inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Crescas versus Maimonides

Essay van Chaim van Unen

Chasdai Crescas is de naam van een Joodse filosoof die leefde in de Middeleeuwen. Het Joods Educatief Centrum ‘Crescas’ is naar hem genoemd. Wie was deze man en waar stond hij voor? Waarom werd dat educatief centrum niet naar Maimonides genoemd? Een niet onbelangrijke vraag. In dit artikel laat ik u kennis maken met Chasdai Crescas.

Chasdai Crescas leefde in de 14e eeuw. Dus enkele eeuwen na Jehuda Halevi (11e eeuw) en na de Rambam (Maimonides, 12e eeuw).
In tegenstelling tot Jehuda Halevi en Maimonides, die in het welvarende Islamitische Andalusië leefden, woonde Crescas vrijwel zijn hele leven in Barcelona, dat in het Christelijke Noorden ligt. Hij was daar, ondanks de antisemitische stemming, een geziene persoon. Heel zijn leven is dat zo gebleven, ook tijdens de pogroms gedurende de 14e eeuw. Crescas genoot zelfs de bescherming van de hoogste autoriteiten, onder andere van het (katholieke) Catalaanse hof.
Gedurende een lange periode bekleedde hij de functie van rabbijn, als vertegenwoordiger van de Joodse gemeenschap in Barcelona. Waar hij maar kon ondersteunde hij Joden, die het in die periode zwaar te verduren hadden als gevolg van het openlijke antisemitisme in het christelijke Spanje van die dagen. Crescas verloor zijn zoon tijdens een van deze pogroms.

Naast zijn rabbinale activiteiten leidde hij zo’n druk wetenschappelijk en sociaal leven dat hij weinig tijd over hield om te schrijven. Maar hoe dan ook, zijn motivatie bij het schrijven van al zijn werk, zo vermeldt de Encyclopedia Judaica, was het behoud en het welzijn van de Joodse Gemeenschap in Spanje. Veel van zijn werk is helaas verloren gegaan.
Gelukkig zijn enkele van zijn boeken bewaard gebleven, onder andere de ’Weerlegging van de principes der Christenen’, geschreven in 1398. Een boek waarvan de publicatie in een vijandelijke omgeving van moed getuigt. Een andere titel van de hand van Chasdai Crescas is het boek ‘De Schande van het Heidendom’, waarin hij eveneens het Christendom bekritiseert. Crescas vond het blijkbaar noodzakelijk om de verschillen tussen Christendom en Jodendom scherp af te bakenen terwille van zijn Joodse achterban. Wellicht dus om educatieve redenen.
De kritiek die Crescas op het Christendom heeft is in tien punten samen te vatten:
1. het principe van de erfzonde
2. verlossing door Jezus
3. de drie-eenheid
4. de vleeswording van God in Jezus
5. de maagdelijke geboorte
6. de transsubstantiatieleer (wijn verandert in bloed van Christus, hostie in diens vlees)
7. de doop
8. Jesus als Messias
9. het Nieuwe Testament
10. de demonologie (de leer omtrent duivels en hel).

Or Adonai
Maar vooral interessant is zijn belangrijke werk ‘Or Adonai’, Gods licht, een boek dat bewaard is gebleven. Daarin kunnen wij lezen hoe Crescas dacht over zijn illustere voorganger Maimonides. En het zal de lezer niet verbazen dat zijn kritiek zich vooral richtte op diens boek ‘De Gids voor de Dolenden’. Crescas geldt als een van de scherpste critici van de Rambam. Hij verzette zich vooral tegen het aristotelische denken waarvan Maimonides in zijn filosofie gebruik maakt. Dus eigenlijk tegen wat Maimonides benadrukte als de belangrijkste bron van kennis, namelijk: het verstand.
Dat wil zeggen tegen het standpunt van de Rambam dat:
• het beredeneren van je geloof de hoogste vorm van liefde voor God is
• de hele schepping een oneindige keten van oorzaak en gevolg is met een natuurlijke oorzaak.

