inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Stefan Zweig en Joseph Roth, twee vrienden

Lezing van Leo Frijda

Onderstaande tekst is een samenvatting van een lezing die Leo Frijda in maart en oktober 2013 voor Crescas heeft gegeven.

De briefwisseling tussen Zweig en Roth begint op 8 september 1927, nadat Zweig zich vriendelijke had uitgelaten over Roth’s ‘Judenbuch’, Juden auf Wanderschaft, en loopt door tot eind 1938.

Zweig en Roth hadden veel gemeen. Hun jodendom, hun afkomst uit de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Het verlies ook van die wereld van gisteren en de pijn om emigratie en vervolging. Daarnaast hun leven als bohemien; ze hielden van reizen en van vrouwen.

Maar ze waren ook verschillend, Roth kwam uit een kleinburgerlijk Joods milieu uit Galicië, Zweig uit een rijk Weens milieu. Roth leidde een zwervend bestaan en leefde in hotels. Zweig vinden we terug in een mooi huis in de heuvels boven Salzburg.

Als – wat toen werd genoemd – geassimileerde Joden verloochenden ze hun jodendom niet al gingen ze niet regelmatig naar de synagoge. We zullen echter zien dat voor beiden het jodendom door de omstandigheden van de tijd toch steeds een belangrijke rol is blijven spelen, ook in hun boeken.

De briefwisseling is enigszins uit het lood. Meer brieven van Roth zijn bewaard gebleven dan van Zweig. Dat komt door het rommelige bestaan van Roth die geen archief bijhield en de brieven van Zweig niet heeft bewaard.
Maar de briefwisseling is, zullen we zien, om meer redenen niet evenwichtig.

Zweig was in zijn brieven nog terughoudender dan Roth. Roth noemt Zweig in één van de brieven ‘gesloten als een mossel’.
Voor de onevenwichtigheid is echter, denk ik, het belangrijkste dat de successchrijver Zweig, 13 jaar ouder dan Roth, in de loop van de tijd steeds meer de helpende en zelfs belerende vriend wordt en Roth, die veel drinkt en geld nodig heeft, steeds meer de vragende en klagende. Dat is natuurlijk geen gelijkwaardige rolverdeling. Om daarop vooruit te lopen een voorbeeld uit een brief van Roth aan Zweig:

Sie haben die Gnade der Vernunft und ich die des Unglücks. Geben Sie mir keine Ratschläge mehr, helfen Sie mir, oder handeln Sie für mich. Ich gehe unter.
U hebt de genade van het verstand en ik die van het ongeluk. Alsjeblieft geen adviezen meer, maar help me of doe iets voor me. Ik ga ten onder.

Toch breekt in de briefwisseling regelmatig ook een andere toon door. Roth doorziet als geen ander wat er in zijn tijd gebeurt, vooral na 1933. Roth analyseert vaak scherp wat er aan de hand is en wat er dreigt en de toon van zijn brieven is dan ineens opvallend helder. Daardoor is de briefwisseling meer dan een louter persoonlijke correspondentie.
Buiten kijf staat dat zij vrienden waren.

Om dat te laten zien heb ik twee vrij willekeurige aanhalingen gekozen, (i) van Zweig na het overlijden van Roth en (ii) de opdracht die Roth schreef in zijn aan Zweig gegeven exemplaar van zijn boek Job.

(i) Ich habe ihn wie einen Brüder geliebt.
Ik heb van hem als van een broer gehouden.
(ii) Stefan Zweig, dem ich den Hiob zu verdanken habe – und mehr als überhaupt ein Buch bedeuten kann – soviel, wie eine Freundschaft bedeutet: möge dieses Exemplar als geringen Gruss annehmen und behalten.
Stefan Zweig, aan wie ik dit boek Job te danken heb – en meer dan dit boek en ook meer dan een boek überhaupt waard is – namelijk zoveel als echte vriendschap betekent: moge Stefan Zweig dit exemplaar van Job dus als een kleine groet aannemen en bewaren.

Uitgaande van die vriendschap is het wel erg verwonderlijk dat Zweig geen woord aan Roth wijdt in zijn boek De wereld van gisteren. Hoezo vrienden?
Er staat echter ook geen woord in De wereld van gisteren over de beide echtgenoten van Zweig. Zweig liet in zijn herinneringsboek de meer persoonlijke kanten van zijn bestaan buiten beeld. De wereld van gisteren begint dan ook zo: ‘Ik schrijf niet over mijn lot maar over de wereld van gisteren’.
Toch blijft het knagen. In een rij namen van ‘vrienden’ noemt Zweig o.a. Thomas Mann, Arthur Schnitzler, Jakob Wassermann, maar ontbreekt Joseph Roth.
En als Zweig de boekverbranding van 1933 bespreekt, schrijft hij:

… dat ik dit lot van een volkomen vernietigen van een literair bestaan in Duitsland mocht delen met zulke eminente tijdgenoten als (en dan volgt weer een rij namen beginnend met Thomas Mann) en vele anderen wier werk ik van veel groter belang vind dan het mijne, heb ik eerder als een eer dan als een schande ervaren.

Weer ontbreekt Roth. Toch staat vast dat Zweig Roth als schrijver zeer bewonderde. Hij vond Roth een groot schrijver, groter dan hijzelf. Andersom was de appreciatie misschien minder als we een andere vriend van Roth, Soma Morgenstern, mogen geloven. Roth zou zich ook wel eens minder vleiend over Zweig hebben uitgelaten.
Er is een foto waarop Zweig en Roth samen te zien zijn, genomen in Oostende, zomer 1936:

Je hebt de neiging om de foto wat langer te bestuderen en daaruit af te leiden hoe Zweig en Roth met elkaar omgingen. Mark Schaevers, die een boekje heeft geschreven over Oostende, de zomer van 1936, houdt een slag om de arm maar merkt toch op: ‘In de blik van Zweig (…) valt gemakkelijk een mengeling van bezorgdheid en bewondering ten overstaan van Roth te lezen. In de blik van Roth gelatenheid, gereserveerdheid, onbereikbaarheid’. Niet onaardig, want in de briefwisseling vind je bij Zweig die mengeling van bezorgdheid en bewondering terug. Roth staat de laatste jaren van zijn leven altijd zo op foto’s, gereserveerd en in zichzelf gekeerd. Pijnlijk is dat Roth de jongere van de twee schrijvers is. In 1936 was hij al door teveel alcoholgebruik, zo zullen we nog zien, lichamelijk afgetakeld.

In het nawoord op de briefwisseling tussen Zweig en Roth schrijft Heinz Lunzer over:

Die Gemeinsamkeit des Jude-Seins als elementarer, tragender Aspekt der Freundschaft und des Briefwechsels, die das Entstehen von Vertrauen erst möglich machte.
De gezamenlijke Joodse achtergrond dus als het meest essentiële aspect van hun vriendschap en van de briefwisseling. Die gezamenlijke achtergrond maakt onderling vertrouwen eerst mogelijk.

Dat lijkt me juist en vooral daarop ga ik inhet deze lezing dieper in.

Für die Juden was das alte Galizien ein Paradies auf Erden, dank dem Kaiser Franz Joseph.
Voor de Joden was het oude Galicië, waar Roth vandaan kwam, een paradijs op aarde.

Roth aan Zweig:

Al mijn literaire en menselijke kwaliteiten zijn oud-Oostenrijks. Wat ik het sterkst heb ervaren, was de Eerste Wereldoorlog en de ondergang van mijn vaderland, het enige dat ik ooit heb gekend: de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie.

Joseph Roth, ik citeer zijn biograaf, ‘heeft misschien het duidelijkst van alle schrijvers begrepen wat de betekenis was van het uiteenvallen van de Dubbelmonarchie. Kleine staten kwamen tot stand met het daarbij horende nationalisme en dat leidde uiteindelijk tot het nationaalsocialisme en tot de Tweede Wereldoorlog’.

Een centraal thema in het werk van Roth.

Ook Zweig uit zich hierover in De wereld van gisteren:

Nooit heb ik meer van onze oude aarde gehouden dan in die laatste jaren voor de Eerste Wereldoorlog, nooit meer gehoopt op een vereniging van Europa, nooit meer geloofd in zijn toekomst dan in die tijd dat wij dachten een nieuw morgenrood te ontwaren.

Het was, schrijft Zweig zelfs, de gouden eeuw van de zekerheid.
En ook Zweig noemt het nationalisme, de ‘oerpest die de bloei van onze Europese cultuur heeft vergiftigd’. In 1920 schreef hij al: ‘Ik zie het als een Joodse opdracht om in de politiek het nationalisme geen kans te geven’.

Roth en Zweig, zo kan worden samengevat, zijn allebei tegen nationale staten. Maar daarbij kijkt Zweig, de Europeaan, zoals de ondertitel van de Wereld van gisteren luidt, meer naar het westen en Roth vooral naar het oosten. Dat ligt aan het verschil in geboorteplaats, al lagen beide geboorteplaatsen in Oostenrijk-Hongarije. Eerst meer over Zweig.

Zweig is 28 november 1881 in Wenen geboren. Zweig was een zoon van het gegoede Joodse burgerdom. Zijn vader, Moritz Zweig, was rijk geworden in de textielindustrie. Zijn moeder, Ida Brettauer, lid van een grote Joodse bankiersfamilie.

