Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns bloeme

Een tweewekelijkse column van Bloeme Evers-Emden

DE MITSWOT

Om over de mitswot, de geboden, te spreken is als een zee waaruit ik enkele paarlen mag scheppen.

Mitswot zijn de geboden die God op de berg Sinai via Zijn dienaar Mozes aan de Joden heeft meegedeeld.
Volgens de overlevering werden, zeven weken na de fameuze en wonderbaarlijke Uittocht uit Egypte, aan Mozes en het volk de Tien Uitspraken (in de volksmond: de tien geboden) gegeven.

Waarom werd, zo kort na de Uittocht, al een dusdanig bindend dictaat aan het volk gegeven? Omdat een generaties lange slavernij het leven van de Joden beheerst had, waardoor onder hen een slavenmenta­liteit was gegroeid, en omdat de plotselinge overgang van het slavenbestaan naar een leven in vrijheid gemakkelijk tot chaos zou kunnen leiden. De knellende slavenbanden waren weliswaar geslaakt, maar het zelfstandige bestaan stelde geheel andere eisen.
Een bestaan in vrijheid vraagt een nieuwe aanpak van het leven. Daarom moesten er andere normen en waarden worden geboren, geïncorporeerd en nageleefd, en er was leegte ten deze. De mens heeft houvast nodig in de vorm van een zedelijk pakket en de beschikking krijgen over een gedragsrepertoire voor alle voorkomende situaties in het leven, om te voorkomen dat er een handelingsverlegenheid ontstaat.
Daarvan wil ik een voorbeeld geven uit het dagelijkse leven. Stel er sterft een dierbare van U. Als er geen vaste regels bestonden, wettelijke zowel als niet wettelijke, zou U dan weten wat te doen?

De - buitengewoon indrukwekkende - gebeurtenissen op de berg Sinai staan levendig beschreven in de hoofdstukken 19 en 20 van Exodus. Ex. 19:8 vermeldt dat het volk eensgezind zei: "Al wat de Eeuwige gesproken heeft zullen wij doen". Nadat Mozes een aantal wetten genoteerd en aan het volk voorgelezen had, zeiden de mensen volgens Ex. 24:7: "Al wat de Eeuwige gesproken heeft zullen we doen en we zullen luisteren/gehoorzamen". In het Hebreeuws: na'asee we nisjma.

Doen en luisteren of gehoorzamen, dat is, zeker voor mensen die gewend zijn zelfstandig na te denken, de omgekeerde volgorde. Hoe kun je eerst dingen doen en dan pas begrijpen, dus doen zonder dat je weet wat je doet en waarom!
Ook ik heb hier aanvankelijk veel moeite mee gehad, maar er zit wel degelijk een belangrijke opvoedkundige waarheid achter. De opvoeding van een jong kind kan niet wachten tot men de reden van wat men opdraagt kan laten aanwennen, of wat men verbiedt kan uitleggen. Dat kan pas veel later, als het verstand van het kind daarvoor voldoende gerijpt is. Men kan niet volstaan met de theorie van de zindelijkheidstraining: het potje moet erbij komen. Men kan niet wachten met groenten en fruit geven tot het kind het nut van mineralen en vitaminen kan inzien.

De Joodse opvatting is dat men zich moet oefenen in het uitvoeren van de geboden; de invloed van het uitvoeren van geboden en rituelen op onze gedachten en opvattingen mag niet worden onderschat. Daarnaast is het ons ruimschoots toegestaan ons te verdiepen in de bedoelingen achter de geboden. Sommige zijn duidelijk, zoals het verbod op stelen; bij andere heeft men meer of minder bewezen vermoedens, zoals het gebod het zevende jaar de landbouwgrond in Eretz Jisraeel braak te laten liggen; bij nog andere is de bedoeling onbegrijpelijk, zoals de wet op de rode koe (Num. 19:2-20).

Onze geleerden hebben eeuwen en eeuwen besteed aan het navorsen van die bedoelingen. Er is een over­vloed aan literatuur over de Torah en over de zeer brede uitwerkingen van de geboden in de Talmoed. Leren, ‘lernen’, staat hoog in aanzien in het Jodendom en men laat de kinderen dan ook al vroeg beginnen met leren.

