inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Kafka volgens Benjamin

Toespraak van professor Reinier Munk

Maandag 2 maart 2015 verscheen Op het balkon van de elektrische tram. Over Franz Kafka, het tweede boek van Crescas-columnist Leo Frijda (Amphora Books, ISBN: 978 90 6446 085 2). Tijdens de presentatie van het boek, in het Goethe-Institut in Amsterdam, hield professor Reinier Munk onderstaande toespraak.


De beeldende titel van het nieuwe boek van Leo Frijda, Op het balkon van de elektrische tram. Over Franz Kafka, is ontleend aan een passage in Kafka’s verhaal ‘De passagier’:

Ik sta op het balkon van de elektrische tram en ben absoluut onzeker omtrent mijn positie in de wereld, in deze stad, in mijn familie.

De ‘ik’ die sprekend is opgevoerd is Kafka, en de elektrische tram symboliseert de moderne techniek en de moderne Großstadt waartoe Praag zich in Kafka’s tijd ontwikkelde. Een stad en een tijd waarin je Duits schreef en sprak, een tijd waarin noties als continuïteit en verandering, particulariteit en universaliteit opnieuw bevraagd en doordacht moeten worden. Moderniteit, emancipatie, assimilatie, academische scholing, politieke gebeurtenissen – onderdelen en gebeurtenissen in het dagelijkse leven die tot vragen aanleiding geven en die Kafka, staande op het balkon van dit symbool van de moderne tijd, absoluut onzeker doen zijn over zijn positie, in de wereld, in de stad en in zijn familie. Die absolute onzekerheid zette aan tot schrijven, tot pogingen ervaringen te verwoorden en daarmee te ordenen, structuur te ontwerpen, overzicht en enige zekerheid te creëren. Zekerheid die zich toont in de helderheid en schoonheid van Kafka’s stijl van schrijven. Naast wat er allemaal over de inhoud van Kafka’s werk te zeggen valt, lees ik zijn geschriften vooral en allereerst vanwege de prachtige woordkeuze, alsook om de helderheid en schoonheid die zijn stijl kenmerken. Helderheid en schoonheid gaan op een of andere wijze samen met een besef van of inzicht in zekerheid, waarheid en goedheid, en bieden daarin tegenwicht tegen de kwellende absolute onzekerheid in en over een wereld waarin veel anders gaat dan normaal zou zijn te verwachten, en waarin er desondanks niet aan te ontkomen valt om dit abnormale te accepteren, en het zin en betekenis te geven. Het is de onzekerheid van een jurist, een rechter, een denker, een portrettist die zich met enige scepsis de vraag stelt, met Kafka, naar het wat en waarom van zijn wereld en zijn denken en handelen daarin: ‘… onzekerheid over wat een mens kan bereiken en het schuldgevoel over wat hem steeds weer niet lukt’. (Frijda, Op het balkon, pagina 52).

Kafka’s verhalen zijn prominent aanwezig in het denken van Walter Benjamin, onder meer in het artikel dat hij tien jaar na het overlijden van Kafka schreef (1934) en in Beim Bau der Chinesischen Maur (1931). Het lijkt mij niet overdreven te zeggen dat Benjamin in zijn geschriften veel met Kafka in gesprek treedt en in zijn denken aan hem verwant is. In een brief aan Gershom Scholem (juni 1938) typeert Benjamin Kafka’s verhalen met het beeld van een ellips, een figuur met twee brandpunten. Het ene brandpunt bevat de ervaring van de mens in een moderne Großstadt, met zijn eigen omgangsvormen, gewoonten, geschiedenis en Bildungsbürgertum. Het tweede brandpunt bevat de ervaring van de overgeleverde Joodse tradities met haar waarheden, geborgenheden en beslotenheid. Wanneer men zegt dat beide clusters van ervaringen bij Kafka in een grote spanning tot elkaar staan, dan zegt men volgens Benjamin slechts een halve waarheid. De uitspraak is slechts ten dele juist, want ‘das Tolle’, het bijzondere en opmerkelijke aan Kafka is, dat hij de ervaringen van de Großstadtmensch articuleert en laat dragen door woorden en beelden ontleend aan die overgeleverde tradities, en daarbij aan de tweede (ogenschijnlijk) nieuwe betekenissen toekent. Om de werkelijkheid van moderniteit te kunnen vatten, zoals we die tegenkomen in moderne fysica, architectuur, of oorlogstechnieken, appelleert Kafka aan termen, krachten en fenomenen van deze overgeleverde tradities, door Benjamin de mystieke traditie genoemd. En mystiek verwijst daarin naar overgeleverde waarden en inzichten die het karakter van wijsheid dragen; wijsheid die als waardevol en juist wordt beschouwd en daardoor houvast en oriëntatie biedt.

