inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Toespraak prof. dr. C.I. Dessaur

Toespraak prof. dr. C.I. Dessaur bij de opening van het Joods Educatief Centrum Crescas

Bij de opening van het Joods Educatief Centrum Crescas, op zondag 10 oktober 1999, hield prof.dr. C.I. (Andreas) Dessaur, onderstaande toespraak.

Mijnheer de Minister van Financiën, Mijnheer de Cultureel Attaché van de Israëlische Ambassade, Mr. IIan Fluss; Mijnheer Fuykschot van het Ministerie van OCW; mijne heren Eerwaarde rabbijnen; mijne dames en heren representanten van Joodse organisaties; zeer geachte aanwezigen,

Vandaag zal het Joods Educatief Centrum "Crescas", na een lange en intensieve periode van voorbereiding, officieel worden geopend door Minister Zalm. Over diens stimulerende bijdrage, met name in het allereerste begin van deze, zeker voor Nederland, uitzonderlijke Joodse instelling, wil ik u graag zo meteen iets meer vertellen.

Eerst wil ik u laten weten waarom wij onze educatieve stichting hebben vernoemd naar de in het algemeen niet overmatig bekende Spaans-Joodse middeleeuwse filosoof "Crescas". Wij zochten voor ons instituut naar een naam die voor zoveel mogelijk Joden acceptabel zou kunnen zijn, die tevens onderscheidend was (niet wéer Maimonides, Akiva, of dergelijke) en die ook niet al te specifiek en voor buitenlanders onuitspreekbaar-Nederlands zou zijn. Dus bleek "Crescas", over wie u meer vindt in onze brochure, een vondst.

Dit nieuwe Joods-educatieve initiatief heeft als primair doel de onder andere ten gevolge van de Sjo'ah verbroken Joodse cultuuroverdracht en de bij velen zeer zwakke bodem van Joodse basiskennis te verstevigen. Een tweede doelstelling is, voor zover mogelijk, de uit angst of onwetendheid geboren weerstand tegen jodendom te helpen wegnemen. Er bestaan in ons land uiteraard al diverse mogelijkheden voor volwassenen zich op academisch niveau, op Volksuniversiteitniveau en op het (niet-Joodse) leerhuizenniveau te verdiepen in allerlei aspecten van het jodendom. Hoe goed en gedegen dergelijke opleidingen en cursussen in hun soort ook kunnen zijn, zij worden gegeven in een niet-Joodse sfeer, ten behoeve van overwegend niet-Joodse, puur academisch geïnteresseerden of, bijvoorbeeld, ten behoeve van christelijke belangstellenden. Dat soort onderricht was niet wat wij beoogden.

Anderzijds zijn er uitstekende mogelijkheden te vinden voor het wel specifiek-Joodse "lemen" binnen een orthodoxe of liberaal-religieuze context, maar voor de meerderheid van de Joodse bevolkingsgroep in ons land vormt dat nu net weer een veel te hoge drempel. Veruit de meeste Joden in dit post-Sjo'ah tijdperk "horen nergens bij" en velen blijken zich niet aan welke Joodse stroming dan ook vooralsnog te willen committeren.

Crescas wil nu, met zijn educatieve en overige culturele activiteiten zich tot álle Joden richten, ongeacht of zij wel of niet zijn verbonden met een Joodse religieuze, maatschappelijke of politieke stroming; of zij wel of niet synagogaal, sociaal, zionistisch, wetenschappelijk of artistiek zijn betrokken bij het jodendom. Onze doelgroep is bovendien niet alleen de Joden en eventuele crypto-Joden in Amsterdam en omstreken, maar met name ook de Joden in de zo extreem uitgedunde mediene (d.w.z. de provincie, inclusief de grote steden buiten Amsterdam), waar wij onze leraren op verzoek heen willen sturen.