Ook voor ons onbegrijpelijke geboden worden in de orthodoxe praktijk uitgevoerd, omdat ze door God gegeven zijn. Veel van de geboden leren ons beheersing door het invoeren van tijdsafstand: door onze behoeften niet meteen te bevredigen maar een tijdspanne in te bouwen leren we een zekere mate van zelfbeheersing. Zo moet men zich ervan overtuigen of het voedsel dat men wil gaan eten toegestaan is, of het is bereid volgens de spijswetten, als men brood gaat eten dient men eerst de handen te overgieten met water, een lofzegging te reciteren over het overgieten en nog één over het brood, en dan pas kan men beginnen te eten.

De inachtneming van de Sjabbat is het belangrijkste gebod in het Jodendom en een heel onderwerp op zich, ik kan het niet meer dan aanstippen.

De vraag is wel eens gesteld: houden de Joden Sjabbat zomaar in ere of houdt Sjabbat de Joden bij elkaar?
De kern van de Sjabbat is dat God op de zevende dag ophield met scheppen, en dat dienen wij, in eerbiedige navolging, ook te doen. Gen 2:2 en 3 luidt: "God zegende de zevende dag en heiligde die".

Dit gebod heeft een geweldige invloed gehad op de hele wereld die dit concept kent en erkent. Ophouden met scheppen, dat is het loslaten van de arbeid en alle gedachten en daden die daarmee verweven zijn, zodat er ruimte geschapen wordt voor zaken van de geest. En het zijn niet alleen de vrouw en de heer der schepping die moeten rusten, ook de dienaren en zelfs de dieren moeten rusten. In het nomadische en later het landbouwersbestaan van de Joden had dat grote betekenis: in de Mishna en de Talmoed staan uitvoerige voorschriften over het gedrag ten aanzien van dieren. Bedenk wat een revolutie dat was voor het doen en denken van een tijd die beheerst werd door het recht van de sterkste! Door de Sjabbatwetten werden gedurende één dag per week werkgever en werknemer gelijk aan elkaar in hun belangrijkste relatie: die van de arbeid.

De Torah is heel kort over Sjabbat: bewaakt en behoedt de Sjabbat, zo wordt het een aantal keren gezegd in de Torah. Soms wordt specifiek vermeld wat wel en niet als scheppen, anders gezegd, als werk wordt beschouwd. De wetsgeleerden hebben minutieus beschreven wat wel en wat niet als werk gezien moet worden, en onder welke omstandigheden verboden werk verricht mag of zelfs moet worden, bijvoorbeeld bij ziekte.

In de praktijk van het doorsnee Joodse, min of meer ortho­dox levende gezin komt het erop neer dat het huis voor Sjabbat extra schoon wordt gemaakt om zo netjes mogelijk Koningin Sjabbat te ontvangen. Al het koken is tevoren gedaan want er mag geen vuur gemaakt worden. Vóór de intrede van Sjabbat wordt het eten op een laag pitje gezet en staat er een grote ketel met heet water voor koffie en thee of voor het flesje van de baby. Men wast zich voor de intrede van Sjabbat (in een groot gezin vereist dat een strak tijdschema) en men kleedt zich extra netjes aan.

De aanvang van de Sjabbat is afhankelijk van het moment waarop de zon ondergaat, al moet ik bekennen: hoe vroeg of laat de Sjabbat ook in gaat, op het laatst moet ik altijd rennen om op tijd klaar te zijn voor onze wekelijkse Koningin.
Maar als ik de kaarsen heb aangestoken met de bijbehorende lofzegging, dan heb ik het heerlijke gevoel dat er niets meer hoeft, dat het toch weer gelukt is en dat wij samen met onze gasten hopen op een mooie en inhoudsvolle Sjabbat. Men zegt dat de Joden op Sjabbat een extra ziel krijgen waarin geen plaats is voor de zorgen van morgen, waarin we over werk en geld niet eens mogen denken.

We halen Sjabbat feestelijk in met gebed en veel gezang, want dat hoort er echt bij.
In veel gezinnen wordt er een stukje geleerd, over een tekst uit de Torah of over een ander onderwerp. En we hebben geen haast. Mijn man was een druk bezet iemand “maar”, zo zei hij, “op Sjabbat heb ik op geen twee-en-een half uur haast.”

Sjabbat is geen louter geestelijke aangelegenheid. Het Jodendom vermengt, met het oog op de psychische uitrusting van de mens, het lichamelijke met het geestelijke.
Bij de voorbereiding van Sjabbat hoort, behalve bezinning, ook extra lekker eten en een fraai gedekte tafel, en mooie kleren die je niet door de week draagt.