Aan het huis waar Zweig is opgegroeid (niet zijn geboortehuis) kan je zien hoe welvarend de familie was. Het ontbrak hen aan niets.
Dat men Joods was, werd noch verloochend noch erg geaccentueerd.
Voor Zweig was het jodendom iets vanzelfsprekends, in zijn eigen woorden: ‘ebenso wie ich meinen Herzschlag fühle, wenn ich daran denke, und ihn nicht fühle, wenn ich nicht daran denke’.
Jodendom dus als de hartslag, iets vanzelfsprekends. Je voelt de hartslag wel als je er aan denkt maar niet wanneer je er niet aan denkt. Dat laatste zal in de loop van de tijd wel anders worden.
Maar in het Wenen van vóór de Eerste Wereldoorlog heeft Zweig persoonlijk kennelijk weinig last gehad van antisemitisme. ‘Ik moet bekennen’, tekent hij op in De wereld van gisteren, ‘dat ik noch op school, noch op de universiteit, noch in de letteren ooit maar de minste tegenwerking of geringschatting heb meegemaakt als Jood’.
Dat is wel opvallend, gelet op de antisemitische burgemeester van Wenen Karl Lueger (1897-1910) die overigens niet in de smaak viel van Franz Joseph die het antisemitisme, in de eigen woorden van Zweig, verafschuwde.

De eerste schreden op het schrijverspad lopen vanaf 1902 via Herzl en de Neue Freise Presse waarvan Herzl redacteur was. En Zweig is reislustig, hij gaat naar Berlijn, naar Parijs. Hij is in Engeland en in Italië. Hij ontmoet bekende persoonlijkheden en andere schrijvers. En op een avond in juli 1907 treffen Walther Rathenau en Stefan Zweig elkaar in Berlijn. Ze praten lang over literatuur en politiek en Rathenau geeft Zweig het advies verre reizen te maken, naar India of naar Amerika. Deze wat terloops gemaakte opmerking maakte zoveel indruk op Zweig dat hij vrijwel onmiddellijk naar India is afgereisd.
Of Rathenau en Zweig in 1907 ook over Joodse onderwerpen hebben gesproken, is niet bekend. Ze kenden allebei Herzl persoonlijk en Der Judenstaat was toen al verschenen. Het is dus denkbaar dat ze daarover van gedachten hebben gewisseld. En dan zouden ze het eens zijn geweest want in het zionisme zagen ze allebei niets. De Europeaan Zweig heeft zich, ik zei het al eerder, altijd verzet tegen nationalistische opvattingen. Joden moeten universeel en kosmopolitisch zijn, een eigen staat is een dwaalweg, zo meende Zweig. Zweig zag niet veel in het idee om ‘in einem arabischen Winkel ein Natiönchen zu werden’. Unser Geist ist Weltgeist, is zijn opvatting. Zweig:

Unser Geist ist Weltgeist. Deshalb sind wir geworden, was wir sind und wenn wir dafür leiden müssen, so ist das unser Schicksal. Es hilft nichts stolz zu sein auf das Judentum oder beschämt – man muss es bekennen wie es ist und auch so leben, wie es eben unser Schicksal ist, nämlich heimatlos im höchsten Sinne.
Unser Geist ist Weltgeist. Dat heeft ons Joden gemaakt tot wat we nu zijn en waarvoor we ons lot moeten dragen. Het helpt niet om trots te zijn op het jodendom of je ervoor te schamen – je moet het nemen zoals het is en leven zoals dat lot van ons vraagt, namelijk heimatlos im höchsten Sinne.

Onthou die laatste woorden, ‘heimatlos im höchsten Sinne’, ze zijn wat mij betreft typerend voor Zweig.

In 1912 ontmoet Zweig de dan nog getrouwde Friderike von Winternitz, die al twee dochters had. Oorspronkelijk uit een Joodse familie, is Friderike katholiek geworden en katholiek getrouwd. Dat zal nog gevolgen hebben voor mijn verhaal over Joseph Roth.
In de Eerste Wereldoorlog vochten ook Joden mee aan de kant van de Oostenrijkers en Duitsers. We kunnen ons nu bijna niet meer voorstellen dat men over het uitbreken van de oorlog in het begin zo enthousiast was, ook de intellectuelen en de schrijvers, ook de Joden.
Bij Zweig, en niet alleen bij hem, slaat dat enthousiasme echter al vlug om in haar tegendeel. Als militair komt hij te werken op het Kriegsarchiv. Ik noem dat omdat hij in het kader daarvan ook naar Galicië is gegaan. Daar met name zal hem de ellende van de oorlog niet ontgaan, in zijn reportages vermeldt hij de lijken en kapotte huizen die hij heeft gezien. Het maakt Zweig definitief tot een pacifist en hij schrijft al in 1916 De legende van de derde duif uit het Noachverhaal, de duif die niet meer terugkeert.

Zweig laat de derde duif na de zondvloed in het verborgene voortleven en uit haar dromen opschrikken. ‘Als eens de wateren, zo overstroomde nu het vuur de wereld … Waarheen zij ook vloog, overal waren deze bliksemschichten, dit gebulder, door mensen ontketend – overal oorlog!’

Maar vooral in zijn anti-oorlogsdrama Jeremias grijpt Zweig terug op een thema uit de Joodse geschiedenis en heel uitdrukkelijk wilde Zweig op de omslag van zijn boek een zevenarmige kandelaar. In zijn anti-oorlogsdrama is Jeremias de ‘man die tevergeefs had gewaarschuwd’. Dit toneelstuk verscheen in 1917, ‘het eerste van al mijn boeken dat voor mezelf waarde had’, noteerde hij later.
In zijn autobiografie schrijft Zweig: ‘Onbewust had ik door een thema uit de bijbel te kiezen iets aangeraakt dat tot dan toe ongebruikt in mij aanwezig was geweest: de in het donker van bloed of traditie gewortelde verbondenheid met het joodse lot.’ Een Joods thema dus zij het in de eerste plaats gebruikt om zich tegen het oorlogsgeweld van die tijd te keren.
De uitvoeringen, 27 oktober 1917 in Zürich en 27 februari 1918 in Wenen, hadden succes. Een citaat:

Die Geschichten des Propheten, der vor dem drohenden Krieg mahnt und dafür Spott, Häme und Verstossung hinnehmen muss, bis sein Volk schliesslich den grausamen Tatsachen in das Auge blickt, traf in der Tat den Nerv des Publikums.
Het verhaal van de profeet Jeremias die waarschuwt voor het oorlogsgeweld en zich daarvoor spot, hatelijkheden en uitstoting moet laten welgevallen, tot dat zijn volk toch de gruwelijke werkelijkheid onder ogen moet zien, dat verhaal raakte bij het publiek een open zenuw.
Huis op de Kapuzinerberg

Als de Eerste Wereldoorlog voorbij is, gaat Zweig terug naar Oostenrijk maar niet naar Wenen. Intussen heeft hij met zijn vrouw een huis gekocht, eigenlijk bijna een kasteeltje, in Salzburg, beter gezegd bij Salzburg want het kon slechts bereikt worden via een steile weg en vanuit het huis keek men over Salzburg. Een uitstekend vertrekpunt naar Europa, schrijft Zweig in De Wereld van Gisteren. Heimatlos im höchsten Sinne is hier ook letterlijk te nemen.
De Kapuzinerberg lag overigens wel heel erg dicht bij Berchtesgaden, met het huis van Hitler, net over de grens. ‘Een weinig vreugdevol en nogal verontrustend nabuurschap’. Maar zo ver zijn we nog niet. Zweig is in 1919 nog optimistisch over de toekomst: ‘Die Hölle lag hinter uns. Was konnte uns noch erschrecken. Ein andere Welt war im Anbeginn’. De hel was voorbij. Een nieuwe wereld begon.

Het worden voor Zweig de jaren van succes al viel de droom eigenlijk al op 24 juni 1922 in duigen door de dood van Rathenau, toen Duits minister van buitenlandse zaken, vermoord door leden van de rechts-extremistische en antisemitische Organisation Consul.

Knallt ab der Walther Rathenau, Die Gottverdammte Judenschau.

Zweig had kort daarvoor Rathenau nog gesproken. De moord greep hem en veel andere Joodse schrijvers aan. ‘Die tragische Episode … mit der das Unglück Europas began’, schreef Zweig. De moord op Rathenau is een cesuur in de geschiedenis. Wegkijken kon niet meer, al drong dat nog niet tot iedereen door.

Niettemin lagen de jaren van succes voor Zweig nog voor hem. Maar nu eerst Roth die zullen we zien, ook over de moord op Rathenau schreef.

Met Roth zal het minder goed gaan als met Zweig. Roth zal nooit in zo’n mooi huis wonen als Zweig. ‘Wir sind alle Bruchstücke, weil wir die Heimat verloren haben’. Wij zijn allen losgeslagen brokstukken van een vaderland dat we hebben verloren, zei Roth. Waar ligt dat vaderland van Roth?

Moses Joseph Roth is geboren 2 september 1894 in Brody, een plaats in Galicië, zo’n 90 km ten oosten van Lemberg (Lwow op de kaart) en vlakbij de Russische grens.
Heinrich Böll heeft later gezegd:

Alle Weisheit des Judentums war in ihm, dessen Humor, dessen bitterer Realismus; alle Trauer Galiziens, alle Grazie und Melancholie Austrias.
Alle wijsheid van het jodendom had Roth in zich, de humor, de bittere werkelijkheid, de treurnis om Galicië, maar ook alle gratie en melancholie van Oostenrijk.

