|
HOGE HOEDEN, HOGE STANDAARDEN
Een essay door mr. Joop Al z.l.
Hoewel de titel suggereert dat ik het alleen zal hebben over de ethiek voor Joodse bestuurders wil ik, om te beginnen, enige opmerkingen maken over de opvattingen in Tora en de rabbijnse literatuur over Joodse leiders.
Al in het begin van de Tora, in de parasjat Noach, lezen we een eerste vermelding van een leider. Noachii wordt beschreven als een rechtvaardige in zijn generatie: met G’d wandelde Noach. Rasji zegt hierover dat sommige rabbijnen dit positief uitleggen en anderen negatief. Positief: als hij in een andere generatie had geleefd was hij nog braver geweest. Negatief: hij was rechtvaardig in zijn generatie maar vergeleken met Awraham zou hij niets hebben betekendiii.
Wat opvalt is dat Noach alles precies doet wat G’d hem opdraagt. Hij vertoont geen enkel initiatief en weerspreekt de straf niet. Hij is passief. Ook als de regenvloed heeft opgehouden, wacht hij op toestemming om te debarkeren. Hoe anders is Awraham. Als HKBH voornemens is om S’dom en ‘Amora te vernietigen gaat hij in discussie met G’d om de redding van de inwoners van die steden te bepleiteniv. Een in de literatuur minder genoemde persoon is Jona ben Amitai, die als profeet naar Ninive moest gaan om de bewoners tot de orde te roepen. Ook hij gaat in discussie met G’d en als hij geen resultaat ziet, vlucht hij. De gebruikelijke uitleg is dat hij vlucht uit angst. Ik denk het niet. Hij vlucht, omdat hij wellicht naïef dacht zo de rampspoed over Ninive te kunnen afwendenv: als de boodschapper verdwijnt, zo dacht hij, is er ook geen boodschap meer en wordt de bevolking gespaard. In het verloop van de verhalen in Tora leren wij over de ontwikkeling van leiderschap, met name in de verhalen over de zonen van Ja’akov. Re’oeween, de eerstgeborene, is in het begin de natuurlijke leider: hij overreedt zijn broers om Yoseef niet te doden. In zijn afwezigheid treedt een andere broer naar voren: Yehoeda die allengs de leider van zijn broers wordt. Ook in de dramatische ontmoeting met Yoseef, waarin hij voorstelt om Benjamin te laten gaan en hij zelf in gijzeling gaat, toont Yehoeda zich een leider. En dat wordt niet betwist. In Ber. 46:28 lezen we dat Yehoeda als kwartiermaker wordt uitgezonden naar Gosjen en bij de zegeningen van Ya’akov lezen we: “De scepter zal niet weggaan van Yehoeda noch de leiderstaf die tussen zijn voeten rust ...”vii. De tendens tot hiertoe zichtbaar, is dat de eerstgeboren zoon wel een speciale positie inneemt, maar niet automatisch als leider de traditie voortzet: Isjmaeel wordt voorbijgestreefd door Ja’akov, Esav door Yitzchak en Re’oeween door Yehoeda en Yoseef. Ook de jongste zoon van Yoseef, Ephraïm gaat voor zijn oudere broer Menasse. Dit is een uniek verschijnsel in de klassieke oudheid. Als paradigma van leiderschap in Tora kun je niet om Mosjé en Jehosjoe’a heen. Beiden zijn qua persoonlijkheid, maar ook in hun handelen ideale leiders. Ik zal het eerst over Jehosjoe’a hebben omdat hij minder prominent lijkt dan Mosjé. Een eerste vermelding van Jehosjoe’a vinden we in het verhaal over de twaalf verspieders viii, waarin hij een opmerkelijk inzicht en G’dsvertrouwen vertoont. Later wordt hij door Mosjé als zijn opvolger gekozen en hij is een van de weinigen van de woestijngeneratie die het is vergund om het Land binnen te trekken In het Boek Jehosjoe’a lezen we dat hij in staat is om impopulaire, harde maatregelen te treffen ter wille van het Volk. Bij de verovering van Jericho verbiedt Jehosjoe’a de veroveraars iets van waarde voor zich te nemen. Achan overtreedt dit verbod en in een volgende slag om Ai verliest Jisrael. Jehosjoe’a gaat op onderzoek en ontdekt dat Achan zijn verbod heeft overtreden. Hij veroordeelt hem ter dood door steniging. Noe , zou je zeggen, een harde