MECHAJEE HAMETIEM: HERLEVING DER DODENGedachten over leven en dood in het Jodendom
"Op geboren worden staat de doodstraf", wist een oude vrouw uit mijn kennissenkring. Inderdaad, leven en dood horen onverwrikbaar bij elkaar, we hopen alleen dat er een flinke tijd tussen deze beide zal verstrijken.
Hoe zien Joden deze existentiële gebeurtenissen? Ik zeg niet dé Joden want er zijn verschillende opvattingen, iets wat ons Jodendom alleen maar levendiger maakt, maar ik wil iets vertellen over de hoofdstroom.
Het leven in het Jodendom is heel belangrijk, je moet ook alles ondernemen om je lichaam (en ziel natuurlijk) gezond te houden. De meeste vormen van euthanasie zijn in het Jodendom niet toegestaan, want het leven gaat voor, ook het laatste restje ervan. Zelfs de Sjabbat mag, nee, moet men schenden als er levensgevaar in het spel kan zijn, de meeste mensen kunnen dat niet schatten, vandaar: als er levensgevaar kán zijn. Dat wordt afgeleid uit het Torahwoord in Leviticus 18:5: "Deze wetten en voorschriften zijn gegeven om erdoor te léven".
Dat ziekte een straf van God zou zijn is geen Joods idee. De zorg voor de zieken strekt zich ook uit tot de omgeving, in die zin dat men de opdracht heeft een zieke te bezoeken. Zijn er 60 mensen geweest dan zou de zieke genezen zijn! Zozeer hecht men belang aan medeleven en zorg uit de omgeving, opdat de zieken zich niet verlaten zullen voelen en deel blijven uitmaken van de gemeenschap.
Ook het gezonde lichaam behoeft onderhoud. Het verhaal gaat dat meer dan 20 eeuwen geleden de leerlingen van de eminente geleerde Hilleel hem tegenkwamen op straat, waar hij zich voorthaastte. "Waarheen gaat u", zo vroegen ze hem. "Ik ga een Goddelijk gebod vervullen", riep de geleerde al voortlopend hen toe. De leerlingen waren verlangend te weten wat dat gebod dan inhield. Hilleel zei: "ik ga naar het badhuis". De leerlingen toonden zich teleurgesteld: is dat een Goddelijk gebod vervullen? Daarop zei de geleerde: "In de arena staan de borstbeelden van de keizer; de dienaren van de keizer krijgen betaald als ze die stenen afbeeldingen schoonmaken. Hoeveel te meer heeft de mens het gebod om het lichaam te reinigen, de mens die geschapen is naar Gods evenbeeld".
Leven na de dood
Er is in het Jodendom wel een opvatting over een leven na de dood, maar die is weinig exact omschreven. Men noemt het: olam haba = de komende wereld, maar deze term komt niet één keer in de Torah voor. Joden kennen niet de uitvoerige beschrijvingen van de hel, het vagevuur, het voorgeborchte, de hemel. Ik weet dat ook in de christelijke cultuur deze begrippen thans minder als gesel en straf en waarschuwing worden gehanteerd dan, laten we zeggen, een eeuw geleden. In het Jodendom spelen vooral goede daden in het leven een belangrijke rol, en een lang leven wordt als een verworvenheid gezien, zelfs als beloning. Men noemt iemand die de leeftijd van 70 jaar bereikt een sterke, wie 80 jaar wordt een zeer sterke.
In twee gevallen stelt de Torah dit als optie: wees goed voor je ouders, dan zullen je dagen verlengd worden. Dit staat zelfs in dat deel van de Torah, Exodus 20:12, waarin God vanaf de berg Sinaï de Tien Geboden, de Tien Woorden geeft. De tweede keer is die belofte vervat bij het voorschrift dat de moedervogel van het nest verjaagd mag worden als je de eieren wilt hebben, "opdat je dagen verlengd worden".
Onze grote codificator Maimonides heeft dertien geloofspunten geformuleerd. Wie een gebedenboek van Dasberg heeft kan ze vinden op pag. 384-385. Het elfde geloofspunt luidt: "Ik geloof er volledig in dat God diegene beloont die Zijn geboden nakomt en straft die Zijn geboden overtreedt". Wannéér die straf en beloning komen staat er in deze regel niet bij - maar er zijn wel uitleggingen. Straf en beloning zijn zaken die vooral in het Hiernamaals geregeld worden, maar wat men zich erbij moet voorstellen is dus weinig exact uitgewerkt.