In zijn nog te bespreken essay Juden auf Wanderschaft uit 1927 beschrijft Joseph Roth een kleine stad met 18.000 inwoners van wie 15.000 Joden. Van hen leven 8.000 van de handel, als marskramer, anderen oefenen de meest verschillende beroepen uit. De stad heeft een marktplaats en een station waar eenmaal per dag een trein langskomt. Er zijn twee kerken, een synagoge en 40 kleine gebedshuizen waar men ook de Tora en Talmoed bestudeert. Ontroerend is de beschrijving van de arme Jood die net zo weinig geld heeft als zijn antisemitische vijanden. Maar hij leeft anders. Hij hongert en spaart, want zijn kinderen moeten naar school om onderwijs te volgen en op sjabbesavond eet hij alsof hij welvarend is. Hij speelt de welvarende.

Voor die kleine stad stond Brody model. Brody was in die tijd een overwegend Joodse plaats, met zelfs twee synagogen en 84 gebedshuizen. Habsburg en Brody werden voor Joseph Roth symbolen van een verloren tijd, vastgelegd in zijn boeken, vooral Job uit 1930 en de Radetzkymarsch uit 1932. Maar je vindt Galicië ook terug in zijn andere romans, de laatste jaren bijna allemaal in het Nederlands door Atlas uitgebracht. Die romans bespreek ik niet. Dus laat ik nu al zeggen dat het zonder uitzondering heerlijke vertellingen zijn. Roth is een rasverteller.

Zijn vader heeft Joseph Roth nooit gekend. Hij is weggegaan toen zijn vrouw zwanger was en is in psychische problemen geraakt en niet meer naar huis teruggekeerd. Roth heeft de nodige verzonnen verhalen over zijn vader in omloop gebracht. Zijn vader zou een rabbijn zijn geweest, zijn vader zou een graaf zijn geweest. Voorbeelden van de mythen die Roth steeds over zichzelf in het leven heeft geroepen. Lastig voor zijn latere biografen.

Roth en zijn moeder woonden eerst bij de orthodoxe grootvader Jechiel Grübel. Na diens overlijden ging Roth niet naar het cheider maar naar de Duitstalige en liberaler school van Moritz Hirsch. In Brody vond men het chassidisme en de Haskala naast elkaar. Bar mitswa moet Roth geworden zijn in de meer liberale sjoel. Beide stromingen, de chassidische en de meer liberale, hebben invloed gehad op Roth. Roth is religieuzer opgevoed dan Zweig en wist ook meer van het jodendom.
Na het overlijden van grootvader Jechiel Grübel werden Joseph en zijn moeder financieel ondersteund, in Joodse families gebruikelijk, door een broer van de moeder. Als je naar een foto van Roth kijkt waarop hij ongeveer 11 jaar oud was, zie je al dat de familie niet echt arm moet zijn geweest. Maar waarschijnlijk was de viool een attribuut van de fotograaf, want muzikaal moet Roth niet zijn geweest.

Roth ging in Brody naar het k. und k. Kronprinz Rudolf gymnasium. Het gebouw staat er nog met een plaquette die aan Joseph Roth herinnert.

Gymnasium in Brody
Plaquette

Roth heeft later nogal gekoketteerd met de armoe die hij in Brody zou hebben geleden, ook tegenover Zweig.
Uit een brief van 2 april 1936: ‘Was ein armer kleiner Jude ist, brauchen Sie nicht ausgerechnet mir zu erzählen’. Wat een arme, kleine Jood is, hoef je juist mij niet te vertellen. ‘Seit 1894 bin ich es und mit Stolz. Ein gläubiger Ostjude, aus Radziwillow’. Aus Radziwillow? Zelfs tegenover Zweig verhult hij zijn afkomst. Hij maakt er gebruik van, maar misschien moet je zeggen: misbruik.
Ik citeer een commentator:

Zweig, der reiche Fabrikantensohn und später materiell so überaus erfolgreiche Schriftsteller, hat gegenüber den im Exil Not leidenden Kollegen stets ein schlechtes Gewissen gehabt.
Zweig, de rijke fabrikantenzoon en later ook in materieel opzicht een succesvolle schrijver, bleef altijd een slecht geweten houden tegenover de in ballingschap levende en noodlijdende collega’s.

In 1913 gaat Roth naar de universiteit van Lemberg, de hoofdstad van het toenmalige Galicië. Maar al kort daarna, nog datzelfde jaar, gaat hij naar Wenen om germanistiek te studeren, al weten we niet of hij daadwerkelijk colleges heeft gevolgd.

Stefan Zweig 1912
Joseph Roth 1915

‘In Wien erlebt der in der Provinz aufgewachsene junge Mann erstmals den Rausch der Grossstadt’. De roes van de grote stad dus. Op een foto (uit 1915) zien we hem elegant gekleed. Maar dat was gebruikelijk in die tijd. Een foto van Zweig, eveneens elegant gekleed, heb ik er naast gezet. Maar Roth zal toen Zweig niet hebben ontmoet, Zweig die bovendien steeds op reis was.

1914: ‘Die verführten und belogenen Massen jubeln’. Het geldt ook voor Roth want net als de meeste andere Joden wil hij niet de verdenking op zich laden dat hij geen Oostenrijkse patriot is. Hij meldt zich als vrijwilliger en wordt soldaat. Weer heeft Roth hier verhalen over rondgestrooid die niet op waarheid berusten. Hij was geen officier en evenmin in Russische krijgsgevangenschap geraakt.
November 1918 ‘geht ein Welt unter’.
Roth ontwikkelt zich daarna tot een belangrijk journalist en feuilletonschrijver, ik citeer:

Ein unabhängiger, in der Regel kluger Beobachter der politischen Entwickelungen.
Een onafhankelijk, meestal scherp waarnemer van de politieke ontwikkelingen.

Onder de terechte titel Ich zeigne das Gesicht der Zeit zijn de journalistieke stukken van Roth gebundeld. Roth is dan links en staat bekend als ‘roter Roth’.

Je vindt Roth ook terug in de beroemde Kaffeehäuser van Wenen: Café Rebhuhn, Herrenhof, Central, Museum. Overmatig alcoholgebruik begint, wat verergerd wordt door wat in zijn persoonlijk leven gebeurt.

Café Central
Cafe Herrenhof

5 Maart 1922, huwelijk van Joseph Roth met Friedl Reichler. In de synagoge aan de Paszmanitengasse in Wenen. Die synagoge bestaat vandaag-de-dag niet meer. Roth woonde overigens al sinds 1920 in Berlijn.

Friedl was een ‘bildhübsche Frau’. Soma Morgenstern: ‘Sie sah so aus wie Roth die Tochter Mendel Singers in Hiob beschreibt: eine Gaselle’. Friedl had hetzelfde uiterlijk als de dochter van Mendel Singer in Job: een gazelle. Het zal een tragedie worden. Roth heeft zich dat zeer aangetrokken. Hij voelde zich schuldig, ook omdat hij haar geen huis en rustig bestaan kon bieden.

Er bestaat ook een foto waarop je beiden ziet lopen in Berlijn. Dat geluk brokkelt echter stap voor stap af en in 1929 wordt bij Friedl definitief de diagnose schizofrenie gesteld. Zij wordt daarna blijvend verpleegd in diverse klinieken. In 1940 is zij in het kader van een zogenaamd euthanasieprogramma door de nazi’s vermoord.
Roth begon aan Job in 1929, het jaar dus dat Friedl blijvend in een kliniek werd opgenomen. Dat is dus niet zonder betekenis. Ik citeerde al de opmerking van Morgenstern over de gelijkenis tussen Friedl en de dochter van Mendel Singer die in Job eveneens in een psychiatrische inrichting wordt opgenomen.
Maar Roth’s bestaan als schrijver van verhalen en romans begon al eerder en dateert al uit de tijd dat hij in Berlijn was gaan wonen. In 1923 publiceerde hij zijn eerste roman, Das Spinnennetz, zij het vooralsnog alleen als feuilleton in de krant.
Das Spinnennetz speelt in de eerste jaren van de Weimarer Republiek. Roth toont meteen al in dit boek zijn scherpe en vooruitziende blik.

Mit gutem politischen Gespür stellt sein Autor den mit neuer Heftigkeit wieder aufkeimenden Antisemitismus und den antidemokratischen Geist der ersten deutschen Republik in das Zentrum seiner Geschichte.
Met goed politiek gevoel plaatst Roth het opnieuw heftig oplaaiend antisemitisme en de antidemocratische gezindheid van de eerste Duitse republiek in zijn verhaal centraal.

Rode Joseph Roth woont in die jaren in Berlijn ook het proces van de moordenaars van Rathenau bij en schrijft daarover verschillende artikelen voor de krant. Roth had een vooruitziende blik op de gebeurtenissen in Duitsland. Een typerend citaat over de Organisation Consul:

Diese Menschen lieben das Nationale und meinen das Schiessgewehr; sie arbeiten für die nationale Sache und meinen die Vorbereitung zum Mord …
Deze mensen houden van het nationale en bedoelen het geweer; zij werken voor de nationale zaak en bedoelen de voorbereiding tot moord …

Juden auf Wanderschaft uit 1927 is het ‘Judenbuch’ waarmee de briefwisseling tussen Roth en Zweig een aanvang neemt.
Het is helaas niet vertaald maar er is wel een mooie samenvatting van in het Nederlands. Van Koos van Weringh:

Juden auf Wanderschaft is een uitermate boeiende ‘studie’, waarin getracht wordt de lotgevallen van de Europese joden na de wereldoorlog van 1914-1918 te beschrijven. Roth heeft het dan ook eigenlijk over zijn eigen lotgevallen: geboren in zo’n overwegend Joods stadje, via de Joodse wijk Leopoldstadt in Wenen naar het Oostelijke front en daarna naar Wenen, Berlijn en Parijs. In het westen gevierd als een belangrijk journalist, min of meer geassimileerd, maar met een niet te onderdrukken verlangen naar het verloren land.

