TREUREN OM DE TEMPELDe verwoesting van de Tweede Tempel door de Romeinen in het jaar 70 was een groot trauma voor het jodendom. De geleerden stelden allerlei bepalingen in waardoor men de verwoesting altijd zou herinneren. Zoals er ook staat: ‘Wanneer ik Jeruzalem zal vergeten, dan zou ik mijn rechterhand vergeten. Moge mijn tong aan mijn verhemelte kleven als ik niet meer aan u zou denken’ (Tehilliem 137:5-6). Een van die maatregelen is, om bij een huis altijd een gedeelte van de muur ongeschilderd te laten als herinnering aan de Tempel. De maat hiervoor is één (Joodse) el bij één el. Volgens sommigen moet dit gebeuren op de muur tegenover de ingang, zodat men wanneer men in- en uitloopt de plek ziet en aan de verwoeste Tempel denkt (B.T Baba Batra 60b). Zoals gewoonlijk is er een meningsverschil in latere geschriften of één plek voor het hele huis voldoet, of dat elke kamer in het huis een kale plek moet hebben. En, wat doe je met een volledig geverfd huis dat je van iemand anders koopt? Niks aan de hand, zeggen sommigen. Misschien is zo’n huis wel door een niet-Jood gebouwd en die hoeven geen herdenkingsplek over te laten. Maar als je zeker weet dat een Jood het huis heeft gebouwd, dan moet je volgens sommigen de muur toch een stukje afkrabben. Foute mensen vrolijken zo’n kale plek op met een tekening van de Klaagmuur, met daarboven in fraaie letters ‘Zecher Lechoerban’ – Ter herinnering aan de verwoesting.
Een andere bepaling heeft betrekking op een feestmaal. Volgens de Talmoed moet je bij een belangrijke maaltijd een gerecht weglaten ter herinnering aan de Tempel. Op Sjabbat hoeft dat niet, omdat je op deze heilige rustdag niet mag treuren. Het gaat hier om maaltijden waarbij een vaste volgorde van de gerechten wordt aangehouden, zodat het gebrek opvalt. In andere gevallen moet je een plaats op tafel vrijlaten en daar geen borden en bestek of gerechten plaatsen. Meer bekende treurgewoontes zijn het breken van een voorwerp bij de verloving en het trouwen, en het leggen van as op het voorhoofd van de bruidegom, op de plaats waar de tefillien normaliter gelegd worden.
Ook mag je nooit te vrolijk zijn. Rabbi Jochanan zei: ‘Een mens mag niet uitbundig lachen in deze wereld.’ Toen de geleerde Resj Lakiesj (Israël, derde eeuw) dit van zijn leraar Jochanan hoorde, lachte hij zijn gehele verdere leven niet meer uitbundig. Pas wanneer de ballingschap voorbij zal zijn, mag er weer flink gelachen worden, zoals er staat ‘Dan zullen onze monden zich vullen met gelach’ (Tehilliem 126:2 - B.T Berachot 31a). ‘Na de verwoesting mag je niet teveel vreugde tonen, zelfs niet voor een mitswa (gebod)…totdat de Masjiach komt’ (Meiri, dertiende eeuw). Volgens anderen heeft dit verbod helemaal niets met de verwoesting te maken – het is áltijd verboden om te uitbundig te zijn omdat dit tot lichtzinnigheid en dus zonde leidt.