LEERMAATBen Dama (Israël, tweede eeuw), de neef van rabbi Jisjmaël, stelde zijn oom eens de volgende vraag: "Iemand zoals ik, die de hele Tora geleerd heeft, mag die dan de Griekse Wijsheid leren?" Rabbi Jisjmaël antwoordde met een bijbelvers: "'Dit boek van de Tora zal niet wijken uit uw mond, en u zult er dag en nacht over denken' (Jehosjoe'a 1:8) - Ga en zoek uit of er een tijdstip is dat niet tot de dag of de nacht behoort, en ga dan Griekse Wijsheid leren." Volgens anderen houdt dit bijbelvers geen plicht of gebod in, maar is het een uitdrukking van een zegen. God zag dat Jehosjoe'a, aan wie God deze woorden zei, zó verknocht was aan de woorden van de Tora dat hij hem als het ware zegende met de belofte dat inderdaad 'dit boek van de Tora niet meer uit zijn mond zal wijken'.
De vraag naar de betekenis van bovenstaand vers is ook een praktische - wanneer heb je aan je plicht voldaan wat betreft het leren van Tora? Is dat alleen als je dag én nacht leert, of is er een minimummaat? Rabbi Jochanan (Israël, derde eeuw) zegt, uit naam van rabbi Sjimon bar Jochai (Israël, tweede eeuw): "Zelfs wanneer iemand alleen maar 's ochtends het Sjema leest en 's avonds - daarmee heeft hij vervuld het voorschrift van 'Dit boek van de Tora zal niet wijken'." Het is echter verboden om dit in aanwezigheid van een leek (
am ha'aretz) te zeggen. De reden hiervoor is dat een leek bij het horen van deze woorden nog minder gemotiveerd zal zijn om Tora te leren en zijn kinderen in de Tora te onderwijzen, omdat tweemaal daags het Sjema zeggen al voldoende is.
Volgens anderen is het juist een plicht om bovenstaande leerstelling aan een leek te zeggen. Immers, het vervolg van het bijbelvers in Jehosjoe'a luidt: "Opdat uw wegen zullen slagen en u succes zult hebben" (1:8). Als een dergelijke beloning al in het vooruitzicht wordt gesteld van iemand die alleen maar twee keer per dag het Sjema leest, hoe groot zal dan de beloning wel niet zijn van hen die al hun tijd aan de studie van de Tora besteden? (B.T. Menachot 99b).
De juiste balans tussen Tora-studie en werk blijft een probleem. Enerzijds staat er immers 'En je zult je graan inzamelen' (Dewariem 11:14) en anderzijds 'Dit boek van de Tora zal niet wijken uit uw mond'. Volgens één opvatting betekent dit dat je studie met werk moet combineren. Volgens een tweede opvatting juist niet. Als je het hele seizoen met landbouw bezig bent, wanneer kom je dan aan je Tora-studie toe? Maar, wanneer de Joden op een hoog niveau staan, dan 'zullen vreemden je kuddes voeden' (Jesjajahoe 61:5) - al het werk wordt door anderen gedaan zodat jij de hele dag Tora kunt leren. Wanneer Israël echter niet gehoorzaamt aan de Goddelijke wil, dan moeten ze alles zelf doen. Hetgeen betekent dat men bijna een heel jaar bezig is om in het levensonderhoud te voorzien en nauwelijks Tora kan leren (B.T. Berachot 35a).