inloggen
×

Mijn Crescas

Inloggen met gebruikersnaam & wachtwoord






Zonder wachtwoord snel inloggen?

Lezing Ad van Liempt

De opdracht om te blijven herinneren

Verdieping

Artikel Trouw, 4 mei 2012: "Wat als er geen grootouders meer zijn om over de oorlog te vertellen"
http://www.trouw.nl/tr...rlog-vertellen.dhtml

Dames en heren,

Het blijft een van de schokkendste papieren die ik ken: een Empfangsbescheinigung, bewijs voor het in ontvangst nemen van vijf Joodse Nederlanders, en tevens een kwitantie voor het daarvoor geïncasseerde bedrag van ƒ 37,50.

We lezen de namen van vijf al wat oudere Joden, de oudste is van 1858, dus in 1943 al 84 jaar - voor iedereen is zeven gulden vijftig ontvangen. Ze zijn overgedragen door de Kolonne Henneicke, op 5 april 1943, aan de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, daarvoor tekent een SS-er, Wolf.

We zien een paraaf van Aus der Fünten, en een van Polizeisekretär Frank en nog een moeilijk leesbare die van Willy Lages moet zijn. En de handtekening voor ontvangst van het totaalbedrag is onmiskenbaar van Wim Henneicke, de dan 34-jarige leider van de groep jodenjagers die in april 1943 op volle toeren werkt en in die eerste week van april 808 arrestaties mag noteren – dat is een opbrengst van ruim 6000 gulden, eventuele dubbele premies wegens strafgevallen niet meegerekend - in waarde van vandaag ongeveer 35.000 euro. In één week.

Over dit papier kun je je tientallen vragen stellen en dat heb ik de afgelopen jaren ook wel gedaan. Ik wil me nu, in dit verhaal over herinnering en onderzoek, beperken tot deze ene vraag: hoe bestaat het dat dit papier ooit bewaard is gebleven?

Wel, het moet afkomstig zijn uit het archief van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, dat in 1944 was achtergebleven in de school aan het Adama van Scheltemaplein, naast de Euterpestraat in Amsterdam Zuid. Die school stond zo goed als leeg, degenen die er gewerkt hadden, werkten inmiddels bij de SD en de Sicherheitspolizei in de school aan de overkant, of ze waren op Dolle Dinsdag naar Oost Nederland of zelfs naar Duitsland uitgeweken. De belastende archivalia hadden ze achtergelaten. Na hen de zondvloed. Die kwam, in een ongebruikelijke gedaante.

Op 26 november 1944 stijgen vanuit Deurne in het al bevrijde Brabant 24 Typhoons op voor een beoogd precisiebombardement op de gebouwen van de Duitse terreur aan de Euterpestraat. Het wordt een tragedie, want precisiebombardementen bestaan in 1944 alleen in de fantasie van plannenmakers, niet in werkelijkheid. De school aan het Adama van Scheltemaplein wordt weliswaar verwoest, maar de SD wordt daar nauwelijks door getroffen: alleen het archief en de eetzaal zijn daar dan nog gevestigd. En de bommen vallen kort na de lunchpauze, dus het gebouw is leeg. Wel komen er veel bommen op burgerpanden in de omgeving terecht, waardoor ongeveer 50 dodelijke slachtoffers vallen.

Er ontstaat een hevige brand, die nog lang nasmeult.

Dat weet ik uit een brief die ik kreeg, kort na de publicatie van het boek Kopgeld, dat over de jodenjagers van de Zentralstelle gaat, en over hun activiteiten. De brief is van de heer Van Altena uit Amstelveen. Hij schreef me dat zijn vader kort na het bombardement bij de rokende puinhopen rond Euterpestraat en Adama van Scheltemaplein was gaan kijken. Van Altena senior werkte bij de post en had daardoor een Sperr, om 's avonds op straat te mogen. Zijn voornaamste doel was om na te gaan of er soms nog iets brandbaars te vinden was, om thuis het zogeheten ‘wonderkacheltje’ mee aan de gang te houden. Hij vond er, aldus de brief, een grote stapel archiefmappen, sommige verbrand maar sommige ook geheel onbeschadigd.

