inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Toespraak van dr. Cees Breederveld

donderdag 29 maart 2012, in het Joods Historisch Museum

Bekijk hier de video van de toespraak.

Dames en heren,

Mijn naam is Cees Breederveld. Ik ben de directeur van het Nederlandse Rode Kruis. Een positie die ik iedere dag met veel voldoening vervul, omdat we als Rode Kruis iedere dag ergens op de wereld mensen helpen. Ook in Nederland zijn dagelijks duizenden vrijwilligers actief om voor anderen iets goeds te doen. Daar zijn we voor.

Een paar jaar geleden, op de avond van 6 januari 2005, stond ik als kersverse directeur in de coulissen van een televisiestudio te wachten bij een landelijke actie van de samenwerkende hulporganisaties. Doel was geld in te zamelen voor de slachtoffers van de tsunami in Zuidoost-Azië. Ik was trots op het Rode Kruis. Ik was net terug uit het rampgebied en had gezien wat we daar allemaal deden – en konden doen. We zouden gaan zorgen dat er hulp kwam, dat mensen voedsel, medicijnen en onderdak kregen. We zouden mensen gaan helpen om hun familieleden op te sporen.

En terwijl ik stond te wachten werd ik voorgesteld aan een bekende Nederlander, tevens prominent lid van de Joodse gemeenschap. Hij was op weg naar het belpanel, waar hij die avond de talloze telefoontjes zou beantwoorden van mensen die een gift wilden doen. Hij stak mij zijn hand toe, maar trok hem direct weer terug toen hij hoorde wie ik was. ‘Directeur van het Rode Kruis! Dat zijn toch allemaal antisemieten,’ zei hij en haastte zich de zaal in.

Die opmerking zette me met beide benen op de grond. Hoe kon het dat iemand zoiets zei over een organisatie die tot missie heeft iedereen ongeacht sexe, religie, huidskleur of politieke voorkeur hulp te bieden? Voor mij persoonlijk was deze ontmoeting een confrontatie met het handelen – of het juist niet handelen - van het Rode Kruis zestig jaar eerder. En ik realiseerde me ook dat voor velen van u die herinnering even vers is als de dag van gisteren. De twee portretten die we net gezien hebben, tonen dat opnieuw.

Namens het bestuur van het Rode Kruis ben ik vanaf die dag gesprekken gaan voeren met leden van de Joodse gemeenschap. Als bestuur zijn we ook een dag lang opgetrokken met het Joods Educatief Centrum Crescas, om ons bewust te worden van het ‘oorlogsverleden’ van het Rode Kruis. We werden geconfronteerd met dingen die we als organisatie eigenlijk wel wisten, maar waar nooit over gesproken werd. We leerden veel nieuwe dingen. En we schaamden ons. Omdat het tot ons doordrong dat het Rode Kruis in tijden van groot menselijk lijden ernstig in gebreke was gebleven. Jegens u. Jegens uw geliefden. Jegens mensen die juist toen op het Rode Kruis rekenden. En dat los van allerlei initiatieven van vrijwilligers op persoonlijke titel. Achter hun acties kan en mag het Rode Kruis zich niet verschuilen.

Ik hoef u, ben ik bang, niet te vertellen over het weigeren van Joodse donoren bij de bloedtransfusiedienst of over het uitblijven van pakketten in de kampen. Ik hoef u niet te vertellen dat het Nederlandse Rode Kruis weinig tot niets heeft gedaan om overlevenden van concentratie- en vernietigingskampen naar Nederland terug te brengen of in Nederland weer op te vangen. Het is heel pijnlijk om te constateren dat het enige wat wij voor Joden na de oorlog hebben gedaan, was hen brieven te sturen met de namen van al die familieleden die op last van de nazi’s waren vermoord. Zakelijk en formeel.

Tegen de achtergrond van dit oorlogsverleden speelde in 2005 ook de bijzondere trage toelating van Mageen David Adom tot de internationale federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen. Een kwestie die bijna 60 jaar terugging, tot 1949. Ik hoop dat we straks wat langer over dit onderwerp kunnen spreken. Onder de bezielende leiding van Prinses Margriet werd vanaf 1995 internationaal hard gewerkt aan een oplossing, die ruim 10 jaar later resulteerde in de invoering van een derde symbool voor het Rode Kruis: het Rode Kristal. Dankzij deze oplossing is Mageen David Adom inmiddels jarenlang een gewaardeerd lid van de Rode Kruisfamilie. MDA en het Nederlandse Rode Kruis hebben een goede band opgebouwd en we hechten daar bijzonder aan. Internationaal, als de menselijke nood hoog is, slaan we regelmatig de handen ineen, samen met onze vele zusterverenigingen. Dat deden we bijvoorbeeld na de aardbeving op Haïti.