Nog een citaat:

Neben dem Roman Hiob ist Juden auf Wanderschaft Roths schönsten Bekenntnis zu seiner jüdischen Herkunft und seiner östlichen Heimat. Der Essay ist eine Liebeserklärung an die jüdischen Menschen.
Naast Job is Juden auf Wanderschaft Roth’s mooiste getuigenis van zijn Joodse afkomst en van zijn vaderland in Oost-Europa. Het boek is een liefdesverklaring aan de Joden.

Roth stelt met dit boek de Oostjoden centraal en rekent af met de opvatting van de geassimileerde Joden in het westen die veelal met verachting neerkijken op hun geloofsgenoten uit het oosten. Voor wie over de verhouding tussen de Joden in het Oosten en het Westen in het begin van de vorige eeuw meer wil weten, is het boek van Roth een must.

Nog maar een citaat. En let op het is 1927!

Dem Ostjuden ist Deutschland immer noch das Land Goethes und Schiller, der deutschen Dichter, die jeder lernbegierige jüdische Jüngling besser kennt als unser hakenkreuzlerischer Gymnasiast.
Voor de Oostjoden is Duitsland nog altijd het land van Goethe en Schiller, van de Duitse schrijvers, die iedere leergierige Joodse jongeling beter kent dan de gymnasiast die tegenwoordig achter het hakenkruis aanloopt.

Over het zionisme toont Roth zich kritisch, wat in het verlengde ligt van zijn afwijzing van nationale staten, bevreesd als hij was dat een Joodse staat veel weg zou hebben van de Europese staten van zijn tijd. Hij begrijpt niet, schrijft hij in Juden auf Wanderschaft, dat de Joden een eigen staat willen in een tijd waarin de hele wereld zich aan patriottische waanzin overgeeft. Over het zionisme schrijft hij:

Leider sind die Chaluzim auch gezwungen zu kämpfen, Soldaten zu sein und das Land gegen die Araber zu verteidigen. Und damit ist das europäische Beispiel nach Palästina übertragen. Der Jude hat ein Recht auf Palästina, nicht, weil er aus diesem Lande kommt, sondern weil ihn kein anderes Land will. Dass der Araber um seine Freiheit fürchtet, ist aber ebenso verständlich, wie der Wille der Juden ehrlich ist, dem Araber ein treuer Nachbar zu sein. Und dennoch wird die Einwanderung der jungen Juden nach Palästina immer an eine Art jüdischen Kreuzzugs erinnern, weil sie leider auch schiessen.
Helaas zijn de chaloetzim ook gedwongen te vechten, om soldaten te zijn, en het land tegen de Arabieren te verdedigen. En daardoor is het Europese voorbeeld naar Palestina overgebracht. De Jood heeft een recht op Palestina, niet omdat hij daarvandaan komt maar alleen omdat geen ander land hem wil. Dat de Arabieren bang zijn hun vrijheid te verliezen, is net zo begrijpelijk als de wens van de Joden een betrouwbare buur te zijn. Toch zal het naar Palestina gaan van jonge Joden altijd als een soort kruistocht worden gezien, omdat ze helaas ook schieten.

Ook Joseph Roth erkent dus in 1927 al dat Joden een recht hebben op Palestina, niet omdat zij daar oorspronkelijk vandaan komen maar omdat geen ander land hen wil hebben. Tien jaar later gaat hij een stap verder en noemt Joseph Roth het zionisme wellicht toch noodzakelijk; zelfs hij, de scepticus, noteert zijn biograaf. De catastrofe was in 1937 nabij. Het gaf Joseph Roth aanleiding een voorwoord te schrijven voor een nieuwe uitgave van Juden auf Wanderschaft waarvan het toen echter niet meer is gekomen. In dat voorwoord merkt Joseph Roth op dat de geassimileerde Duitse Joden het hadden verleerd Joden te zijn, maar, schrijft hij, in deze tijd moeten ze stap voor stap opnieuw hun Joods zijn aanleren. Aan het jodendom kon men zich in 1937 zeker niet meer onttrekken.


We gaan nu weer terug naar Stefan Zweig die in de jaren na de Grote Oorlog steeds meer succes heeft. Met boeken als Fouché (1929) en Marie Antoinette (1932). Die boeken bereikten in het interbellum grote oplagen, in vele talen. Het ging Zweig voor de wind.

Het was – dat wil ik mij dankbaar steeds meer herinneren – voor Europa een naar verhouding rustige tijd, dat decennium van 1924 tot 1933 … Ook reisde ik veel in die tijd … ik was nu in veel landen geen vreemde meer, overal had ik vrienden, uitgevers, een publiek, ik kwam als schrijver van mijn boeken.

Een helaas verloren gegaan schilderij van Frans Masereel toont Stefan Zweig met boek.

In 1929 was de successchrijver Stefan Zweig in een boekhandel in Den Haag om te signeren. Schreef hij ook boeken met een Joods thema?
In 1926 schreef Zweig de legende Rahel rechtet mit Gott, directer nog dan De legende van de derde duif, een Joodse legende. Het was weer eens zo ver, het Joodse volk had haar Verbond met God vergeten en Zijn toorn was zo groot dat zelfs de doden uit hun graven kwamen. Maar God sloeg geen acht op de smeekbeden van de aartsvaders en de profeten. Toen nam Rachel het woord en haar tranen verzachtten de toorn van God.
Uit 1927 is het verhaal Untergang eines Herzens waarin een oude man, Salomonsohn, aan het eind van zijn leven de weg naar de synagoge terugvindt.
Maar er is vooral het ontroerende verhaal Buchmendel uit 1929, een juweeltje.

Dit zijn afbeeldingen van een bibliofiele uitgave van Buchmendel met tekeningen van Kurt Löb.

Jakob Mendel is een kleine Galicische boeksjacheraar. De verteller had hem in het Wenen van vóór de Eerste Wereldoorlog vaak zien zitten in café Gluck, ‘aan het vierkante tafeltje met het grijsvuile, het aldoor met boeken en geschriften overladen marmeren blad … zijn bebrilde blik hypnotisch strak op een boek gericht … zoals hij daar zat en al lezend zoemend en brommend zijn lichaam en zijn slecht gepoetste, vlekkerige kaalkop heen en weer wiegde, een gewoonte meegebracht uit de cheder’. Jakob Mendel leest in opperste concentratie, hij zag en hoorde niets van alles om zich heen. ‘Naast hem lawaaiden en krakeelden de biljartspelers, renden de kelners, rinkelde de telefoon; men schrobde de vloer, men stookte de kachel, hij merkte er niets van.’
Jakob Mendel is ‘een uniek geheugenwonder, een bibliografisch fenomeen, een universele catalogus op twee benen’. Jakob Mendel kan ieder boek voor je vinden. ‘Hij wist van ieder werk, of dat nu gisteren was verschenen of een tweehonderd jaar oud was, op slag precies de plaats van uitgave, de schrijver, de prijs, nieuw en antiquarisch …’
Na de Eerste Wereldoorlog weer in Wenen ziet de verteller dat de plaats aan het vierkante tafeltje met het marmeren blad in café Gluck onbezet is en hij gaat na wat er met Jakob Mendel is gebeurd. Het was niet tot Jakob Mendel doorgedrongen dat het oorlog was en toen hij vanuit Wenen een briefkaart had gestuurd naar een boekhandelaar in Parijs, werd hij ondervraagd. En toen ook nog eens bleek dat hij in een plaatsje in Rusland was geboren, werd Jakob Mendel gearresteerd en naar een concentratiekamp gestuurd. Wat hij ‘daar lijdend doorstond, van zijn hogere en enige boekenwereld afgescheiden … hierover ontbreekt iedere getuigenis’. Na de oorlog teruggekeerd, was ‘Mendel niet meer Mendel, zoals de wereld niet meer de wereld’.
Buchmendel is één van die verhalen over een verloren Joods leven die veel meer zijn dan nostalgie. Ze behoren tot de schatkamer van de Joodse ervaringswereld.

Eén van de bekendste boeken van Stefan Zweig, Marie Antoinette, ik noemde het al, verscheen in 1932 en tijdens de kerstdagen van dat jaar stond het in Duitsland bovenaan op de bestsellerslijst. Van dit boek waren 1 januari 1933 al 50.000 exemplaren verkocht. Het werd snel anders en de omslag kon niet groter zijn. Hitler kwam 30 januari 1933 aan de macht en 10 mei 1933 brandden in Berlijn ook de boeken van Stefan Zweig. Hij kan het nauwelijks geloven:

‘Nicht ein Protest eines deutschen Schrifstellers gegen das Autodafé von Werfel, von Wassermann, von Schnitzler, von mir! Keiner, keiner, keiner! Nicht mal in einem privaten Brief!’
Geen enkel protest van de Duitse schrijvers tegen het publiekelijk verbranden van de boeken van Werfel, van Wassermann, van Schnitzler, van mij! Niemand, niemand, zelfs niet in een persoonlijke brief!