Ik citeer nu even de brief van de heer Van Altena over zijn vader:

Hij zag reeds visioenen van een aantal mooie papierbriketten vervaardigd uit papierpap in de door ons zelf daarvoor geconstrueerde speciale handpers en bestemd voor het kacheltje. Hij bedacht zich geen moment, keek om zich heen in de doodstille straat, griste een goed gevulde map mee en haastte zich naar huis. Dat hij daarbij met zijn leven speelde heeft hij zich veel later pas gerealiseerd, zeker toen bleek wat de inhoud van de map was. De documenten zijn dan ook niet in rook opgegaan want ik herinner mij nog zeer wel onze machteloze haat en woede, toen ons duidelijk werd dat een mensenleven voor de gangsters uit het oosten slechts 7 gulden 50 waard was.

We hebben het dus aan het historisch besef van PTT-er Van Altena te danken dat een aantal bewijzen voor de betaalde jodenjacht beschikbaar zijn gebleven. Onder andere twee kwitanties, Empfangsbescheinigungen dus, de nummers 1066 en 1067, komen uit die map. Dat historisch besef was bij hem nog groter dan zijn behoefte aan brandstof in de net begonnen hongerwinter. Hij heeft er in 1946 al een met trots bewaarde bedankbrief van Loe de Jong voor gekregen, overigens. Dus als we het vandaag hebben over Herinnering en Onderzoek, dan begrijpt u dat PTT’er Van Altena meteen in mijn herinnering schiet – mede dankzij hem kon er een uitvoerig onderzoek plaatsvinden naar de systematiek van de jodenjacht in Nederland, dankzij hem zal iedereen die er kennis van heeft genomen de herinnering aan die kwitantie, die Empfangsbescheinigung, nooit meer kwijtraken.

Wij zijn hier vandaag omdat de cartotheek van de Joodse Raad, die bij het Rode Kruis berustte, aan het Joods Historisch Museum wordt overgedragen. Dat is een belangrijk historisch gegeven, de kaartenbakken die eerst in Amsterdam en later in Westerbork zijn gebruikt - u hoort er straks veel meer details over - blijven bewaard en zijn dus voor onderzoek beschikbaar.

Het is misschien goed om hier te vermelden dat die Zentralstelle aan het Adama van
Scheltemaplein ook een cartotheek had waarin de Joden van Nederland allemaal waren
opgenomen. Het is mij niet bekend of die cartotheek bij dat mislukte precisiebombardement is getroffen of dat de kaartenbakken al vernietigd waren om de sporen van de misdaad uit te wissen. Hoe dan ook, je zou kunnen zeggen dat ze daar in 1943 twee stapels kaartjes hadden – die van Joden die al gedeporteerd waren en die van Joden die nog gedeporteerd moesten worden. En in hoog tempo werd de eerste stapel steeds hoger en de tweede steeds lager. Daarin speelden de vijf mannen die op die cartotheek werkten een eigen rol. Ze waren min of meer de buren van Kamer 25, de kamer waarin Wim Henneicke kantoor hield, en ze wisten dus dondersgoed dat de
collega’s van een kamer verderop een lucratieve bijverdienste hadden: ze incasseerden een premie voor elke gearresteerde Jood. Dat wilden zij zelf ook wel. Op een dag hebben ze de stoute schoenen aangetrokken, en zijn ze naar de hoogste chef van de Zentralstelle, Ferdinand Aus der Fünten gegaan, en hebben hem gevraagd of ze ook op pad mochten om Joden te arresteren.

Aus der Fünten wees het verzoek direct van de hand, maar een weekje later bleek hij zich te hebben bedacht. Hij liet de mannen van de kaartenbakken weten dat ook zij in aanmerking konden komen voor een premie, maar die werd lager vastgesteld dan de 7,50 voor de leden van de Kolonne Henneicke. Zij konden vijf gulden verdienen voor elke opgebrachte Jood. Voorwaarde was dat zij zelf op zoek gingen, en dus niet op basis van binnengekomen tips mochten werken – dat bleef het domein van Henneicke. En verder was het niet de bedoeling dat ze bijverdienden in reguliere werktijd: ze moesten het karwei als ze dat zo nodig wilden buiten kantooruren verrichten.

De vijf mannen maakten daarop een solidaire afspraak: ze deelden gelijk op, een gulden per arrestatie de man, ongeacht wie er op pad was geweest. Dat pakte het gunstigst uit voor Herman B., de oudste van het stel. Hij was al over de zestig en dus minder gretig om de deur uit te gaan. Maar hij deelde wel volop mee, bij alle arrestaties.

