MARTELAAR VOOR HET GELOOFIn de eerste twee eeuwen na de jaartelling besloten de rabbijnen dat een Jood zijn leven alleen voor drie soorten religieuze overtredingen hoeft te geven, wanneer hij gedwongen wordt om deze in het openbaar te begaan. Volgens sommige historici had deze wetgeving te maken met verschillende episodes van vervolgingen door de Romeinen, onder andere tijdens de opstand van de pseudo-masjiach Bar-Kochba (132-135). De drie zijn: moord, overspel en afgodendienst. In alle andere gevallen geldt dat de voorschriften van de Tora moeten wijken voor het principe van het overleven, zoals er staat: ‘En u zult mijn wetten en mijn rechtsinstellingen in acht nemen, waardoor de mens wanneer hij ze uitoefent, het leven verwerft (Wajikra 18:5).’ Hieruit leerde men dat het leven belangrijker is – ‘het leven verwerft’ – en men dus niet voor de religie mag sterven. Wie zijn leven in het openbaar – in aanwezigheid van tien mannen – geeft om de drie hoofdzondes niet te overtreden is een martelaar en heiligt Gods Naam (Kiddoesj Hasjem), zoals er staat: ‘En u zult Mijn Heilige Naam niet ontwijden, en ik zal geheiligd worden door de kinderen Israëls’ (Wajikra 22:32). Immers, door zijn leven te geven laat hij zien dat Gods geboden belangrijker zijn.
Een niet minder heldhaftige dood sterft een man soms op het slachtveld der liefde. Er was eens een man die dodelijk verliefd was op een vrouw. Volgens de doktoren was het enige geneesmiddel dat de man seks met de vrouw zal hebben. De geleerden zeiden echter: ‘laat de man sterven, en de vrouw niet toegeven.’ Toen werd geopperd dat de man misschien zou genezen wanneer de vrouw alleen naakt voor hem zou staan. Ook deze remedie werd door de rabbijnen verworpen. Laat de vrouw dan van achter een afscheiding met de man praten, probeerden de doktoren, om zo het brandende vuur in zijn hart te doven. Maar, ook dat mocht volgens de rabbijnen niet. Laat hem sterven, zeiden ze (B.T. Sanhedrien 75a).
Wie zijn leven moest geven en dat niet deed, die heeft de Godsnaam ontwijd (Chiloel Hasjem). Een zeer zwaar vergrijp wanneer dit in het openbaar gebeurt. Desondanks krijgt zo iemand geen straf opgelegd door een aards gerechtshof omdat hij gedwongen werd. Maar, er is ook een andere vorm van ontwijding van de Godsnaam, volgens de middeleeuwse Maimonides (1135-1204), die veel meer te maken heeft met de dagelijkse realiteit. Namelijk wanneer een Torageleerde en vroom man iets doet, waarover de mensen spreken en hun afkeuring doen blijken. Zelfs wanneer hij geen echt verbod overtreedt. Bijvoorbeeld door iets te kopen, maar niet meteen het geld te geven. Of dat hij de mensen onbeleefd te woord staat en geen vriendelijk gezicht trekt, maar altijd kwaad is en ruzie maakt. Omgekeerd heiligt iemand de Godsnaam wanneer hij altijd tegen iedereen beleefd is, beledigd wordt maar nooit zelf anderen beledigt, iedereen met respect behandelt, zelfs mensen die hem oneerbiedig tegemoet treden. Want dan prijst iedereen hem en is hij geliefd en geldt hij als een positief identificatiemodel (Misjné Torah, Jesodee Hatorah 5:4).