Zweig stuurt Freud een aan hem, Freud, gewijd essay met de bittere opdracht: ‘Dem verehrten Meister im Jahr der Verbrennung sein getreuer Stefan Zweig’. En aan Thomas Mann schreef hij: ‘… die Lüge spannt frech ihre Flügel und die Wahrheit ist vogelfrei; die Kloaken stehen offen und die Menschen atmen ihren Stank wie einen Wohlgeruch’. De leugen spant brutaal haar vleugels en de waarheid is vogelvrij; het riool staat open en de mensen ademen de stank in als ware het een aangename geur.
Al spoedig zal ook Oostenrijk voor Stefan Zweig geen geschikte woonplaats meer zijn, al duurt het nog tot 30 april 1938, kort na de Anschluss, voordat ook in Salzburg zijn boeken worden verbrand. Eén van de studenten zei toen: ‘Im Feuer werf ich das Buch des Juden Stefan Zweig, dass es die Flammen fressen wie alles jüdische Geschreibe’. In het vuur gooi ik het boek van de Jood Zweig, dat het maar door de vlammen wordt verteerd net als al het andere dat Joden hebben geschreven.
Zweig woonde toen al enkele jaren in Londen en had zijn Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam al gepubliceerd. Maar nu lopen we op het verhaal vooruit want ook Roth had intussen zijn successen geboekt.


Job (1930) en Radetzkymarsch (1932). Die boeken bespreken we slechts zijdelings. Als voorbeelden van de daarin voorkomende thema’s heb ik twee andere verhalen gekozen.

In plaats van Radetzkymarsch het verhaal Die Büste des Kaisers uit 1935. Weer een uitgave met tekeningen van Kurt Löb.

Im früheren Ostgalizien, im heutigen Polen, sehr ferne der einzigen Eisenbahnlinie, der Przemysl und Brody verbindet, liegt das Dörfchen Lopatyny, von dem ich im Folgenden eine merkwürdige Geschichte zu erzählen gedenke.
In het vroegere Oost-Galicië, het huidige Polen, ver van de spoorlijn die Przemysl en Brody verbindt, ligt het dorp Lopatyny, waarover ik van plan ben hierna een merkwaardige geschiedenis te vertellen.

Zo begint de rasverteller Roth zijn verhalen vaak.
Een paar jaar voor de grote oorlog logeerde de keizer bij graaf Morstin in Lopatyny. Voor de graaf was de monarchie zijn ‘Heimat. Mann began just damals mit der Nationalität, der Vorstufe zu jener Bestialität, die wir heute erleben’. Eerst toen begon men met het nationalisme, de eerste stap naar de bestialiteit die we tegenwoordig meemaken.
Een jonge beeldhouwer maakt een buste van de keizer die de graaf voor zijn kasteeltje plaatst. Toen de oorlog uitbrak, legde de graaf het beeld in de kelder.
Als de graaf na de oorlog op reis gaat, ontdekt hij tot z’n verbijstering dat hij een pas nodig heeft en visa. Hij merkt tot zijn ongenoegen dat de tijden zijn veranderd en bij zijn terugkeer laat hij de buste van de keizer weer voor zijn kasteeltje plaatsen. ‘Und jeder Jude, der mit seinem Päckchen vorbeizog, murmelte das Gebet, das der fromme Jude zu sagen hat beim Anblick eines Kaisers’. En iedere Jood die gepakt en gezakt langstrok, prevelde het gebed dat de vrome Jood moet zeggen bij de aanblik van de keizer. (Ja, de Joden van Galicië hielden van hun keizer).
Maar als de nieuwe heersers een en ander ontdekken, moet de buste verwijderd worden. Dat gaat zomaar niet:

Der jüdische Thorascheiber Nuchim Kapturak schrieb mit seinem Gänsekiel auf eine kleine Pergamentrolle den Segen, den die glaübigen Juden zu sprechen haben beim Anblick eines gekrönten Hauptes, wikkelte sie in gehämmertes Blech und legte es in den Sarg. Alle drei Geistlichen stellten sich an die Spitze des Zuges.
De toraschrijver Nuchim Kapturak schreef met zijn ganzenveer op een perkamenten rol de zegen die de gelovige Joden moeten uitspreken bij het zien van een gekroond staatshoofd, wikkelde het in een blik en legde in de lijkkist. Alle drie geestelijken van het dorp stelden zich aan het hoofd van de stoet.

De buste wordt opnieuw begraven.
‘Ich habe erlebt, ik heb het meegemaakt’, schrijft de graaf, ‘dass die Klugen dumm werden können, die Weisen töricht, die echten Propheten Lügner, die Wahrheitsliebenden falsch …’, dat de slimmen dom werden, de wijzen dwaas, de profeten leugenaars, de eerlijken vals …

Deshalb hasse ich Nationen und Nationalstaaten. Meine alte Heimat, die Monarche, allein war ein grosses Haus mit vielen Türen und vielen Zimmern, für viele Arten von Menschen.
Daarom haat ik nationale staten. Alleen mijn oude vaderland, de monarchie, was een groot huis met veel deuren en veel kamers, voor allerlei soorten mensen.

In Job, in slechts enkele weken geschreven, vertelt Roth het verhaal van Mendel Singer die in een sjtetl aan de grens tussen Oostenrijk en Rusland woont. Hij is onderwijzer en heeft vier kinderen, drie zonen en een dochter. Het onheil treft hem. Als hij naar Amerika is geëmigreerd, verliest hij zijn vrouw en twee zonen. Zijn dochter wordt geestesziek. De derde zoon, een epilepticus, is achtergelaten. Mendel Singer is Job. Maar aan het eind van de roman neemt het verhaal een wonderlijke wending.

Job is het boek van Roth dat zijn jodendom weerspiegelt. Zweig zal er zich in de Neue Freie Presse lovend over uitlaten. Toch is Hiob niet opgenomen in een Amerikaanse canon van moderne Joodse literatuur (200 boeken).
Wel is in de canon van moderne literatuur het verhaal Leviathan opgenomen dat Roth onder de titel Der korallenhändler al in 1934 was begonnen, in hetzelfde jaar dus als Die Büste des Kaisers.
Leviathan is geen slechte keus.

De Leviathan, een monsterachtig waterdier, is in het Bijbelse boek Job de tegenkracht van God: hij laat de diepten kolken, de zee als een mengkroes zieden.
Het verhaal begint weer kenmerkend voor Roth:

In dem kleinen Städtchen Progrody lebte einst ein Korallenhändler, der wegen seiner Redlichkeit und wegen seiner guten, zuverlässigen Ware weit und breit in der Umgebung bekannt war.
In het kleine stadje Progrody leefde eens een handelaar in koralen die wegens zijn rechtschapenheid en wegens zijn eerlijke handel wijd en zijd een goede naam had.

Het is een typisch sjtetl met zijn Joodse achtergrond. Nissen Piczenik is een godvruchtige bescheiden Jood, hij gaat tweemaal per dag naar sjoel om de gebeden te zeggen, maar met één hartstocht de koralen waarvan hij houdt, en met een steeds sterker wordend verlangen, de zee te zien waar ze groeien.
Nissen Piczenik reist naar Odessa om de zee en de schepen te zien. Hij laat zich alles van schepen uitleggen maar vergeet de gebeden die een Jood behoort te zeggen. Dat gaat dus mis.
Bij terugkeer heeft een Hongaar, Jeno Lakatos, in een plaats in de buurt een zaak met koralen geopend die hij echter voor een veel lagere prijs verkoopt omdat ze niet echt zijn.
Als de klanten wegblijven en de mensen denken dat zijn koralen onheil brengen en zijn vrouw sterft, vervalt Nissen Piczenik tot drinken en zoekt hij de liefkozingen van vrouwen die te koop zijn. Hij besluit te emigreren, maar zijn schip naar Canada lijdt schipbreuk en Piczenik komt om in de zee.

Piczenik was niet gewoon verdronken, nee veeleer was hij naar de koralen teruggekeerd, op de bodem van de oceaan, waar de geweldige Leviathan zich kronkelt. Dat hij daar in vrede moge rusten, totdat de Messias komt.

Op 30 januari 1933 is Hitler tot Rijkskanselier benoemd. Medio februari 1933 schrijft Joseph Roth aan Stefan Zweig:

Inzwischen wird es Ihnen klar sein, dass wir grossen Katastrophen zutreiben … Unsere literarische und materielle Existenz ist ja vernichtet … Ich gebe keinen Heller mehr für unser Leben. Es ist gelungen, die Barbarei regieren zu lassen. Machen Sie Sich keine Illusionen. Die Hölle regiert.
Het zal u intussen wel duidelijk zijn dat we op een grote catastrofe afstevenen … Onze literaire en materiële bestaan is vernietigd … Ik geef geen dubbeltje meer voor ons leven. Het is gelukt om de barbaren te laten regeren. Maakt u zich geen illusies. De hel op aarde regeert.

En in maart van dat jaar schrijft Roth aan Zweig: ‘es ist keine Rede davon, dass man noch in Deutschland erscheinen kann!’ Er is geen sprake meer van dat men nog in Duitsland kan publiceren. Met de nationaalsocialisten in discussie gaan heeft volgens hem geen enkele zin: ‘Man verfolgt die Juden nicht, weil sie etwas verbrochen haben, sondern, weil sie Juden sind.’ Men vervolgt de Joden niet omdat zij iets verkeerd hebben gedaan, maar alleen maar omdat zij Joden zijn.
Als het niet over persoonlijke zaken gaat maar over das Gesicht der Zeit zijn de brieven van Roth aan Zweig opvallend duidelijk van toon. Roth bezigt scherpe bewoordingen. Van het begin af aan maakt hij zich geen illusies over de bedoelingen van de aan de macht gekomen nazi’s.