We gaan ervan uit dat God goed en rechtvaardig is. Al heel lang is het probleem, de paradox, van de slechte mens die het goed gaat en de goede die het slecht gaat een onderwerp van bespiegeling geweest. Ons rechtvaardigheidsgevoel komt hevig in opstand: beloning en straf zijn in dit leven lang niet altijd in evenwicht. Een troost kan zijn dat dit in het Hiernamaals, in de olam haba, met elkaar in evenwicht gebracht wordt en dat bijvoorbeeld de lijdende goede mens al in het leven voor zijn toch ook aanwezige slechte daden is gestraft. Hij stapt als het ware blanco, onbezoedeld in het Hiernamaals.
Wat ís de beloning die de goede mens krijgt? Dat is de nabijheid van God. Het Jodendom kent geen romantiek van het lijden, geen verering of ophemeling (in dit verband treffende vergelijking!) ervan. Desondanks is lijden door de filosofie de geschiedenis door niet altijd als een straf ervaren: het kan een genoegdoening zijn voor het eigen rechtvaardigheidsgevoel: "Ik heb dat verdiend omdat ik zo en zo gezondigd heb", ofwel de idee dat ik, als ik nu die straf krijg, straks een crediet heb opgebouwd bij God.
Wat beloning betreft: die krijgt de mens vooral bij onzelfzuchtige daden; als voorbeeld wordt gesteld het helpen begraven van een dode, die kan je immers niet meer belonen, jou een soortgelijke tegenprestatie leveren.
Hiermee komt, bij mij althans, een ander principe in botsing. Als ik een goede daad doe, dan wil ik daarvan alleen de voldoening voor mezelf hebben, zonder de idee dat de boekhoud-engelen dit op mijn creditzijde schrijven, want dan is het onzelfzuchtige van mijn goede daad verdwenen. Als ik er zin in heb goed te doen, dan moet dat puur en onverdund zijn! Ik sluit me gaarne aan bij de uitspraak van een geleerde in Pirké Awot (1:3), de Spreuken der Vaderen: "Weest niet als de knechten die God dienen met de bedoeling beloning te ontvangen, maar weest als knechten die God dienen om niet."
Een ander uitgangspunt kan zijn: als er onmiddellijk straf zou worden uitgedeeld, dan zou iedereen het slechte nalaten om die straf te ontlopen en het goede doen om de beloning te incasseren. In dat geval is er geen sprake van vrije wil. Hier komt alweer een merkwaardige paradox om de hoek kijken: God weet alles, ook wat er in de toekomst gaat gebeuren, en tegelijkertijd heeft de mens de vrijheid om het goede en/of het kwade te doen. Ik vraag me af waarin die vrijheid eigenlijk zit. Je bent geboren als man of vrouw, tijdens een oorlog of tijdens een periode van vrede, als lid van een vrij dan wel onderdrukt volk, binnen bepaalde godsdienstige tradities of juist niet. Ik denk dat ik alleen de vrijheid heb bij de groenteman te kiezen tussen worteltjes en spinazie voor de avondmaaltijd, en dan nog moet ik afwachten wat de groenteman die ochtend heeft ingekocht.
Hoe beleven we de discrepantie tussen Gods goedheid, zijn almachtig bestuur en de onverklaarbare gebreken en ellende in de wereld? Als God alles voorzien heeft wat er gebeurt, waaróm gebeurt dat dan?
Er is een opvatting die onderscheid maakt tussen enerzijds gebreken in de natuur zoals aardbevingen, epidemieën, orkanen en 'manmade disasters' anderszijds, door menselijk toedoen ontstane rampen. En dan gaan onze gedachten naar de meedogenloze Jodenvervolging tijdens de oorlogsjaren. Ook 'manmade disasters' kunnen zo overweldigend zijn dat men denkt met een natuurramp te maken te hebben.
Bij mijn onderzoeken naar gevoelens en ervaringen tijdens de onderduik was er nauwelijks iemand die de beschuldigende vinger naar de Duitsers uitstak - het was, vooral vanaf het begin van de deportaties, te veelomvattend geweest, de duivelse mensen die erachter zaten zagen ze niet.
Bloeme Evers-Emden