straf voor een simpele overtreding. Maar je moet wel de omstandigheden in ogenschouw nemen. In een veldslag is strikte discipline een conditio sine qua non. Ongedisciplineerd ten strijde trekken, betekent zonder meer verlies van de veldslag. Daar komt nog bij dat Achan niet zo maar iemand was: in hedendaagse termen hij was ‘royalty’. Hij wordt geïntroduceerd als een afstammeling van Zerach ix een zoon afkomstig uit de verbintenis tussen Tamar en Yehoeda en is op die manier nauw verbonden met de Davidise dynastie waaruit ook de Masjiach zal voortkomen. Zijn positie maakt hem extra verantwoordelijk. Als een gewoon iemand een overtreding begaat, kan hij deze schuld delgen door een individueel offer. Maar als een van de leiders van Israël een overtreding begaat wordt dit aan heel Israël toegerekend. Dit idee wordt verder uitgewerkt in de Misjna x, waar wordt vermeld dat het de praktijk was van Beth Hilleel om strikt te zijn voor zichzelf, maar voor het brede publiek een milde houding aan te nemen. In de Talmoed wordt hierop verder gediscussieerd met de vraag: Wat is Chilloel Hasjeem?" xi In Yoma wordt deze vraag opgeworpen. Rav antwoordt: “Als iemand zoals ik vlees van de slager koopt en niet direct betaalt”. En in het traktaat Sjabbat zegt R. Chiya ben Abba uit naam van R. Jochanan: “Iedere geleerde op wiens kleding vlekken zitten, is het waard om gedood te worden”. Iedere publieke functionaris moet zich bewust zijn van zijn publieke taken. Hij mag privé-belang nooit voor publiek belang laten gaan. En hij moet zich ook dienovereenkomstig kleden. Elders xii heb ik geschreven over de reglementen van een kehilla in Berlijn, waarin staat dat parnassiem kunnen worden beboet indien zij niet netjes gekleed ter vergadering verschijnen. Ze moeten goed gekleed gaan uit eerbied voor het publiek dat zij vertegenwoordigen! Uit de verhalen over het leven van Mosjé kunnen we een aantal regels afleiden: a)Een leider moet geen minderwaardigheidsgevoel hebben. Mosjé groeide op aan het hof van Farao. Daarom kon hij zijn zaak bepleiten zonder door zenuwen te worden overmand. b)Mosjé kon handelen op eigen initiatief en vanuit eigen morele overtuiging zonder dat er op dat moment wetgeving was die hem kon leiden. Het incident met de Egyptische toezichthouder die een medejood aftuigde illustreert dit. c)Naast het onder b) genoemde incident was er nog een ander incident waarin Mosjé de kant van de zwakkeren koos: bij de bron in Midjan springt hij in de bres voor de dochters van Jithro, die door herders worden lastig gevallen. In beide gevallen had hij kunnen zeggen '’het is mijn zaak niet”, zeker bij het laatstgenoemde incident, toen hij inmiddels had ervaren dat het beschermen van een zwakkere verbanning uit het paleis van de Farao als sanctie kon hebben. Maar zijn karakter veranderde niet. Overal waar hij ongerechtigheid zag trad hij op. d)Het gaat niet slechts om verantwoordelijkheid voor de groep, maar ook voor ieder individu. e)Nederigheid is een goede zaak, maar te nederig zijn, is voor een leider niet goed. In Bem. 12:3 toen Mosjé werd benaderd door G’d om het leiderschap op zich te nemen, noemt Mosjé vijf redenen om het niet te doen, en dan verliest G’d zijn geduld. Andere bekende persoonlijkheden in Tora die als leiders worden gezien zijn Sja’oel, David en ook Sjmoe’eel. Sjmoe’eel is eigenlijk een tragisch figuur. Hij groeit op bij Eli, de koheen gadol. Niet in gezinsverband maar in de Tempel. Onder druk van het Volk benoemt hij een koning, maar hij benoemt dan ook nog de verkeerde. In I Sjmoe’eel 9 staat dit beschreven. Het is bijna komisch om te lezen. Sja’oel is op bevel van zijn vader op zoek naar verdwenen ezelinnen. Hij vindt ze niet direct en wil weer terug naar huis als zijn medezoeker hem zegt: “Kom, hier dichtbij is een stad met een ziener (= profeet), laten we hem vragen of hij ons kan helpen met die verdwaalde ezelinnen.” Ze komen in die stad. G’d had daarvoor aan Sjmoe’eel gezegd; “er komt een man uit de stam Benjamin en die moet je tot koning zalven”. Sja’oel, afkomstig uit de stam Benjamin, komt dus in dat stadje en Sjmoe’eel ziet hem als eerste. Zo wordt Sja’oel koning. Hoewel Sja’oel een bescheiden man was met een goed karakter, faalde hij als leider. Sjmoe’eel zag dat eigenlijk al direct xiii. Maar hij had het gevoel dat hij niet meer terugkon. Sja’oel maakt twee onherstelbare fouten: hij nam niet de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het handelen van het volk. In plaats van het volk te leiden, volgde hij het volk en in strijd met G’ds bevel spaarde hij Agag, een Amalakiet. Met andere verdere ellende van dien. Het koningschap van Sja’oel was niet succesvol. Ook Koning David had zijn gebreken en misselijke streken - denk aan de geschiedenis van Uri en Batsjewa – maar in zijn koningschap was hij succesvoller dan Sja’oel. De conclusies ten aanzien van de eigenschappen die een leider moet hebben en die we uit het voorgaande kunnen trekken - een deel is al beschreven in de parasjat Jithro xiv - zijn door de Rambam xv als volgt geformuleerd:
Deze eigenschappen zijn zelden of nooit in een persoon verenigd. Het is ook een ideaalbeeld dat we voortdurend moeten nastreven in de keuze van onze bestuurderen. Dat er soms een conflict kan ontstaan ten aanzien van een of meer van deze genoemde eigenschappen vinden we uiteengezet in het navolgende responsum.
Er zijn twee posities denkbaar:
Sjaliach Tsiboer De sjats moet een hoogstaand iemand zijn, dat wil zeggen zonder zonden
en van onbesproken gedrag. Hij moet bescheiden en aimabel zijn, een goede stem hebben en ervaring in het cantileren van Tora, Profeten en de Geschriften (TeNaCh). Echter: een goed karakter gaat voor een goede stem.
Het lijkt mij dat een bestuurslid niet kan worden gekwalificeerd als een sjats. Gabbai De kleding van degene die het geld xviii te voorschijn haalde mocht geen zakken bevatten, noch mocht hij schoenen of sandalen dragen, tefillin of een amulet.
Als hij arm zou zijn, zouden ze zeggen: vanwege zijn zonden (d.w.z. hij heeft gestolen). Als hij rijk zou worden, zouden ze zeggen, dat het vanwege het geld uit de Tempel was, want iedereen moet boven elke verdenking staan, zoals hij ook zorgvuldig is in zijn handelen ten opzichte van G’d. Als er aanwijzingen zijn, of indien wordt vastgesteld dat een gabbai zich onfatsoenlijk heeft gedragen dan kan de gemeente hem tussentijds ontslaan. De Rema zegt dit in algemene termen xix: “Als de gemeente het wil, mogen ze de gabbai ontslaan en hem door een ander vervangen en dit zet de gabbai ( d.w.z. degene die is ontslagen) niet in een kwaad daglicht”.
Anders gezegd: ontslag van een gabbai hoeft niet altijd te betekenen dat hij iets onbetamelijks heeft gedaan. Zo wordt het ook geformuleerd in de Aroech HaSjoelchan xx. Heden ten dage is de gabbai iemand die in sjoel verantwoordelijk is voor de eredienst. Zijn functie heeft nauwelijks nog financiële aspecten. In het algemeen kun je niet stellen dat een bestuurslid van een Joodse gemeente kan worden vergeleken met een gabbai tsedaka. Parnas In yBer. 5:1: “Hij die zorgt voor de noden van de gemeente is als hij die Tora leert.”
In bPes.113b: “Er zijn vier typen (mensen) die niet getolereerd worden …. Een parnas die zonder noodzaak over de gemeente heerschappij voert ( d.w.z. hooghartig bestuurt).”
In bRosjHasj. 17b: “Wie zijn degenen die het land der levenden terroriseren? R. Chisda zegt: ‘Dat is een parnas die de gemeente intimideert zonder goede bedoelingen’. R. Yehoeda uit naam van Rav: ‘Een parnas die de gemeente intimideert zonder goede bedoelingen, zal nooit een zoon hebben die een Tora-geleerde is.”