Zweig, het staat buiten twijfel, zag eveneens dat met de nationaalsocialisten een beerput openging. ‘De waarheid is vogelvrij’, schreef hij immers aan Thomas Mann. Maar hij wilde zich daarover niet publiekelijk uitspreken. Ook Thomas Mann deed dat eerst niet, tot ergernis van zijn kinderen Klaus en Erika Mann.

Al in 1933 nam Klaus Mann het initiatief tot het bij Querido in Amsterdam uitgegeven maandblad Die Sammlung, het tijdschrift voor uit Duitsland verbannen schrijvers. Klaus Mann vroeg aan Zweig of hij aan zijn blad wilde meewerken. Zweig reageerde eerst positief maar toen hij bemerkte dat Die Sammlung een duidelijk politiek standpunt innam, trok hij zijn toezegging weer in, bevreesd dat zijn Duitse uitgever, Insel-Verlag, zou afhaken.
In een interne brief aan Insel-Verlag geeft Zweig met zoveel woorden te kennen dat hij niet van plan is aan Die Sammlung mee te werken. Hij was niet de enige die zich zo uitte. Ook andere schrijvers, onder wie Thomas Mann, lieten hun uitgever, in het geval van Mann Bermann Fischer, weten dat zij afstand namen van Die Sammlung. De brief van Zweig, hoewel voor intern gebruik bedoeld, werd toch gepubliceerd, in het Börsenblatt für den Deutschen Buchhandel, en dat ergerde Zweig die tot dan toe zorgvuldig had vermeden publiekelijk een politiek standpunt in te nemen.
Maar het publiekelijk blijven zwijgen ergerde Joseph Roth. In zijn brieven aan Zweig laat Roth zich over dit alles in niet mis te verstane bewoordingen uit: ‘Alles kommt von Ihrer schwankenden Haltung’. Het komt allemaal door uw wankelmoedigheid. Op 7 november 1933 schrijft Roth aan Zweig: ‘Und wenn die Sammlung tausendmal Unrecht hätte: gegen Goebbels, gegen Mörder, gegen die Schänder Deutschlands und der Deutsche Sprache … hat sogar die Sammlung recht.’ Zelfs al mocht Die Sammlung duizend keer ongelijk hebben: tegenover Goebbels, tegenover moordenaars, tegenover de schenders, de verkrachters van Duitsland en de Duitse taal … heeft zelfs Die Sammlung gelijk. Nog dezelfde dag vervolgt hij die brief met de verzuchting: ‘bewahren Sie ihre Würde!’ Gelukkig deed Zweig dat. Hij nam afscheid van Insel-Verlag, ‘es ist mein Leben darin, aber die Ehre is wichtiger’, schrijft hij 13 november 1933 aan Roth. Roth antwoordt: ‘Die Insel wird erfreut sein, wenn Sie gehen. Sie sind heute eine Belastung für die Insel. Man schämt sich des Juden’. De uitgeverij Die Insel zal alleen maar blij zijn als U daar weggaat. U bent hen nu alleen maar tot last want men schaamt zich voor de Joden.

Kort na het verschijnen van Die Welt von gestern schreef Hannah Arendt een opvallend scherp artikel: Stefan Zweig: Joden in de wereld van gisteren. Het is te vinden in de bundel Joodse essays, in 2008 bij Atlas uitgegeven. Ik citeer:

Het jaar 1933 mocht dan zijn persoonlijke leven veranderd hebben, dat kon aan zijn waarden, aan zijn houding tegenover de wereld en het leven niet het geringste veranderen. Hij bleef zich beroemen op zijn onpolitieke houding. Hij kwam geen ogenblik op de gedachte dat het, politiek gezien, een eer kon zijn buiten de wet te staan als niet meer alle mensen voor de wet gelijk zijn.

Hannah Arendt, ik hou van haar als schrijfster, schiet hier als denker weer eens door. Dat overkwam haar wel vaker. Een directe en openlijke politieke stellingneming vond Zweig niet passend voor een schrijver. Daar kan men natuurlijk verschillend over denken. Zo meende Roth dat na 1933 voor een dergelijke te gereserveerde houding geen ruimte meer was. Er zou alleen maar misbruik van worden gemaakt. Toch nam Zweig wel degelijk stelling. Op zijn manier. Hij deed dat in zijn boeken. Het antwoord van Zweig was zijn boek Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam, dat in 1934 verscheen.
Zweig was al in 1933 naar Londen gegaan en daar begon hij een relatie met zijn secretaresse Lotte Altmann. Zij zal zijn tweede vrouw worden.

Stefan Zweig en Lotte Altmann

In 1934 had Zweig voor een biografie van Erasmus gekozen, omdat Erasmus de eerste bewuste Europeaan was, een strijdbare vredesvriend, die één ding echt heeft gehaat: het fanatisme. Niet ‘de ijdelheid van een enkele natie’, maar ‘een vereniging van Europa in de geest van de humaniteit’, zo leidt Zweig de opvattingen van zijn hoofdpersoon in. Joseph Roth schreef aan Zweig: ‘Das ist das nobelste Buch, das Sie je geschrieben haben … die Biographie Ihres Spiegelbildes.’ Het is het meest nobele boek dat u ooit geschreven hebt … de biografie van uw evenbeeld. Zweig zal dat als een groot compliment hebben opgevat.
Zweig meende dat het op de weg van Joodse schrijvers ligt om in moeilijke tijden van vervolging ‘den Forderungen der Zeit Rechnung zu tragen’. Recht doen aan wat de tijd vraagt. Maar meent hij ook: ‘jüdische Autoren dürften sich seiner Ansicht nach keinesfalls von der übrigen Literatur absondern’. Joodse schrijvers moeten zich in geen geval van de overige literatuur afzonderen.
Het laatste is precies wat Zweig met zijn biografie van Erasmus heeft gedaan. Zweig heeft zich met Erasmus, zo verwoordt hij het in zijn autobiografie, ontworsteld aan de tragedie van zijn tijd. In een brief van januari 1934 (niet aan Roth) schrijft hij:

‘Erasmus’ hat mir so sehr geholfen wie während des Krieges der ‘Jeremias’, er ist für mich eine Art ‘Nothelfer’ geworden und ich habe manches für mich selbst durch ihn in klarere Form gebracht. Wenn man sich in diesen Zeiten viel mit Geschichte beschäftigt, so sieht man auch das Gegenwärtige mit einem überlagenen Blick; ich denke nicht daran, mich in eine unfruchtbare Opposition zu Tagesgeschehnissen drängen zu lassen und mir von aussen das jüdische Problem als die einzige und wichtigste Frage des Lebens aufnötigen zu lassen.
‘Erasmus’ heeft mij net zo geholpen als tijdens de Eerste Wereldoorlog ‘Jeremias’, het boek is voor mij een soort helper in nood geworden en door het schrijven over Erasmus is voor mij ook veel duidelijker geworden. Als men zich in deze tijd met de geschiedenis bezighoudt, ziet men dat wat tegenwoordig gebeurt met een helikopterblik; ik denk er niet aan mij te laten dwingen in een oppositierol waar het gaat om de gebeurtenissen van alledag en mij dus van buitenaf het Joodse probleem als het enige en belangrijkste te laten opdringen.

Al wilde Zweig de Joodse problematiek niet als enige onderwerp op de voorgrond plaatsen, daarmee rust hierop voor hem nog geen taboe want ook een Joods onderwerp kan natuurlijk heel goed dienen om, wat hij noemt, ‘den Forderungen der Zeit Rechnung zu tragen’. Dat heeft Zweig dan ook gedaan.

Der begrabene Leuchter / De begraven kandelaar

Aan Roth schrijft Zweig op 1 mei 1936: ‘Jetzt schreibe ich an einer jüdische Legende, ich glaube sie wird gut.’ Ik ben nu bezig met een Joodse legende en ik denk dat het goed wordt.
En op 20 mei 1936 schrijft Zweig in dat verband aan Roth: ‘Ich kann nur Dinge jetzt schreiben die Bezug haben auf die Zeit.’ Ik kan nu slechts dat schrijven dat betrekking heeft op deze tijd. Dus toch.
Op de omslag staat bovendien weer een menora (de afbeelding is de Nederlandse uitgave van 1937). De menora moet voor Zweig een bijzondere betekenis hebben gehad. Het verhaal gaat aldus:
In het jaar 455 van de gewone jaartelling nemen de Vandalen de door de Romeinen uit de verwoeste tempel van Jeruzalem geroofde gouden menora als oorlogsbuit mee naar Byzantium. De Joden van Rome benoemen elf grijsaards om de menora te volgen samen met een jongen van slechts zeven jaar, Benjamin Marnefesch, want mochten de grijsaards sterven dan kan die jongen vertellen waar de menora uit de tempel is gebleven. Het verhaal De begraven kandelaar is het verhaal van de menora, maar ook het verhaal van het Joodse volk dat door God, zo leek het, vergeten was. Hij liet hen, die hij eens had uitverkoren, onverschillig alleen in kommer en ellende, schrijft Zweig. Benjamin Marnefesch, inmiddels ook een grijsaard, zal de menora volgen tot in Byzantium en vandaar verder naar zijn vaderland, want er zal geen vrede voor God zijn, eer zijn heiligdom terugkeert naar zijn heilige plaats. Maar misschien wil God, dat het lot van de kandelaar nog geheim blijft en niet aan het volk bekend zal worden. Want waar is ons volk en waar is zijn blijvende plaats? Overal zijn wij nog opgejaagden en gedulden, nergens is ons een plek gewaarborgd, om de kandelaar waardig te bewaren. Misschien laat God hem voor eeuwig in het duister en moet ons volk ongetroost zwerven, verstoven en verstrooid over de rug van de aarde. Maar misschien – en mijn hart is vol van die verwachting – misschien zal zijn wil willen, dat ons volk naar zijn vaderland terugkeert.