Die Herman B. is wel een speciaal geval – ik heb enig onderzoek naar hem gedaan, en daarom moet ik nog geregeld aan hem denken. Hij is bij de Zentralstelle beland nadat hij had gesolliciteerd op een advertentie in de NSB-krant Het Nationale Dagblad van 15 juni 1942. Daarin werd een kantoorkracht gevraagd, ik citeer … “beschikkende over ruime ervaring, bekend met kaartsysteem en voorraadcontrole.”

Bij wat voor bedrijf of instelling hij solliciteerde wist hij niet, dat vermeldde de advertentie niet, maar hij werd aangenomen. Een meevaller voor een zestiger die werkloos was geworden.

Hij gaat de kaartsystemen van de Zentralstelle beheren, gaat vanaf voorjaar 1943 meedoen aan de arrestaties, in zijn geval voor één gulden per arrestant, wordt na de oorlog opgepakt en al in 1946 ter dood veroordeeld. De Raad van Cassatie, die zich over zijn verzoek om strafverlaging buigt, komt er bijna niet uit. Vijf leden willen de straf omzetten in levenslang, zes houden vol dat hij moet worden geëxecuteerd. In de toelichting staat letterlijk:

“Zij achtten het bij wijze van bijverdienste ophalen van joden tegen een beloning van F 1,— per stuk van zo weerzinwekkende aard dat zij geen aanleiding konden vinden aan uwe majesteit een gunstige beslissing in overweging te geven.”

Op 6 maart 1947 is het vonnis voltrokken. Herman B. is dan 65 jaar, een van de oudste
geëxecuteerden van de oorlog. Ik heb thuis nog de advertentie waarop hij bijna vijf jaar eerder reflecteerde, en die hem noodlottig werd.

Waarom val ik u vandaag lastig met die kwitantie, met die vijf namen, en die advertentie waarin ervaring met voorraadbeheer werd gevraagd? Het zijn voor mij buitengewoon veelzeggende papiertjes, en buitengewoon relevant voor de herinnering aan de dagelijkse praktijk van de jodenvervolging in Nederland, de grootste en tegelijk meest onbegrijpelijke misdaad uit onze geschiedenis.

We ontlenen onze kennis van de geschiedenis aan allerlei soorten bronnen. Voor de Tweede Wereldoorlog zijn de ooggetuigen en de overlevenden lange tijd de belangrijkste bron geweest. Maar die zijn er bijna niet meer. En als ze er zijn, dan dooft hun herinnering langzaam uit. Gelukkig hebben velen hun verhaal verteld, en kunnen we daar tot in lengte van dagen over beschikken. Maar nu nóg hun verhaal vertellen – dat kunnen er nog maar een handjevol.

Drie jaar geleden bracht ik een paar dagen door in het gezelschap van de enige Nederlandse vrouw die de verschrikkingen van vernietigingskamp Sobibor overleefde, Selma Wijnberg. Over zes weken wordt ze negentig jaar, toen was ze dus 86, maar haar geheugen liet haar voortdurend in de steek. De ongekende gruwelen van de SS’ers in die hel daar in Oost-Polen, tegen de Oekraïense grens, hadden veel herinneringen weggevaagd, overwoekerd. En zo is het met zovelen gegaan. Dat is vermoedelijk ook de reden dat zo weinig mensen zich nog details weten te herinneren van hun verblijf in de Hollandse Schouwburg. Wat daarna kwam was zo angstaanjagend, zo gruwelijk, zo traumatiserend, dat het voorgaande vrijwel steeds uit het geheugen is gewist.

Daarnaast hebben we, als bronnen, natuurlijk de documenten die de papieren bewijzen leveren van wat er destijds gebeurd is. Maar die papieren krijgen pas echt betekenis als je het verhaal erachter kent. Ik weet nog dat ik die kwitantie voor het eerst zag, Loe de Jong liet hem aan me zien, toen we werkten aan de remake van De Bezetting, ergens in 1988. Hij was er emotioneel onder, hij vond het een van de vreselijkste papieren die hij ooit gezien had – en toen al plantte hij in mijn hoofd het idee dat ik ooit de verhalen achter die kwitanties zou moeten achterhalen.
De Jong liet me overigens ook ooit eens het briefje lezen waarin de Duitse autoriteiten in Nederland bij de Nederlandse Spoorwegen een aftakking bestelden van de lijn Zwolle-Groningen, ter hoogte van Hooghalen, met bestemming kamp Westerbork. Enkel spoor was genoeg, er was vliegende haast bij de aanleg, en in de laatste zin van het briefje stond de mededeling aan de NS dat de aftakking na ongeveer een jaar weer zou kunnen worden opgebroken. Daar kun je aan zien, doceerde Loe de Jong, dat de nazi’s tevoren wisten dat ze na een jaar alle Nederlandse Joden gedeporteerd zouden hebben.

