Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Talmoed-columns van Leo Mock

Wekelijkse column over Talmoed door Drs. Leo Mock

GEVAARLIJKE TIJDEN

Een gevaar telt zwaarder dan een verbod, stelt de Joodse traditie. Vandaar dat we in de Talmoed vele vermaningen vinden voor gevaarlijke toestanden. Bijvoorbeeld geen vis en vlees samen eten – daar word je melaats van – geen water of andere vloeistoffen drinken die onbedekt stonden – een slang zou wel eens een slokje kunnen nemen en gif achterlaten – of in je uppie op woensdag- en vrijdagavonden naar buiten gaan. Want dan maken Igrat Bat Machlat en haar 180.000 verderfelijke engelen hun uitje en hebben toestemming om mensen te schaden. Vroeger gingen ze zelfs elke avond uit, maar gelukkig ‘regelde’ de vrome wonderdoener Chanina ben Dosa (Israël, eerste eeuw) dat ze voortaan nog maar twee keer per week de hort op gaan (B.T. Pesachiem 112b).
Een bijzonder gevaarlijke tijd is de periode tussen 17 Tamoez en 9 Aw – de drie treurweken ‘in de joodse kalender’ - (dit jaar van 13 juli tot 3 augustus 2006 volgens de gewone kalender). Deze periode staat in het teken van allerlei collectieve rampen die zich in een ver verleden voordeden, met als bekendste catastrofe de verwoesting van de beide Tempels in Jeruzalem. Het is van oudsher een ongelukkige tijd voor het Joodse volk. Maar, ook in het dagelijkse leven van het individu ligt het gevaar op de loer. Zo moeten de leraren de kinderen in deze periode niet slaan. Een ‘goedbedoelde’ klap kan dan uitlopen op een gevaarlijke verwonding. Ook moet je in deze drie weken oppassen om niet alleen tussen het vierde en tiende uur van de dag buiten te lopen. De reden hiervoor is, dat dan een demon met de spooknaam ‘keteb meriri’ – genoemd in Dewariem 32:24 – rondwaart. Volgens de Talmoed bestaan er twee soorten ‘ketebs’: één die voor de middag regeert – de keteb meriri – en één die na de middag werkt – de ‘keteb jasjoed tzoharajiem’ – bekend uit Psalm 91:6. De eerste lijkt ‘op een lepel die in een bord met pap ronddraait’, de tweede lijkt op ‘geitehorentjes die vleugeltjes krijgen’.
Abaje (vierde eeuw, Babylonië) liep eens met rav Papa aan zijn rechterzijde en rav Huna aan zijn linkerzijde. Dan ziet hij een keteb meriri van links aankomen. Bliksemsnel wisselt Abaje de beide geleerden om. Rav Papa wil hierna weten waarom zijn collega hem op de gevaarlijke plek neerzette. ‘Waarom was je niet bang dat mij iets zou overkomen?’ Abaje antwoordt dat Papa niets te vrezen heeft omdat de tijd hem gunstig gezind is. Papa was een rijk man en had dus een sterk gesternte (mazal), waardoor hij niet bang hoefde te zijn. Ketebs zijn te vinden in de schaduw van een bepaald soort struik die nog geen el hoog is, in de ochtend- en avondschaduwen en vooral in de schaduw van een toilet (B.T. Pesachiem 111b). Vanwege de gevaarlijke schaduwen wordt ook afgeraden om je op straat te begeven in een gebied dat tussen de schaduw en de zon ligt. Volgens rabbijnse responsa geldt het verbod om alleen in de drie weken op pad te gaan niet wanneer je op weg bent voor een goede daad of je in de bewoonde wereld bevindt. Toch kan je ook volgens hedendaagse rabbijnen beter afzien van gevaarlijke dingen, zoals een reis naar het buitenland of zwemmen.

<< Treuren om de TempelSodom’s zout >>