IN HET BADHUISHet badhuis was een belangrijk instituut in de Talmoed. Deze bevonden zich vooral in steden en behoorden tot een van de tien dingen, naast o.a. een rechtbank, een synagoge, een dokter en een leraar, die volgens de Talmoed idealiter in een stad aanwezig hoorden te zijn. Het badhuis was geen mikwe (religieus bad) waar men zich van een spirituele onreinheid (toemah) ontdeed, maar had alles met lichaamsverzorging te maken. Voordat men het badhuis inging, zei men eerst een gebed waarin men G’d vroeg om hem voor gevaar te behoeden en te zorgen dat hij niet ten prooi viel aan de zonde of een vernedering. Het gevaar van het badhuis had alles te maken met het aldaar aanwezige vuur. Soms stortte de vloer van een badhuis namelijk in en doordat deze door onder de vloer gestookte vuren werd verwarmd, kon men dodelijke brandwonden oplopen. Ook kon men door de hoge temperatuur soms flauwvallen. Rabbi Abbahoe (Israël, vierde eeuw) maakte eens zo’n instorting van de vloer mee, waaraan hij op miraculeuze wijze ontsnapte door op een pilaar te staan (B.T. Berachot 60a).
Het badhuis bestond uit twee ruimtes: buitenste kamers waar men nog niet geheel naakt was en binnenste kamers met hete baden. In de buitenste kamers was een koud bad en kon men oefeningen doen. In de binnenste kamers zat men naakt te zweten om op temperatuur te komen en leek het op een sauna. Daarna ging men het hete bad in. Vrouwen droegen volgens de Talmoed overigens badpakken en waren dus niet geheel naakt. Aangeraden wordt om de mond goed open te houden, zodat de warmte van het eerder opgewarmde lichaam door de hitte van het badwater verdreven wordt. Bovendien zou het goed zijn om iets van het warme water te drinken. Na het hete bad spoelde men het lichaam af met koud water.
Het lichaam werd goed verzorgd; behalve baden, masseerde men het lichaam met olie, huidkrabbers moesten de viezigheid van het lichaam halen, haar werd goed uitgekamd, en natron (natriumhydroxide) diende als zeep om de huid te reinigen.
Wanneer men weer aangekleed was kon men het nog steeds behoorlijk warm hebben. Een verkoelend drankje dat bij het verlaten van het badhuis werd genuttigd, kon uitkomst bieden. Dit straffe drankje heette ‘aloentiet’ en bestond uit oude wijn, helder water en balsem. Een geleerde beschrijft de sensatie na het drinken van een beker: ‘ik voelde verkoeling van mijn hoofdhaar tot mijn teennagels.’ Een tweede beker zou hem naar eigen zeggen fataal zijn geworden (B.T. Sjabbat 140a).
Sommige verhalen uit de Talmoed worden in het badhuis gesitueerd. Zo was rabbi Gamliël een fervent bezoeker van een fraai badhuis in Acco. Dit badhuis was echter voorzien van een prominent beeld van de godin Afrodite. Tijdens een van zijn bezoeken wordt hij hierover aangesproken door de niet-joodse Proclos, volgens sommige versies van de Misjna ‘een zoon van filosofen’, die zich verbaasde dat de rabbijn geen moeite had met dit afgodsbeeld. De rabbijn antwoordt dat het feit dat men spiernaakt rondloopt en urineert in aanwezigheid van de godin, bewijst dat men het niet als afgodsbeeld in religieus opzicht ziet, maar als decoratie (B.T. Awodah Zarah 44b). Vooral tijdens de Romeinse overheersing in Israël werden, in het kader van de verbetering van de infrastructuur, vele badhuizen door hen gebouwd, waarvan ook Joden gebruik maakten. Deze badhuizen werden echter vaak van heidense symbolen voorzien.
In een ander verhaal komt rabbi Jehosjoe’a ben Chananjah (Israël, eerste-tweede eeuw) in aanwezigheid van twee andere geleerden, een afvallige Jood tegen in het badhuis van Tiberias. Deze zegt een toverspreuk en de drie rabbijnen worden door een boog van het dakhuis gegrepen en kunnen zich niet bewegen. Rabbi Jehosjoe’a zegt echter een tegenspreuk en de afvallige wordt tegen de ingang ‘geplakt’, waarbij hij telkens wanneer er iemand in- en uitgaat een klap van de deur krijgt. Uiteindelijk maken beiden de toverspreuken ongedaan en zetten de magische strijd buiten het badhuis voort (J.T. Sanhedrien 40b-41a).