Kafka leefde volgens Benjamin in een complementaire wereld van ideeën ontleend aan deze wijsheids-tradities, en stond daarin ‘vereinzelt’ in het leven. Daarin was Kafka verwant aan de schilder Paul Klee. De complementaire wereld van Kafka is in Benjamins uitleg een wereld van ideeën die mede zijn ontleend aan flarden van overgeleverde verhalen. Kafka leefde in verhalen en voorstellingen. Hij leefde in overleveringen, die hij beluisterde en uithoorde – ‘Kafka lauschte der Tradition’. En wie zo nauwgezet en geconcentreerd, luisterend leest, woorden aftast en weegt, die ontgaat wat er buiten om hem heen gebeurt. Wie zo nauwkeurig en denkend wil vernemen wat te horen valt die sluit de ogen, sluit de andere zintuigen af – ‘Wer angestrengt lauscht, der sieht nicht’ - die hoort slechts. En wat hij hoort is ‘nur Undeutlichstes’, niet meer een leer die valt te leren, niet meer een weten dat valt aan te tonen en waar is. Uithoren laat horen wat niet voor het oor bestemd is, geluiden die tussen woorden en klanken verscholen (hadden moeten) blijven en onduidelijk zijn. En dat onduidelijke is of symboliseert de teloorgang van de wijsheid, die niet meer als wijsheid wordt herkend. Wijsheid is dikwijls opgevat als ‘die epische Seite der Wahrheit’. Daarmee is wijsheid als een traditie getypeerd, ze is de waarheid in haggadische vorm. Maar waarheid en wijsheid zijn in de moderne tijd van elkaar losgeraakt en beide zijn daardoor veranderd. Wijsheid is haar kenmerk, de epische vorm van waarheid, kwijtgeraakt, waardoor onduidelijk is geworden wat wijsheid nog is en of waarheid nog in epische vorm te vatten is.

Op dit punt in zijn analyse van Kafka’s verhalen vestigt Benjamin onze aandacht op een bijzondere eigenschap van Kafka’s verhalen. Zij verwoorden zowel, dat waarheid niet meer waar is en wijsheid niet meer wijs, en waarom dat zo is; alsook, dat er brokstukken en splinters van de oude overleveringen zijn, fragmenten van waarheid en wijsheid waarin nog facetten van wat waar en wijs was/is zich tonen. Brokstukken van de gebouwen van denken uit de traditie, ‘die Welt von gestern’. De fragmenten verhalen ons de ware dingen en doen dat als in een gerucht, fluisterend als het ware; en zij verbeelden dat gerucht vooral in de zotheid. Zotheid is de eigenschap die in het oog springt bij centrale figuren in Kafka’s verhalen, zoals Sancho Panza en Don Quichot. En zotheid anticipeert op das Gescheiterte, het niet-gelukte. Het niet-gelukte is als mislukking onvermijdelijk en bevat sporen, fragmenten van wat waar en wijs is. En toont daarin duidelijk en geloofwaardig, helder en in de schoonheid van Kafka’s schrijven, de drang om te verstaan, te begrijpen ‘was die Welt im innersten zusammenhält’.

Als voorbeeld van deze elliptische figuur breng ik enkele fragmenten van een brief van Kafka aan Robert Klopstock (d.d. juni 1921) naar voren. Kafka schrijft Klopstock, dat hij zich ten aanzien van de Joodse overleveringen nooit ongelovig heeft betoond, eerder verbaasd, schuchter en vol vragen – ‘zoveel vragen als er muggen in deze weide zijn’. Stekelige vragen die tot hinderlijke irritaties leiden, en die resulteren in nieuwe duidingen van oude verhalen. Zoals deze, over Abraham. Ik kan me, zo Kafka, een andere Abraham denken – niet een die het tot aartsvader brengt, zelfs nog niet tot lompenhandelaar – een die bereid is het offer van zijn zoon te brengen zoals een kelner bereid is een bestelling te presenteren. Alleen, hij brengt het offer nog niet omdat hij niet van huis kan, hij is onmisbaar, het bedrijf heeft hem nodig, het huis waaraan hij bouwt is nog niet af, en deze bindingen maken het hem onmogelijk te doen wat gevraagd is – en zonder het huis te bouwen zou hij immers ook geen zoon hebben kunnen opvoeden …

Ik kan me, zo vervolgt Kafka, Abraham denken als degene, die niet geloven kan dat het de bedoeling is dat hij deze taak zal uitvoeren, hij is een oude weerzinwekkende man met een kind dat eerst eens gewassen zou moeten worden. Hij zou zijn taak vervullen wanneer hij kon geloven dat die taak hem toevalt, maar dat kan hij niet – want, stel je voor dat hij onderweg niet Abraham maar Don Quichot zal blijken te zijn. De wereld is vol ontzag over Abraham, maar over Don Quichot lacht een ieder zich dood. En zó uitgelachen worden zou deze oude man en zijn onbeholpen zoon nog triester en lachwekkender maken dan ze al zijn. Een Abraham die ongeroepen komt.

Deze duiding van Abraham illustreert Benjamins beeld van Kafka’s werk als een ellips met twee brandpunten, de gefragmenteerde wijsheid die er uit spreekt, de onzekerheid over wat een mens kan bereiken – onzekerheid omdat (die) zekerheid niet meer mogelijk is - en het schuldgevoel over wat hem steeds weer niet lukt – want niet lukken kàn.

Daarmee ben ik dan weer terug bij het boek van Leo Frijda, dat vanmiddag centraal staat en waarvoor u gekomen bent. Over dit boek bestaat geen onzekerheid. Benjamin spreekt over overleveringen niet meer in termen van de waarheid van de leer, maar in plaats daarvan van de schoonheid van een kunststuk, een mozaïek. Leo Frijda’s boek laat zich ook goed in termen van een mozaïek presenteren – een bundeling van teksten die in deze samenstelling een mozaïsch beeld van Kafka presenteren, een kunststuk waarin de lezer Kafka en Frijda in gesprek ontmoet. Een publicatie die met zorg en voorzien van een sterk sprekende omslag smaakvol is uitgegeven door Amphora Books. Aanbevolen!