Crescas verwerpt deze standpunten met kracht en benadrukt precies het omgekeerde. De schepping, zo redeneert hij, is niet ontstaan, niet van stof tot vorm gegroeid, maar is een bewuste daad van Gods wil. Geen (passief) ontstaan, maar (actieve) schepping.
God is niet afhankelijk van de natuur. Nee, God is in staat daarin in te grijpen en kan de wetten van de natuur naar Zijn hand zetten. Crescas verwerpt dus in feite de Griekse filosofie (zoals ook Juda Halevi deed) en breekt daarmee met een zeer lange traditie, die zowel door de grote Islamitische als Joodse filosofen eeuwenlang was gevolgd.
Waarom deed Crescas dat? Als een van de belangrijkste redenen hiervoor komen we tegen dat voor veel Joden in de tijd van de Rambam de Griekse filosofie oorzaak was van assimilatie. Of erger nog, veel kritische en vrijdenkende Joden begonnen in de tijd van de Rambam fundamentele kritiek te leveren op de traditionele Joodse denkwereld en haar religieuze tradities.

Crescas vond het rationele beredeneren van het Jodendom zoals Maimonides dat deed kil en koud. Crescas was van mening dat deze denkwijze géén recht, ja zelf afbreuk, deed aan de liefdesrelatie tussen God en zijn schepselen. Daarom stelde Crescas tegenover de ratio juist de liefde als belangrijkste bron van kennis centraal. De liefde voor God en voor de Tora, zo stelt Crescas, zijn de werkelijke drijfveren voor de zoektocht naar kennis. Immers, zonder de liefde voor God zou je het toch niet in je hoofd halen om elke dag het sjema te zeggen en de mitswot na te leven. Dat ga je pas doen als de liefde voor God sterk genoeg is. De liefde gaat dus aan de kennis vooraf.
Pas daarná en op basis dáárvan gaat de mens op zoek naar kennis, naar wat er achter de zichtbare dingen schuilt, naar achtergronden en oorzaken, naar historische feiten en kennis omtrent God.

‘Or Adonai’ is dus een filosofisch werk, maar tevens een strijdgeschrift waarin Crescas het filosofische werk van Maimonides probeert te weerleggen. Begrijpelijk, want de achterban van Crescas had in dié tijd meer behoefte aan Gods liefde dan aan kennis en inzicht omtrent Hem.
Maar niet alleen op de ‘Gids voor de Verdoolden’ richtte zich zijn kritiek. Ook op de Misjné Tora had hij veel kritiek. Hij vatte die, in mijn bewoordingen, als volgt samen:
• Maimonides systematiseerde de Misjna helemaal volgens zijn éigen inzichten, zonder één enkele bronvermelding (dus controle is vrijwel onmogelijk).
• Bij zijn halachische uitspraken heeft Rambam géén alternatieven, meningen of opvattingen van andere geleerden laten zien.
• Ook had Crescas kritiek op de behandeling van teksten. Bijvoorbeeld naar aanleiding van de 10 geboden. Rambam zegt van het eerste gebod (‘Anochi Adonai, Ik ben de Eeuwige!’) dat dit eerste gebod het begin van alles is. Maimonides noemt dit een Positief Gebod. Pas wanneer je hieraan gehoorzaamt, kan de rest van het geloof worden ingevuld.
• Crescas noemt dit onzin. Je kunt iemand niet gebieden een emotie te produceren. Liefde kun je niet afdwingen. Dat is een vrije keuze die aan alles vooraf gaat.
• Crescas bekritiseerde hier zowel de logica als de uitgangspunten van de Rambam.
• Mensen kun je niet commanderen te geloven dat God bestaat en dat Hij de wereld schiep. Dat is een kwestie van Geloof en geloof is niet rationeel. Ook dit is een kwestie van liefde. De liefde laat je de waarheid zien, niet de ratio.
• Wat Maimonides volgens Crescas deed, was het conflict tussen Tora en filosofie op de spits drijven. En dat op basis van zijn onbewezen aanname dat de ratio (het verstand dus) superieur zou zijn aan de openbaring.
• Maar die stelling is fout, aldus Crescas: openbaring is betrouwbaarder dan de rede, want heel veel fundamentele vragen kunnen wij met de rede niet oplossen..

