Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Talmoed-columns van Leo Mock

Wekelijkse column over Talmoed door Drs. Leo Mock

GOED ETEN

Het nuttigen van specifieke etenswaren op de avond van Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) is een oud gebruik, en is van Talmoedische oorsprong. In de Talmoed lezen we hoe Abaje (Babylonië, vierde eeuw) het volgende aanraadt: “Nu we weten dat een teken zijn invloed heeft, laat men daarom de gewoonte hebben om aan het begin van het jaar pompoen, roebia, prei, silka en dadels te eten” (B.T. Horajot 12a). De vraag is alleen hoe je die soorten moet identificeren. Vooral ‘roebia’ levert problemen op en ook ‘silka’ blijkt multi-interpretabel te zijn. Volgens Rasji (1040-1105) is ‘roebia’ een klaversoort. Je denkt hierbij natuurlijk meteen aan het wijd verspreide (bij)geloof dat een klavertjevier geluk brengt. Een 17de eeuwse commentator borduurt verder op de interpretatie die ‘roebia’ ziet als verwant aan de Hebreeuwse stam voor vermeerderen (rbh). Zijn conclusie: in elke taal díe etenswaar waarin de betekenis van vermeerderen zit. Welke dingen dat bijvoorbeeld zijn, zegt hij niet (misschien de meerval?). Anderen zien hier waarschijnlijk rapen in of fenegriek – een kruid waarvan de zaden driehoekig zijn en dat veel door Jemenitische Joden wordt gegeten (chilbah). Ook over de ‘silka’ is men het niet eens: gaat het over spinazie of bietjes?
In de Middeleeuwen ontstonden nog allerlei andere etenstradities, verschillend per regio. Zo is daar de klassieke appel met honing, de granaatappel, een schapenkop – of eventueel een vissenkop – worteltjes en sesamzaad. Een ander gebruik zou het eten van schapenlongen zijn geweest, omdat dit lichtverteerbare kost was. Sommige vinden dat die schapenkoppen ook nog eens in honing gedoopt moeten worden; een onsmakelijke combinatie.
Oriëntaalse Joden proberen deze tradities nauwgezet te volgen, maar bij veel Asjkenazische Joden wordt het ritueel meestal in beknopte vorm uitgevoerd: een appel met honing, een granaatappel of een vissenkop.
Omdat zoveel mogelijk positieve symboliek wordt uitgedragen is het een algemeen gebruik om vooral zoete dingen te eten en om zure dingen te mijden: azijn, zure wijn of zure vruchten en dergelijke. Maar er zijn andere redenen voor die zoetigheden. Volgens sommigen heeft dit gebruik zelfs een bijbelse oorsprong. In het bijbelboek Nechemja (vijfde eeuw voor de jaartelling) is namelijk te lezen hoe, na het bouwen van de muur om Jeruzalem, de terugkeerders uit de Babylonische ballingschap een mysterieuze bijeenkomst hielden voor de waterpoort. Ezra laat het ‘Boek van Mosjé’ halen en leest voor. Het is de eerste van de zevende maand, vertelt de tekst nog terloops – dus Rosj Hasjanna. De voorleessessie duurt van zonsopgang tot middag. Wat er precies voorgelezen wordt is onduidelijk: het volk antwoordt amen, knielt en huilt. Dan zegt Nechemja: "Vandaag is het een heilige dag voor de Eeuwige uw God, treur niet en weest niet bedroefd... Ga en eet vette spijzen en drink zoete dranken en geef een portie aan hen die niets hebben." (Nechemja 8:9-10)
De Kabbala houdt het erop dat de zoetigheid op Rosj Hasjanna symbool staat voor het zoet maken/verzachten van de Krachten der Gerechtigheid (diniem). Hierzonder zou het Goddelijke oordeel wel eens ondragelijk kunnen zijn.

<< Maand van de inkeerVerregende pelgrims >>