In bChag. 25b: “Onze wijzen leerden; er zijn drie type mensen waarvoor HKBH iedere dag huilt…: een parnas die hooghartig de gemeente bestuurt…”.
En in Vajikra Rabba: als een mens gezondigd heeft, zijn er verschillende manieren om dat goed te maken. Als ultimum remedium: “jeleech weje’asee parnas al hatsiboer – laat de mens heengaan en parnas van een gemeente worden”. Dan zullen al zijn zonden worden vergeven. Een parnas moet dus zijn functie uitoefenen met nederigheid en tederheid, zoals een vader een zuigeling verzorgt. Aan een publieke functie ontleent men geen rechten, zij schept slechts verplichtingen voor degene die de functie uitoefent. Ook aan het gedrag van een parnas worden hoge eisen gesteld. In een samenleving waarin het verrichten van werk niet hoog wordt gewaardeerd, is het een parnas verboden te werken in de aanwezigheid van drie of meer personen. Dit duidt er namelijk op dat de parnas zo weinig aanzien heeft dat niemand dit weinig eervolle werk hem uit handen wil nemen. Ook eten en drinken in publieke gelegenheden wordt afgeraden omdat dit, met name het drinken, kan leiden tot gedrag waarvoor men zich later schaamt. Een andere eis, wellicht de belangrijkste en meest overtreden regel, is die van vertrouwelijkheid: al hetgeen een parnas hoort en ziet moet hij voor zich houden. In de Talmoed xxi wordt een incident vermeld over een student van wie werd gezegd dat hij tweeëntwintig jaar geleden een geheim had onthuld dat was besproken in het Beth HaMidrasj. Rav Ammi stuurde hem weg. Dit betekent dat privé-informatie, ook al is deze bekend aan een grote groep mensen, niet buiten de groep mag worden onthuld!. Het optreden van een parnas moet zodanig zijn dat er geen kritiek op kan worden uitgeoefend. Ook moet de situatie worden vermeden dat er een belangenconflict kan ontstaan. Om deze reden, dat is een voorbeeld waaraan ook het handelen van een parnas wordt getoetst, mochten de koning en de Hogepriester niet aanwezig zijn in het Sanhedrin als de vaststelling van de kalender aan de orde was xxii. Uit het voorgaande blijkt dat voor de beoordeling van het handelen van een parnas later in de geschiedenis aansluiting wordt gezocht bij wel in de Talmoed weergegeven halacha: de Rema formuleert dat leiders van de gemeenschap moeten worden vergeleken met rechters en zoals rechters worden gediskwalificeerd door hun misstappen, zo worden ook leiders gediskwalificeerd. In de Talmoed xxiii wordt vermeld wat kan gebeuren als onwaardige rechters aanblijven: “R. Jochanan zei [verder]: ‘ wat is het belang van de woorden: ‘ En het gebeurde in de dagen dat de rechters werden beoordeeld?” Het was de generatie die de rechters beoordeelde. Als een rechter tot een man zei: ‘haal de splinter tussen je tanden vandaan’ zou hij antwoorden: “Haal de balk voor je ogen weg’. En als de rechter zei: ‘jouw zilver is dof’ zou de man antwoorden: ‘jouw wijn is aangelengd met water’”.