Ooit wilde Crescas een boek schrijven onder de titel ‘Ner Mitswah’ (het Licht van de Mitswa). Daarmee wilde hij Maimonides’ complete Gids voor de Dolenden weerleggen. Helaas is hij aan dat boek nooit toegekomen.

Ondanks het respect dat Crescas had voor Maimonides en diens Talmoedische werk, heeft Crescas over hem eens de beroemde rabbijnse uitspraak als oordeel geciteerd:
Overal waar de heilige naam wordt ontheiligd, is sprake van gebrek aan respect voor de Meester.
En daarmee heeft Crescas in één klap het filosofische werk van Maimonides gediskwalificeerd. De centrale stelling van Maimonides dat geluk zich via de ratio, en niet via het geloof realiseert, beschouwt Crescas als een ontwijding van de naam van God, dus van God zelf.
En daarmee plaatste Crescas de religie weer in het middelpunt van het Joodse denken en werd de filosofie naar de tweede plaats geschoven.

Wat zijn nu de fundamenten van Crescas’ éigen opvattingen? Ik noem een paar kernpunten:
• De Tora is het product van een vrijwillige scheppingsdaad van God.
• Gods ‘kennis van alles’ staat vast, want als God opdrachten en geboden geeft, moet Hij geweten hebben wat Hij opdraagt.
• Volgens Crescas weet God alles al vooraf en voor alle tijden.
• Het geven van Tora is al een daad van voorzienigheid, uit zorg om de mensheid.
• God geeft kennis en inzicht van de Tora niet naar de mate van hun intellectuele vermogens (zoals Maimonides stelde in ’De Gids der Dolenden’) maar aan iedereen, en wel op basis van liefde.
• God is oneindig machtig. Want als hij ónmachtig was geweest had hij de Tora niet kunnen geven. En Hij, die op basis van de ‘Kracht van Zijn Wil’ kan geven, moet wel oneindig machtig zijn en kan niet afhankelijk zijn van de natuur.
• Er is communicatie tussen de opdrachtgever en de ontvangers ervan. Die communicatie wordt bewerkstelligd door de profeten.

Er zou over Crescas nog veel meer te zeggen zijn, bijvoorbeeld over het probleem van de vrije wil en over de mate van determinatie. Maar dit artikel biedt daartoe helaas niet de ruimte.

Ten slotte een paar vragen die niet alleen bij Crescas, maar bij álle joodse filosofen aan de orde komen. De lezer kan daar op zijn of haar eigen manier mee omgaan:
• Kan de mens kiezen of niet? Is alles voorbestemd door de Goddelijke Voorzienigheid? Of heeft de mens een vrije wil en kan hij dus zelf een ándere kant uit dan door de Voorzienigheid is bepaald?
• Wat doen we met het kwaad? Is dat in de mens of buiten de mens. Heeft God naast het goede ook het kwade geschapen? Of is het kwaad anderszins in de wereld gekomen? En zo ja hoe dan?
• Maar die onvolmaakte mens is dan toch weer door God geschapen? Was God dan niet in staat iets te scheppen dat perfect was? Volgens de midrasj heeft hij als perfect de engelen geschapen. De mens echter, die kan onderscheiden tussen goed en kwaad, staat boven de engelen.
• Als je een studiecentrum naar Crescas vernoemt, schept dat dan enige vorm van verplichting? En zo ja, welke?

Chaim van Unen
augustus 2005

Dit essay is een bewerking van een artikel dat eerder is verschenen in Levend Joods Geloof,
51e jaargang, nummer 6, augustus 2005