Het ongewone, het uitzonderlijke van ons vandaag te openen instituut is eigenlijk niet in de eerste plaats dat wij zoveel mogelijk soorten Joden in ons hele land op Joods educatief en cultureel gebied iets hopen te bieden, maar vooral dat het ons is gelukt Bestuursleden, leden van de Raad van Advies en potentiële docenten bij Crescas te betrekken die uit zeer diverse richtingen van het jodendom afkomstig zijn. Alleen al om deze reden hadden wij ons educatief centrum in plaats van "Crescas" wat mij betreft ook wel domweg "Dik Trom" kunnen noemen. Zoals de ouderen onder u nog zullen weten, komt in dit fameuze vooroorlogse Nederlandse kinderboek bij herhaling de gevleugelde zin voor: "Het is een bijzonder kind, en dat is 'ie." En inderdaad, Crescas, bij wiens geboorte u nu aanwezig bent, is om meerdere redenen "een bijzonder kind". De gezamenlijke inspanning door Joden van uiteenlopende signatuur om áàn Joden van uiteenlopende signatuur op diverse niveaus en op diverse terreinen van Joodse kennis, kunde en cultuur onderricht te gaan geven, is hoogst zeldzaam in de Joodse wereld, ook buiten Nederland.

Abel Herzberg schreef destijds over de wereldwijd en van oudsher roemruchte Joodse verdeeldheid en soms zelfs onderlinge agressie, in zijn artikel "De nationale kosmopoliet" (opgenomen in het Verzameld Werk, deel 3): "Het bestaan van een collectieve vijand ("en van een gemeenschappelijk lot", voegde Dorien Pessers in haar recente Herzberg-Iezing in de Rode Hoed daaraan toe), "het bestaan van een collectieve vijand en van een gemeenschappelijk lot, is blijkbaar niet voldoende om groepstegenstellingen te overbruggen. Pas als groepen een collectieve vijand te lijf kunnen gaan, zijn zij voor een ogenblik in staat te vergeten wat hen verdeeld houdt. Zolang zij dit niet kunnen, richten zij hun agressie op elkaar."

Blijkbaar hebben wij rond Crescas nu eindelijk een (tussen aanhalingstekens) "collectieve vijand" gevonden die wij eendrachtig te lijf mogen, willen en kunnen gaan, namelijk de schrijnende onwetendheid onder Joden over de ongelooflijke rijkdom, het "voor elck wat wils" dat is te vinden in de lange en zo belangrijke Joodse intellectuele, religieuze en maatschappelijke traditie. De wijd verbreide Joodse onwetendheid is schrijnend, omdat zij voor een deel wordt veroorzaakt door de algemene naoorlogse tijdgeest: veel teveel en veel te vluchtig van alles, zodat men zich nergens meer in kan verdiepen of zich serieus mee verbinden. Maar zij is daarenboven, bij ons Joden, ook een direct gevolg van de Sjo'ah. De voor ons zo essentiële familietraditie, het als vanzelfsprekend overdragen van Joodse cultuur aan de opvolgende generatie, werd door de Duitse terreur in veel gevallen abrupt verbroken, en aan deskundige Joodse leraren is er meer dan een halve eeuw eeuw na de Sjo'ah nog steeds een pijnlijk tekort. Crescas hoopt daar op den duur enige verandering ten goede in te kunnen helpen aanbrengen.

En zo kom ik dan, ter afronding, bij Minister Zalm, die in feite de oerinitiator van het Crescasinitiatief is geweest. Ik ontmoette hem geheel toevallig bij een uitzending van het zondagse televisieprogramma "Buitenhof". Geheel tegen mijn zin, want eigenlijk haat ik het optreden voor televisie, en na buitengewoon veel tegenstribbelen mijnerzijds, moest ik in dat programma iets zeggen over het toen zeer actuele LIRO-schandaal: de eerst door de Duitse bezetters en vervolgens, na de bevrijding, nog eens door Nederlandse overheidsambtenaren geroofde bezittingen van vervolgde, gedeporteerde en vermoorde Joden.