Tegenwoordig zijn ook andere bronnen steeds meer geaccepteerd als bouwstenen voor
geschiedschrijving: foto's en films. Neem alleen al de website Oorlog in Blik, die dankzij het programma Erfgoed Tweede Wereldoorlog kon worden opgezet - een schat aan bekend en onbekend beeldmateriaal, in een enkele muisklik te bekijken. En zo zijn er meer sites: ondanks alle rechtenproblematiek is er voor wie zoekt heel veel te vinden.

Net als op het gebied van foto's: de beeldbanken van NIOD en Nationaal Archief, maar ook bijvoorbeeld van het NIMH, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie hebben duizenden foto's die als bron kunnen dienen voor historisch onderzoek.

En die daarvoor ook steeds meer worden gebruikt. Hoe indringend foto's kunnen werken bewijst de tentoonstelling In Memoriam, bedacht door Guus Luyters, al die foto's van kinderen die niet meer terugkwamen, een zeldzaam indrukwekkend schouwspel. Ze maken nieuwsgierig naar de verhalen van gewone mensen, gewone kinderen, in een ongewone tijd.

Ik weet niet of sommigen van u dezelfde ervaring hebben, maar ik word de laatste tijd overspoeld met manuscripten van boeken in wording over persoonlijke oorlogsgeschiedenissen. Er is kennelijk grote behoefte aan antwoorden op vragen over de manier waarop ouders, grootouders of andere familieleden zich door de moeilijke jaren 40-45 hebben heengeslagen. De oogst van korte tijd:

  • Het verhaal van de voor gedwongen arbeid in Duitsland weggevoerde vader en opa. De een komt terug, maar wil na zijn terugkeer in zijn gezin geen woord zeggen over wat hij tijdens die periode heeft meegemaakt. De opa overleeft het niet, er zijn vele duizenden Nederlandse mannen niet teruggekeerd van hun werk in Duitsland, ze waren er vaak het doelwit van geallieerde bombardementen, hun ervaringen zijn voor de families van vandaag vaak een openbaring vol emoties.

  • En dan is er het verhaal van die tante die voor de SD gewerkt had en over wie in de oorlog lange tijd in de familie gezwegen was. Tot opeens doorsijpelde dat zij soms van de documenten die ze als typiste onder ogen kreeg illegaal een extra doorslag maakte en aan een bevriend verzetsman doorspeelde. Is dat waar? Is het te bewijzen? Het is een vraag die een familielid al jaren bezighoudt en die tot zeer indringende en tijdrovende naspeuringen leidt.

  • En dan is er het verhaal van de man die ontdekt dat zijn vader op aanzienlijke schaal Joodse onderduikers heeft geholpen, maar in een onoverzichtelijke situatie, kennelijk opgestookt door een duistere derde figuur, ook een slachtoffer heeft gemaakt onder degenen die hij het leven redde. Onvoorstelbare situaties, buitengewoon confronterend voor de zoon - maar het is wél gebeurd en de familie, althans een deel daarvan, wil niet rusten tot ze precies weet wat vader heeft bewogen en wat vader daarna heeft doorgemaakt.

  • Bovendien is er nog het verhaal van een man die als Joodse baby in een veilig onderduikgezin was geplaatst. Hij is er langzamerhand achtergekomen dat hij het leven heeft te danken aan een vrouw, die hém heeft gered, maar die hoogstwaarschijnlijk zijn ouders heeft verraden en laten deporteren. En nu wil hij onderzoeken hoe dat allemaal heeft kunnen gebeuren en wat die vrouw tot haar handelwijze heeft gebracht.