Veilig door zijn geheim, wacht en wacht nog immer de eeuwige kandelaar, ongekend en ongeschonden, in zijn heimelijke graf … en zal hij eeuwig zo rusten, verborgen en verloren voor zijn volk, dat nog altijd rusteloos rondzwerft van het ene land naar het andere, of zal eindelijk iemand hem vinden op de dag, waarop zijn volk terugkeert en zal hij weer voor hen, aan wie vrede geschonken werd, stralen in de tempel van de vrede.

Een opvallende tekst voor iemand die zo weinig zag in het zionisme van Herzl en die in 1941, toen rabbijn Lemle, op hem kom ik nog terug, hem had gevraagd tijdens Jom Kipoer een lezing te houden, daarvan afzag met de woorden:

… dass ich – wie die meisten Österreicher – sehr lax in Dingen des Glaubens erzogen wurde und ein Unsicherheitsgefühl in einer wahrhaft glaubigen Versammlung nicht bemeistern könnte.
… dat ik – als de meeste Oostenrijkers – nogal laks in de zaken van geloof ben opgegroeid en dus een gevoel van onzekerheid in een bijeenkomst van echte gelovigen niet zal kunnen bedwingen.

De zeker niet erg religieus ingestelde Zweig heeft niettemin de mooie legende van De begraven kandelaar gebruikt om opnieuw den Forderungen der Zeit Rechnung zu tragen.


Hoe verging het intussen Joseph Roth? Friedl Reichler, met wie Roth in 1922 was getrouwd, verbleef, zo zagen we, sinds 1929 in een psychiatrische inrichting. Roth, die zich tegenover haar schuldig voelde, heeft binnen zijn financiële mogelijkheden aan de opnamekosten bijgedragen. Vanaf 1933 was de Duitse markt echter voor hem gesloten en konden zijn boeken daar niet meer worden uitgegeven. Ook dat was een financiële klap. Het overmatig alcoholgebruik van Roth kwam daar nog bij. Het is ‘unmoralisch für dieses Gesöff mehr auszugeben, als eine normale Familie braucht’, het is immoreel voor dit gezuip meer uit te geven dan een gemiddelde familie nodig heeft, laat Zweig hem in een brief weten.

Manga Bell en Irmgard Keun

De geldzorgen groeiden Roth in de loop van de jaren boven het hoofd. Zijn relatie met Manga Bell, die ook nog eens twee dochters had, kwam daarbij. Manga Bell had een Cubaanse vader en was getrouwd met le Prince de Douala et Bonanyo. Zijn latere relatie met Irmgard Keun (hij ontmoette haar in Oostende) maakte het niet beter want zij dronk ook overmatig.

Foyot is het hotel waar Roth in Parijs veelal verbleef tot het, enkele jaren voor zijn dood, onder zijn ogen werd afgebroken.
Roth raakt ook nog eens steeds meer verstrikt in met verschillende uitgevers gemaakte afspraken over voorschotten die hij had gekregen voor boeken die nog niet af waren, of zelfs nog moesten worden geschreven. In de brieven aan Zweig staan soms gedetailleerde berekeningen van de noodzakelijke geldbedragen die hem ontbreken, vaak vergezeld van jammerklachten over uitgevers die hem geen tijd gunnen en hem bedriegen. Al doet Roth ook hier de waarheid nogal eens geweld aan, wat Zweig dan weer ergert.

Tekening van Mies Blom: ‘Das bin ich wirklich, böse, besoffen aber gescheit.’

Dit alles maakt Roth tot een dorstige sjnorrer. Met zoveel woorden schrijft hij aan Zweig:

Mit lechzender Zunge laufe ich herum, ein Schnorrer mit heraushängender Zunge und mit wedelndem Schwanz. Wie soll ich nicht Verträge eingehn, auf neue Bücher? Nicht einmal diese Verträge bekomme ich. Wass soll ich tun, jetzt, heute, nächste Woche?
Met een dorstige tong loop ik rond, een schnorrer wiens tong uit de mond hangt en de staart kwispelt. Hoezo zou ik niet op nieuwe contracten ingaan, voor nieuwe boeken? Maar zelfs die contracten krijg ik niet meer. Wat moet ik doen, nu, vandaag, volgende week?

Roth schildert tegenover Zweig vaak uitgebreid hoe diep hij in de zorgen zit, psychisch, fysiek en financieel. Hij wringt zich in allerlei bochten en vraagt Zweig hem te helpen en te redden want hij is werkelijk geheel ten einde raad. Zo schrijft Roth op 25 maart 1936 vanuit Amsterdam:

Sehen sie ein, dass ich ein Geschlagener bin und keine Strenge auch noch von Ihnen verdiene. Seien Sie jetzt wenigstens gut zu mir, ich brauche so sehr einen wirklichen Freund. Ich bin verloren.
Zie alstublieft in dat ik een geslagene ben en niet ook nog eens gestrengheid van u verdien. Wees nu tenminste goed voor mij, ik heb zozeer een werkelijke vriend nodig. Ik ben verloren.

En op 30 april 1936, ook vanuit Amsterdam:

Sehen denn nicht, Sie Mensch, Freund, Bruder – Bruder haben Sie mir einmal geschrieben – dass ich binnen kurzem krepiere.
Ziet u dan niet, u mens, vriend, broeder – broeder heeft u mij immers eens geschreven – dat ik binnenkort krepeer.

Dat zag Zweig die hem in zijn brieven bevoogt:

Nehmen sie doch endlich mein Angebot an, vier Wochen sich zu curieren und unter strenger unerbittlicher Aufsicht.
Neem toch eindelijk mijn aanbod aan, een kuur van vier weken, onder streng en onverbiddelijk toezicht.
Lieber Freund, wenn sie wirklich klar sehen wollen, es gibt jetzt keine Rettung für sie als ein vollkommen zurückgesogenes Leben irgendwo an dem billigstmöglichen Ort. Nicht mehr Paris, nicht mehr Foyot, überhaupt keine Grossstadt, ein freiwilliges Kloster.
Lieve vriend, als u het werkelijk wilt inzien, dan is er nu geen andere redding meer dan een volledig teruggetrokken leven, ergens op een plek waar het zo goedkoop mogelijk toeven is. Niet meer Parijs, niet meer hotel Foyot, überhaupt geen grote stad, eerder een vrijwillig klooster.

Zweig schrijft aan Friderike Zweig: ‘welch ein herrlicher Mensch geht da zugrunde’.
Van de drank kon Zweig Roth niet krijgen. Financieel bleef hij hem steeds steunen. Dat deed Zweig overigens ook met andere schrijvers.

In die laatste jaren was Roth ook regelmatig in Amsterdam. Daar wil ik nog even bij stilstaan. De eerste contacten liepen via de Amsterdamse exiluitgeverijen van De Lange en Querido, die boeken van Roth hebben uitgegeven. Daarna kwam Roth in contact met Anton van Duinkerken en een kleine katholieke uitgeverij, de Gemeenschap, waar nog twee boeken van Roth zijn verschenen. Wie de briefwisseling tussen Roth en die uitgeverij leest, valt het op hoe groot de financiële nood van Roth moet zijn geweest. Eén keer, in een brief van 26 oktober 1938, doet Roth een beroep op onze ‘gemeinsame katholische Gesinnung’ maar dat is in een brief vol strijkages en nederige verzoeken van één van ‘Ihrer ärmsten, durch die äusseren Umstände völlig geschlagenen Autor’.
Vooral voor het onderhouden van contacten met zijn Nederlandse uitgevers kwam Joseph Roth af en toe naar Amsterdam. In 1936 zelfs twee keer en voor een iets langere tijd, van maart tot juli en de maanden oktober en november. Hij logeerde dan in het Eden Hotel aan de Warmoesstraat.

Na een korte nachtrust stond Roth laat op, las de kranten, ontbeet nauwelijks. Om een uur of één ’s middags liet hij zich met de hotelboot overzetten en wandelde het Damrak op, richting café De Pool. In de namiddag ging hij naar café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Tegen de avond verhuisde Roth naar café Reynders aan het Leidseplein, daar zat hij aan het derde tafeltje vanaf het raam, tegen de muur. Als Reynders om één uur sloot, dan ging men naar De Kring, vanwaar Roth laat in de nacht of vroeg in de morgen terugkeerde in het hotel om een paar uur te slapen.
Bij iemand thuis ging Roth bijna nooit op bezoek. Dat wimpelde hij af want daar zou toch nooit genoeg alcohol zijn. Over het alcoholgebruik van Roth zijn de nodige anekdotes in omloop. Toen men hem tijdens het verblijf in Oostende vroeg mee te gaan zwemmen, moet hij geantwoord hebben: Waarom? De vissen komen toch ook niet in het café. Als hij een lezing gaf, wilde hij dat op de lessenaar een karaf werd gezet die met jenever was gevuld. Toen dat een keer niet het geval was, moet Roth na het nemen van een slok geheel ontdaan zijn weggelopen, er schande van sprekend dat in de karaf water zat.