Minister Zalm was, met zijn staatssecretaris Vermeend, voor een geheel ander onderwerp (ik neem aan iets in verband met belastingen ... ) ook aanwezig in een later item van dat programma. Na afloop, bij de gebruikelijke nazit, sprak hij mij aan en vertelde terloops dat er voor Joden geheel los van het LIRO-geld, de goudpool, of andere schadeloosstellingen - eigenlijk geld beschikbaar zou kunnen zijn voor een Joods cultureel centrum met een educatief aspect, maar dat hij dit geld niet kon uitkeren omdat er (op dat moment) geen algemeen Joods aanspreekpunt was.

Sommigen van u kennen ongetwijfeld het verhaal van de Joodse Robinson Crusoë, die schipbreuk lijdt en in zijn eentje op een onbewoond eiland terechtkomt. Als hij uiteindelijk wordt gered, blijkt hij niet alleen een prachtige, goed van fruit, noten en dergelijke voorziene hut voor zichzelf te hebben gebouwd, maar ook twee synagoges, waar hij erg trots op is. "Waarom twee?" vragen zijn redders hem. "Nou, gewoon", zegt Mosjé Crusoë. "Die ene, daar links, dat is de sjoel waar ik elke ochtend en op Sjabbes heenga om te davvenen. En die andere, dat is de sjoel waar ik niet naar toega. " Vanwege onze Mosjé Crusoë-achtige neigingen konden wij dus niet, in dit geval financieel, door de overheid worden gered. Het speet mij natuurlijk erg, maar ik kon Minister Zalm ook niet aan een oplossing helpen.

Die nacht echter, droomde ik dat ik met de Minister van Financiën na een televisie-uitzending over collectief Joods leed in een zaaltje stond, dat hij mij wanhopig bij de revers van mijn jasje vastgreep, een uur lang op mij inpraatte en voortdurend tegen mij zei: "Wij hebben geld beschikbaar voor de subsidiëring van een algemeen Joods cultureel-educatief initiatief, maar wij kunnen het niet kwijt doordat jullie niet willen samenwerken," en dat ik er sullig en machteloos bij stond. Na deze droom werd ik de volgende ochtend toch, met een misschien wel door de grote Crescas geïnspireerd antwoord wakker. Er moesten mensen bij een algemeen Joods educatief en cultureel project worden betrokken die goed de weg wisten in het Nederlandse Joodse leven en de daarin soms gecultiveerde nodeloze tegenstellingen. Zij moesten vaardige sjolem-machers (vredestichters) kennen en erbij betrekken. Verder moest er iemand bijkomen die in politiek en ambtelijk Nederland goed de weg wist. Voor dat laatste werd Mr. Joop Al, advocaat-generaal bij het Amsterdams Gerechtshof, gevonden. Hij is nu onze eerste voorzitter, en helaas vandaag door treurige persoonlijke omstandigheden verhinderd.

Ten derde moesten er mensen van uiteenlopende Joodse achtergrond worden uitgenodigd om een inhoudelijk en structureel zinvol werkplan te helpen ontwikkelen. En zo kon Crescas, met nog de nodige extra hulp van de heer Fuykschot en zijn medewerkers bij OCW, op de 10e van de 10e van deze maand, in het begin van het Joodse jaar 5760 toch tot stand komen.

Moge het ons lukken met dit veelbelovende nieuwe initiatief ons steentje bij te dragen aan het herstel van een enigszins eendrachtig en ter zake kundig, inspirerend diaspora-jodendom, ondanks de grote innerlijke en uiterlijke destructie die door de Sjo'ah is teweeggebracht. En mogen wij over dertien jaar, als dit bijzondere kind (en dat is 'ie) aan zijn bar mitswa toe zal zijn, bij leven en welzijn weer bijeenkomen, en met tevredenheid op zijn voorspoedige ontwikkeling kunnen terugkijken.