Dames en heren,

Erkennen dat dingen niet goed zijn gegaan, dat het Rode Kruis destijds mensen in de steek heeft gelaten, is moeilijk. Zeker voor een humanitaire organisatie, die er altijd en overal voor iedereen wil zijn. En helemaal naar u toe, als slachtoffers en nabestaanden. Het oorlogsverleden was bij het Nederlandse Rode Kruis jarenlang geen onderwerp van gesprek. Daarin waren we niet uniek, maar we hebben er wel lang over gedaan om dat te doorbreken. Het internationale Rode Kruis noemde de Tweede Wereldoorlog pas in de jaren ‘90 een zwarte bladzijde in haar geschiedenis. Als Nederlandse Rode Kruis waren we nog iets later. Pas in 2005 durfden we openlijk te spreken over falen. En durfden we de confrontatie daarmee aan te gaan. Vandaag doen we dat samen met u. En ik wil laten zien dat het ons menens is en blijft.

Het thema van vandaag is De wens om te herinneren. We willen de herinnering aan hoe het ongelooflijk fout kan gaan, ook door niets te doen, gebruiken voor ons werk vandaag de dag. Dat ook voor ons de herinnering niet decennia oud is, maar als de dag van gisteren. Een spreekwoord leert ons: “Wie zijn geschiedenis niet kent, kan het heden niet doorgronden noch zijn toekomst richting geven.” Als neutrale organisatie staan wij dagelijks voor dilemma’s in ramp- en conflictgebieden. We willen er zijn voor iedereen die in nood is. Maar dat vraagt soms om moeilijke keuzes – geen partij kiezen kan vanuit de ratio verklaard worden, maar vanuit het hart moeilijk te verantwoorden zijn. Neutraliteit is niet vrijblijvend. Het kost ons ook wat. En soms gaat het mis.

Wij moeten waakzaam zijn. Wij moeten onze blik voortdurend gericht houden op de behoeften van mensen in nood. We moeten blijven streven naar neutraliteit, maar ook de intermenselijke relaties in het oog houden. Onze geschiedenis in en na de Tweede Wereldoorlog biedt ons in dat licht een kans.

Binnenkort start in onze organisatie een reflectieprogramma, waarin wij de lessen uit het verleden gebruiken voor de dilemma’s van nu. Om ons er opnieuw van te doordringen dat keuzes – of geen keuzes - verregaande consequenties kunnen hebben.

Verder heeft ons bestuur besloten een gedegen historisch onderzoek mogelijk te maken naar het Nederlandse Rode Kruis in de Tweede Wereldoorlog. Dat onderzoek moet ab-so-luut academisch onafhankelijk zijn. We durven dus – eindelijk - naar onszelf te laten kijken en we durven ons functioneren in het verleden – eindelijk - kritisch te beoordelen. Over 5 jaar bestaan wij 150 jaar en moet ook de periode 1940-1945 eerlijk en duidelijk benoemd kunnen worden.

En last but not least is er onze verantwoordelijkheid voor de archieven waarover we vandaag spreken. We weten dat het in het verleden voor nabestaanden niet zo makkelijk was om toegang te krijgen tot het archief. Nog dagelijks ontvangen mensen informatie uit het archief om meer inzicht te krijgen in het verleden van hun familieleden. Dat willen we zo laagdrempelig mogelijk maken, onder meer door te digitaliseren.

Dames en heren,

Mede namens onze vorige maand aangetreden voorzitter Inge Brakman, hier ook in de zaal aanwezig, wil ik het u nogmaals zeggen: het is ons menens. Ik hoop dat we onze ontmoeting met u en de samenwerking met het Joods Historisch Museum, Joods Educatief Centrum Crescas en Herinneringscentrum Kamp Westerbork, verder kunnen uitbouwen in de toekomst. Dat u ons scherp houdt. Dat we er samen voor kunnen zorgen dat anno 2012 in tijden van nood niemand er alleen voor staat. Nooit meer.

Ik dank u voor uw aandacht – en onze gastheer Joel Cahen voor de gelegenheid.