Verwachtingen spelen ook een rol. Als U naar een begra­fenis gaat bent U niet vrolijk gestemd en gaat u stemmig gekleed, en als U Uw badpak klaarlegt verheugt U zich al op het koele water, op de vrije dag, op aangenaam gezelschap. En dat geldt net zo voor Sjabbat: wie zich voorbereidt op de Sjabbat komt vanzelf in de juiste stemming. Sjabbat is een psychisch-hygiënische maatregel van de eerste orde.

Het Jodendom is een doe-godsdienst. Men vraagt elkaar in het algemeen niet naar wat men gelooft maar naar wat men doet, en ook naar wat men nalaat, want er zijn in het Jodendom vele "mag-niet's".
De meeste Joden die zoveel mogelijk geboden proberen na te komen denken niet de hele dag aan de filosofische en religieuze achtergronden ervan – vele ervan zijn een gewoonte geworden - maar er zijn ook momenten dat we er wel bij stilstaan. Dan zijn we ons ervan bewust dat we door het verrichten van deze handeling of het nalaten van een andere handeling, de traditie in stand houden, Gods wil doen, een schakel zijn in de keten der geslachten die de traditie doorgeeft, kortom ‘erbij horen’, en dat geeft een goed gevoel.

De invloed die de Joodse ge- en verboden op de hele mensheid heeft (en altijd gehad heeft) is onmetelijk en onmeetbaar. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de meeste van de geboden algemeen menselijke maatstaven zijn die ook zonder nadrukkelijke opdracht geleefd worden, gewoon omdat ze tegemoetkomen aan de behoefte van ieder mens aan een sociaal geordend leven. Het zijn die geboden en verboden die het moge­lijk maken dat we in een gemeenschap leven en dat we die gemeenschap met elkaar vorm geven.

De meeste geboden betreffen, zoals gezegd, algemeen menselijke waarden, maar er zijn ook geboden die alleen de Joden dienen na te komen, zoals het vieren van Sjabbat, het eten van kosjer voedsel en het horen van de ramshoorn op Joods Nieuwjaar. Voelt U zich echter niet plaatsvervangend bedrukt, want niet alle 613 mitswot wegen gedurende alle dagen even zwaar op ons, ook al is ons dagelijks leven er wel van doordrongen. Jodendom is - als we het serieus nemen - niet iets vrijblijvends, en dispensatie kennen we alleen in bijzondere gevallen en bij mogelijk le­vensgevaar.

Toch gaat het merendeel van de wetsgetrouwe Joden niet gebukt onder de last van de mitswot. Je doet je best, maar je weet ook dat tekortschieten menselijk is. Sancties kennen wij niet, er wordt niet met hel en verdoemenis gedreigd als je dit of dat wel of niet doet. Er bestaat wèl een groepsnorm: wie tot een bepaalde groep behoort of wil behoren moet de geldende normen nakomen. Wie dat niet doet, lopt het risico uit de groep te worden verstoten, en dat is wèl een sanctie. Wie zich niet meer thuis voelt in de groep die de mitswot strict naleeft, kan zijn heil proberen te vinden in een groep die wat minder zwaar met de geboden omgaat. Er zijn vele groepen die elk een verschillende opvatting uitdragen en die de wetten op verschillende wijze interpreteren. Het Protestantisme kent dat ook, dat hoef ik U niet te vertellen; het is, denk ik, een gevolg van het zelf­standig mogen leren en lezen van de bijbel.

Om terug te komen op sancties: de voorstellingen over het leven van de ziel na de dood zijn er wel maar ze zijn niet erg uitgewerkt en ook niet strafbeladen. Eerder zijn ze een belofte van Gods nabijheid.

Zijn er beloningen voor het vervullen van de mitswot?
Er wordt wel gesproken over twee soorten beloning: er zijn mitswot waarvan men de vruchten al plukt in deze wereld, zoals het verlenen van gunsten aan de medemens. Andere mitswot zouden het kapitaal vormen dat bewaard wordt in de toekomstige wereld. Een voorbeeld hiervan is het aanwezig zijn bij iemands begrafenis: de dode kan immers geen tegenprestatie meer leveren. Ik vind dat moeilijk te begrijpen, want een echte mitswa doe je om niet en niet omdat je hoopt dat de boekhoud-engelen noteren wat je aan goeds gedaan hebt....