Dit is de oogst van enkele weken.
De lijst met schokkende, ontroerende en onbegrijpelijke verhalen is bijna onbeperkt aan te vullen. De bezettingstijd heeft zoveel families en zoveel individuele personen voor onverwachte keuzes en ingewikkelde dilemma's geplaatst dat er geen eind aan de verhalen lijkt te komen.

Het is er kennelijk de tijd voor. Het accent in de geschiedschrijving komt steeds meer op het leven van gewone mensen in ongewone omstandigheden te liggen - omdat we inzien dat we in het onderzoek naar het leven van gewone mensen heel dichtbij de werkelijke geest van de tijd kunnen komen. En dat die levens ook de meeste mogelijkheden voor identificatie geven.

Het is er de tijd voor, en we hebben er de mogelijkheden voor. De archieven worden steeds toegankelijker, dankzij internet kunnen we alles veel sneller vinden. En vooral: de derde generatie begint zich te roeren. Waar de tweede generatie lange tijd weinig behoefte had aan diepgaand onderzoek naar het leven en streven van de eigen ouders, zijn nu de kleinkinderen massaal op weg naar de bronnen. Met grote onbevangenheid, en zonder de schroom, de vooroordelen en de taboes van hun ouders. Nee, van die Tweede Wereldoorlog zijn we nog lang niet af.

Maar er is wel een probleem. De ooggetuigen sterven uit. Zelfs die fantastische ooggetuigen die de afgelopen decennia aan onze schoolklassen voorbijtrokken, steeds vaker door vrijwilligers vervoerd en door rollators ondersteund, om het verhaal van de oorlog te vertellen.

Er zijn er die het nog steeds doen, al zijn ze 85-plus, of zelfs 90-plus, en nog steeds bezorgen ze de jeugd een onvergetelijke ervaring. Wie ooit Frieda Menco's verhaal heeft gehoord, of Jules Schelvis heeft horen vertellen, of Ernst Verduin, of Lotty Huffener, of wie dan ook van deze categorie, die heeft het verhaal uit de eerste hand gehoord en zal dat nooit meer kwijtraken.

Maar straks kan dat dus niet meer. Ik weet dat de mensen van de diverse steunpunten, die die schoolbezoeken organiseren, zich grote zorgen maken hoe het verhaal verder verteld moet worden. Het idee om de volgende generatie daarvoor te vragen lijkt mij niet zo geschikt. Mensen die het niet hebben meegemaakt, maar uit de verhalen van hun ouders putten, lijken me niet de ideale vertellers voor de nieuwe generatie.

Ik zou een andere suggestie willen doen. Laten we jonge historici met een passie voor de Tweede Wereldoorlog hiervoor opleiden en ze inzetten op de plekken van de vroegere gastsprekers. Ik ken er zo al zeker tien die er heel geschikt voor zijn: ze weten ontzettend veel, hebben vaak zelf volop archiefonderzoek gedaan, hebben ook geregeld mensen over hun oorlogservaringen geïnterviewd en hebben het grote voordeel dat ze veel dichter bij de schoolkinderen staan. Voorwaarde is dat het gepassioneerde verhalenvertellers zijn, die met menselijke, invoelbare verhalen kunnen boeien, daarbij documenten of andere bewijsstukken kunnen laten zien en door een gedegen achtergrondkennis ook in staat zijn de vragen van scholieren te beantwoorden.

Ik ben er voor om op deze manier de reizende geschiedenisleraar te introduceren, die een kleine vergoeding krijgt, en al doende steeds meer ervaring krijgt in het doorvertellen van al die verhalen, die de afgelopen decennia zijn opgedoken en die vandaag nog steeds opduiken.

Ik ben ervan overtuigd dat de instellingen die op dit terrein werkzaam zijn er in zullen slagen enige fondsen bijeen te brengen om de reizende geschiedenisleraar op te leiden en het land in te sturen. Ik ben lang niet meer van de geschikte leeftijd, maar ik wil in de beginfase graag helpen opleiden en coachen.

En ik wil ook meehelpen zoeken naar de geschikte papieren en documenten die de reizende geschiedenisleraar straks aan de scholieren kan laten zien. Om te beginnen die
Empfangsbescheiniging, die kwitantie van ƒ 37,50, die ooit uit de brandende puinhopen van het Adama van Scheltemaplein is gered door die postbeambte met dat voorbeeldige historisch besef.

Ik dank u voor uw aandacht.