Zijn leefwijze had gevolgen. Op een fotoserie is de aftakeling van Roth in de loop van de jaren goed te zien.
Roth hoort 23 mei 1939 in café Le Tournon dat de schrijver Ernst Toller in New York zelfmoord heeft gepleegd. Het grijpt hem aan. Roth overlijdt 27 mei 1939 in het armenziekenhuis Necker.

Joseph Roth beschrijft in Juden auf Wanderschaft een lewaje waarbij vier Joden de kist door de straten van de stad naar de Joodse begraafplaats brengen. Had Joseph Roth zich de eigen lewaje ook zo voorgesteld? Bij hem zal het anders gaan.
‘Erstaunlich, wie sie ihn geliebt haben, die Freunde, die Frauen, die Kollegen.’ Verbazingwekkend hoeveel zij van hem hebben gehouden, de vrienden, de vrouwen de collega-schrijvers. Er waren dan ook velen aanwezig op 30 mei 1939 bij de begrafenis van Joseph Roth die zich letterlijk had dood gedronken. Het was, al kan men dat van een begrafenis eigenlijk zo niet zeggen, een hilarische gebeurtenis. Jüdisch-katholisch-socialistisch-monarchistische Gespentsterszenen, noemt zijn biograaf het. Monarchisten en communisten stonden om zijn graf. De monarchisten legden een krans namens Otto von Habsburg, wat de woede opwekte van de razende reporter Egon Erwin Kisch die een kluit aarde en rode bloemen in het graf wierp. De begrafenisceremonie werd geleid door een katholieke geestelijke, wat de aanwezige Joden uit Galicië in het geheel niet beviel. Zij vroegen om een rabbijn en klaagden luid dat Roth een Jood was die volgens Joods gebruik begraven moest worden.

Was Joseph Roth katholiek geworden? Wie zijn boeken Juden auf Wanderschaft en Job heeft gelezen, zal dat niet spoedig beamen. Joseph Roth heeft echter wel degelijk met het katholicisme gekoketteerd. Maar, zo staat vast, hij heeft zich nooit laten dopen.
Roth hield ervan mythen over hem te laten voortbestaan. Maar zelfs als hij koketteerde met het katholicisme, waarvan hij overigens maar bitter weinig afwist, zei hij tegelijkertijd dat hij zijn Jood-zijn nooit zal verloochenen. Het gaat wellicht wat ver om de woorden van Morgenstern over te nemen die schreef dat Joseph Roth eerder uit alkoholischen dan katholischen motieven handelde. Hoe dan ook, veel uitlatingen van Joseph Roth wijzen erop dat hij van zijn Jood-zijn niet kon en niet wilde loskomen.

Morgenstern (rechts) met Roth (midden)

In Job wil Mendel Singer - op het toppunt van zijn ellende - zijn gebedsriemen, gebedsmantel en gebedenboeken verbranden. Maar daartoe kan hij niet besluiten.
Morgenstern vertelt in zijn herinneringsboek aan Roth, Joseph Roths Flucht und Ende, dat Roth altijd de tefilien en het gebedenboek had bewaard die zijn moeder hem voor zijn bar mitswa had gegeven.
In dat boek van Morgenstern valt ook uitgebreid te lezen hoe Friderike Zweig en Johannes Oesterreicher, een gesjmadde katholieke geestelijke, geprobeerd hebben Joseph Roth een geheel katholieke begrafenis te geven. Het was ‘ein grotesker Streit’, schrijft Morgenstern. Door het ontbreken van een doopbewijs ging die katholieke begrafenis niet door, al leidde Oesterreicher uiteindelijk wel de begrafenisceremonie.
‘Er wordt niets voor mij gelezen, mis noch kaddisj, geen van beide’, dichtte Heinrich Heine. Geen mis maar ook geen kaddisj voor Joseph Roth, al was dat wel afgesproken. Joseph Gottfarstein (1903-1980), een talmoedgeleerde met wie Roth nauw bevriend was en zijn gesprekspartner in religieuze zaken, zou kaddisj zeggen. Joseph Gottfarstein ‘ist ein edler Mensch’, schreef Roth in één van zijn brieven aan Zweig. Door het ontstane gekrakeel zag Gottfarstein echter af van het zeggen van kaddisj.
Volgens Morgenstern moet Stefan Zweig na de begrafenis (waar Zweig niet bij kon zijn; hij bevond zich in Londen) hebben gezegd: ‘Hoe kon je het toelaten dat een zo Joods mens als onze vriend Joseph Roth door Kaplan Oesterreicher begraven werd.’
Maar daar in Londen herdenkt hij zijn vriend Joseph Roth.

In Europäisches Erbe, een aansprekende titel, staat de herdenkingsrede die Zweig in 1939 uitsprak, na het overlijden van Roth, ‘unser lieber Roth, unvergessbar als Mensch’.

Er litt, unser teurer verlorener Freund, so unmenschlich, so tierisch wild angesichts jenes Triumphs des bösen Prinzips, das er verachtete und verabscheute, dass er, als er die Unmöglichkeit einsah, dies Böse auf Erden aus eigener Kraft zu zerstören, sich selber zu zerstören begann.
Onze vriend leed zozeer onder de aanblik van iedere overwinning van het kwaadaardige dat hij verachtte en verafschuwde, dat hij, toen hij inzag dat het onmogelijk was het boze op deze aarde op eigen kracht ‘zu zerstören, sich selber zu zerstören begann.’

En over Roth’s roman Hiob sprak Zweig de mooie woorden:

Ein Teil von dem Wesen Joseph Roths, sagte ich, ist in diesem Werk für alle Zeit vor Vergänglichkeit bewahrt, und ich meinte mit diesem Teil den jüdischen Menschen in ihm, den Menschen der ewigen Gottesfrage, den Menschen, der Gerechtigkeit fordert für diese unsere Welt und alle künftigen Welten.
Een deel van de mens Joseph Roth is in dit boek voor altijd bewaard gebleven met daarin de Joodse mens Roth, de mens met het eeuwige verlangen naar God, en met de mens die gerechtigheid vraagt voor deze wereld en voor alle tijden die nog komen.

Hoe is het Stefan Zweig en Lotte Altmann verder vergaan?
De humaniteit die Zweig voorstond, heeft het moeten afleggen tegen het geweld. ‘De meest wezenlijke taak waaraan ik veertig jaar lang alle kracht van mijn overtuiging had gegeven, de vreedzame vereniging van Europa, was te schande gemaakt’, schreef hij. Het maakte hem pessimistisch en depressief.

Huis in Petropolis

Zweig is steeds verder uit Europa verdreven, tot naar Brazilië waar hij vanaf 1941 is gaan wonen in Petropolis, in de bergen bij Rio de Janeiro. Zonder boeken en met weinig contacten. Hij kon er slecht tegen. Toch heeft hij in die laatste periode zijn wellicht bekendste en ook in Nederland meest gelezen boeken geschreven, De wereld van gisteren en Schaaknovelle. Maar toen Zweig die boeken af had en wist dat ze zouden worden uitgegeven, heeft hij het verschijnen daarvan niet meer afgewacht. Hij had het gevoel nergens meer te kunnen ontkomen aan de golf van onmenselijkheid: ‘Wie weit ich mich auch entfernte von Europa, sein Schicksal ging mit mir.’ Hoe verder ik mij ook van Europa verwijderde, zijn lot ging met mij mee. Samen met zijn tweede echtgenote, Lotte Altmann, pleegde hij 22 februari 1942 zelfmoord.

In 1933, na de boekverbranding, schreef Roth in de Cahiers Juifs een scherp artikel Het autodafe van de geest, waarin hij een groot aantal schrijvers noemt die hun bijdrage aan de Duitse literatuur hebben geleverd, natuurlijk de bekende schrijvers maar vooral ook zijn vrienden Zweig, Kisch, Feuchtwanger. Ik citeer: ‘Ze zijn allemaal op het veld van eer gesneuveld. Ze hebben allemaal in de ogen van de Duitse moordenaars en brandstichters een gezamenlijke smet: Joods bloed en een Europese geest.’
Beter had Roth Zweig maar ook zichzelf niet kunnen typeren.

Over de Joden schreef Zweig in zijn autobiografie: ‘Ze werden uit alle landen verdreven en kregen geen land.’ Ook Zweig is heimatlos gestorven. Hij is begraven op de katholieke begraafplaats in Petropolis. Hij had echter uitdrukkelijk om een Joodse begrafenis gevraagd en het was een rabbijn, Lemle, we kwamen hem al even tegen, die volgens de Joodse gebruiken de begrafenis leidde en Kaddisj zei.
Op de begrafenis van Stefan Zweig las rabbijn Lemle een gedeelte uit Jeremias. Ik weet niet of Zweig daar zelf nog om had gevraagd en ik weet ook niet welk gedeelte was gekozen. Misschien de laatste regels van Jeremias:

Man kan Menschen toten, aber nicht den Gott, der in ihnen lebt. Man kann ein Volk bezwingen, doch nie seinen Geist.
Men kan mensen doden, maar niet de God die in hen leeft. Men kan een volk overmeesteren maar niet zijn geest.

Aan Friderike, met wie hij altijd contact is blijven houden, schreef Zweig een afscheidsbrief, gedateerd 22 februari 1942, in het Engels:

Ik stuur je deze regels in mijn laatste uren ...

Ook schrijft Zweig:

Remember the good Joseph Roth en (…), hoe blij ik altijd voor hen was, dat zij deze beproevingen niet meer hoefden mee te maken.