Het zijn er dus 613, maar toch valt het mee. Er zijn geboden die alleen in Eretz Jisraeel uitge­voerd kunnen worden, zoals diver­se land­bouwwetten. Er zijn geboden die alleen mannen of alleen vrou­wen betreffen, zoals (voor mannen) de op­dracht zich te verme­nig­vuldigen en voor een getrouwde vrouw zich na haar maandstonde in een mikwe, een ritueel bad, onder te dompelen. Er zijn opdrachten die alleen gelden voor bepaal­de momenten in het jaar, zoals het eten van matzot, de ongezuurde broden, met Pesach, of het zich onthouden van voedsel en drank gedurende vastendagen. Er zijn geboden die gebonden zijn aan een bepaalde status, zoals het ‘nazier­schap’ of aan afkomst, zoals de speciale geboden voor de Kohaniem, de priesters. Voor hen geldt een deel van de geboden nog altijd, zelfs al hebben we al bijna 2000 jaar geen tempel meer.

De geboden kunnen ook verdeeld worden in mitswot die de onderlinge menselijke relaties betreffen en mitswot die de relatie van de mens tot God regelen. Een voorbeeld van de laatste: het op tijd en met de juiste aandacht de gebeden reciteren. Een sprekend voorbeeld van de eerste groep geboden is de mitswa je naaste even lief te hebben als jezelf.
Het is opmerkelijk dat vele niet-Joden denken dat dit gebod uit het Nieuwe Testament afkomstig is, ten onrechte - leest U het maar na in Leviticus 19:18. Een soort annexatie?

Nog een paar voorbeelden van mitswot voor onderlinge menselijke relaties: het verbod op kwaadspreken, roddelen, in Lev. 19:16: "Je mag niet onder je volksgenoten als lasteraar rondgaan." Overigens is dit misschien wel het meest overtreden gebod.

Lev. 19:15 zegt bijvoorbeeld ook: "Bij het rechtspreken mag je de arme niet begunstigen". Ik vind dat een belangrijke ontwikkeling. Immers, een rechter die het niet zo nauw neemt, zou gemakkelijk kunnen zwichten voor de invloed van een rijke en deze bevoordelen. De Tora is al een stap verder en zegt: ‘de arme niet begunstigen’ (bijvoorbeeld uit medelijden). De Tora stelt dat het recht onbuigzaam is en zonder aanzien des persoons moet worden toegepast. Het duidt, naar het mij lijkt, op een gevorderde vorm van rechtspleging.

Veel geboden van deze soort zijn tot in detail uitgewerkt in de Talmoed. Ik geef u een voorbeeld uit de praktijk: ik kreeg eens een mooie ballpoint cadeau, verpakt in een doosje van een duur merk. De gulle geefster zei bij het overhandigen: "Ik had dat doosje nog, maar de ballpoint is van een goedkoper merk.”
In Lev. 19:14 staat: “Men mag de blinde geen struikelsteen leggen". De Talmoed gaat uitvoerig in op wat "een blinde" en wat "een struikelsteen" is. In dit geval was ik de blinde t.a.v. de ballpoint, het doosje en het vermijden van de struikelsteen - de toevoeging van de goede geefster. Zij wilde geen valse voorstelling van zaken geven, noch mij beschaamd maken omdat ik bij een andere gelegenheid haar geen duur geschenk zou hebben gegeven.

Hoe zorgvuldig het Jodendom omgaat met de wetten van mens tot mens blijkt wel uit de opdracht dat wij ons vóór Jom Kipoer, Grote Verzoendag, moeten verzoenen met degenen die wij leed hebben aangedaan in het afgelopen jaar. Alleen dàn vergeeft God de zonden die wij tegenover de Eeuwige hebben begaan. Daarover gaat een waargebeurd verhaal – het dateert van vóór 1940 - over twee Joodse boeren die op de dag vóór Jom Kipoer elkaar hun verwensingen en beledigingen over en weer vergeven, maar met de toevoeging: "maor overmurrege is 't krek as gister". Ik geloof niet dat dit tweetal de essentie van het voorschrift begrepen heeft...

De mitswot zijn ons gegeven om nader tot God te komen, zegt één van de opvattingen. Het geeft velen een innerlijke bevrediging om in God's wegen te gaan. Hoewel het woord mitswa ‘gebod’ betekent, heeft het woord mitswa in het Joodse spraakgebruik de betekenis gekregen van 'een genoegen'. Zo kan men horen zeggen: ‘Ach, doe me een mitswe en doe even dit of dat...’

Bloeme Evers-Emden



<< Mezoezah, tefillien en tsietsietHet mikwe – het rituele bad >>