Een van de hiervoor vermelde risico’s voor een parnas/rechter is aanraking of zelfs vermenging van privé-belang en gemeentebelang. En ook de verlokking van ‘sjochad’ - omkopen - is reëel. In de Talmoed xxiv wordt een verhaal verteld waarbij R. Jisjma’eel was betrokken en waaruit ons de buitengewone subtiele invloed die ‘sjochad’ kan hebben, duidelijk wordt. R. Jisjma’eel bezat landerijen die aan een pachtboer waren verpacht. Het gebruikelijke systeem in die dagen was, dat de opbrengst van het land volgens een bepaalde verdeelsleutel werd verdeeld tussen de boer en de landeigenaar. De pachtboer kwam daartoe iedere vrijdag naar de stad om R. Jisjma’eel een mand met vruchten uit zijn boomgaard te brengen van het gedeelte dat hem toekwam. R. Jisjma’eel, die voorzitter van het Beth Din was en in die functie zijn pachtboer had moeten berechten, weigerde de vruchten te accepteren omdat hij bang was, dat het accepteren ervan als ‘sjochad’ beschouwd zou kunnen worden, ondanks het feit dat die vruchten zijn eigendom waren. Echter, zelfs nadat hij de mand met vruchten had geweigerd, was hij nog bang dat de geste van de boer om hem de vruchten een dag eerder te brengen dan normaal, bij hem een zekere genegenheid voor hem had opgewekt, waardoor hij niet meer objectief over hem zou kunnen oordelen en hij zei tegen hem: “Ik ben niet in staat je te berechten”. De zaak werd aan andere dayaniem overgegeven. R. Jisjma’eel was zelf niet in de zittingszaal aanwezig toen de zaak van zijn pachtboer werd uitgeroepen, doch hij kon de uiteenzettingen van beide partijen uit een aangrenzende kamer goed horen. Hij bemerkte bij zichzelf dat bepaalde argumenten die in het voordeel van zijn pachtboer waren, niet werden genoemd en dat de argumenten tegen zijn boer vrij dun waren. Hij dacht, dat als hij de argumenten naar voren bracht die hij zelf zou kunnen noemen, hij de zaak zeker zou winnen. Dit alles bedacht R. Jisjma’eel toen hij de argumenten in de zittingszaal hoorde. Tot hij besloot zichzelf iets kritischer te bekijken. Hij kwam toen tot de conclusie dat al deze argumenten ten aanzien van zijn pachtboer slechts werden ingegeven door zijn vriendschappelijke gevoelens jegens zijn pachtboer, ontstaan door het feit dat hij de mand met vruchten eerder had gebracht dan gebruikelijk. En zijn conclusie was: “indien ‘sjochad’ een dergelijke funeste invloed kan hebben op iemand die ‘sjochad’ niet eens heeft aangenomen – en indien ik het had aangenomen, dan nog waren het mijn eigen vruchten geweest – wat voor een verderfelijke invloed moet het dan wel hebben op hen, die in werkelijkheid ‘sjochad’ aannemen.” Uit dit verhaal kun je als conclusie trekken dat een bestuurder zelfs de schijn moet vermijden dat hij beïnvloedbaar is.
Als de feiten niet vaststaan, is er een probleem. Hoe deze vast te stellen? Als het geleadeerde gemeentelid direct naar de burgerlijke rechter gaat, loopt hij het risico dat het bestuur, wellicht door het rabbinaat, zich gedwongen voelt een afwijzende houding aan te nemen, omdat volgens de Sjoelchan Aroech xxv Joden die tegen Joden procederen, dit niet voor een niet-Joods gerecht mogen doen. Anderzijds is de verhouding bestuur-rabbinaat in onze dagen en in onze landen ook niet altijd vrij van spanningen. In een casus, waarbij een medewerker zou moeten getuigen tegen zijn werkgever voor een niet-Joods gerecht, werd aan R. Mosjé Feinstein z.l. de vraag gesteld of deze werknemer dit volgens de halacha wel mocht doen. Het antwoord was bevestigend, omdat in onze dagen de niet-Joodse gerechten objectief zijn en niet per definitie een Jood-vijandelijke houding aannemen. Dit antwoord, getransponeerd op onze casus, betekent naar mijn mening dat voor de vaststelling van de feiten de klager het Beth Din mag passeren en zich direct tot een seculier gerecht van zijn woonplaats mag wenden. Als de uitkomst is, dat er toch door het bestuurslid onregelmatig is gehandeld, dan moet deze terugtreden. Als de uitkomst is, dat het een pleitbaar zakelijk geschil is, dan mag het bestuurslid aanblijven. xxvi Uit het vorenstaande moge blijken dat aan bestuurders van een Joodse gemeente hoge morele eisen worden gesteld. Ze hebben een voorbeeldfunctie. Ze moeten hun gemeente niet alleen leiden met betrekking tot de praktische zaken van de gemeente, maar ook in morele zin. Zoals over Jehosjoe’a en David wordt gezegd: “hij vertrok aan hun hoofd en kwam terug aan hun hoofd” en zoals in het Israëlische leger het karakteristieke commando van de officieren is “volg mij”, zo moeten bestuurders hun gemeente ook in morele zin voorgaan.
|
|
||||||||||