting
mrt 2016Alija
jan 2016Zondebok
dec 2015Wie is er bang voor Spinoza?
nov 2015Om toch
nov 2015Ahmad Dawabsheh blijft alleen
okt 2015Stilte in Joods Nederland
sep 2015Vluchtelingen: ruimhartig en meedogenloos
sep 2015Godgeklaagd
jul 2015I'm a European Jew - and No, I'm Not Leaving
mei 2015Culturele boycot Israël verzwakt de oppositie
mei 2015Boedapest
apr 2015Krakow
apr 2015Praag
mrt 2015Samen optrekken tegen jodenhaat en islamhaat
dec 2014Han Hollander (1886-1943), sportverslaggever
jul 2014Joden, Moslims, vooroordelen en Maison de Bonneterie
jun 2014De handel en wandel van de boekenjood
mei 2014Biografie van Esther de Boer–van Rijk
apr 2014Anne
apr 2014Inclusief of exclusief
apr 2014Het verrassende Egypte van vóór de Uittocht
feb 2014Op school
feb 2014Nieuw boek van Pauline Micheels: 'Vandaag'
feb 2014Allemaal hadden ze een naam
jan 2014Nooit meer Auschwitz
jan 2014Heruitgave van ‘De Samaritanen’
nov 2013Ariëlla Kornmehls 'Wat ik moest verzwijgen’
nov 2013Dialoog tussen Joden en Marokkanen of Turken
nov 2013Fietsen voor Alyn
nov 2013Limmoed en het orthodoxe fiasco
aug 2013Lemberg
jul 2013Joods Gouda
jul 2013Slavernij
jun 2013Een boek over rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog
jun 2013Lili, een boek dat geschreven mòest worden
mei 2013Hannah heet ik - Hannah Cohen
apr 2013Het kwaad van de banaliteit: Margarethe von Trotta's film Hannah Arendt
apr 2013Toespraak tijdens Jom Hasjoa-herdenking, 7 april 2013