MEZOEZAH, TEFILLIEN EN TSIETSIETHet voorschrift een mezoezah aan de deuren van het huis te bevestigen staat in de Torah: Dewariem (Deut.) 6:9 en 11:20.
De mezoezah zou een teken van bescherming zijn, ik geef er de voorkeur aan om te veronderstellen: een teken van spirituele bescherming bij het betreden van het huis en bij het weggaan: je moet je de geboden herinneren; ze zijn nastrevenswaard. Het ideaal bereiken lukt ons niet echt, maar we moeten het proberen.
Ook tefillien en tsietsiet dienen om je voortdurend te herinneren aan de geboden van God, opdat je niet in zonde geraakt.
MEZOEZAH
Aan de binnenkant van het rolletje perkament dat met de hand geschreven is, staan woorden van het
Sjema, het Hoor Israël, te vinden in Dewariem (Deut.) 6:5-9 en 11: 13-21. Wie een gebedenboek heeft met Hollandse vertaling van Dasberg vindt het op pag. 129-130.
Aan de buitenkant van de mezoezah staan drie letters: de sjien, de dallet en de joed, spreek uit: Sjadai = Almachtige. Dit is één van de namen van God. Er zijn enkele verklaringen: het zou betekenen: sjomeer dalletot Jisraeel = beschermer van de deuren van Israël. Die drie letters zijn soms zichtbaar door de opening in het kokertje van de mezoezah.
Enkele bepalingen over de mezoezah:
Heb je niet genoeg geld om een mezoezah én een soekah te bekostigen, dan gaat de mezoezah voor, want daar heb je het hele jaar aan en de soekah staat maar een week.
Met een gestolen mezoezah voldoe je niet aan je verplichting.
Sommigen kussen de mezoezah of geven een kushandje. Mag wel, hoeft niet.
Aan de deurpost van elke kamer dien je een mezoezah aan te brengen, maar niet als die kamer kleiner is dan 16 vierkante el. Een grote kast van die afmeting hoeft toch geen mezoezah omdat je er niet regelmatig verblijft. Ook niet een vriesruimte of een garage of schuilkelder, noch vervoermiddelen, wel echter een camper. Een tent of een kraam niet, de soekah ook niet omdat je daar te kort in woont. Een sjoel behoeft ook geen, want die is al vol heiligheid, tenzij die sjoel ook voor andere dan godsdienstige bijeenkomsten wordt gebruikt. Al deze ruimten moeten wel tenminste 10 handbreedten (ca. 90 cm.) hoog zijn.
Een poort moet wel een mezoezah hebben als die toegang geeft tot een omsloten erf of tuin.
Heeft een vertrek geen plafond dan hoeft er geen mezoeza aangebracht te worden (in Egypte, in streken waar het één keer per jaar regent, staan plafondloze huizen).
In toilet en badkamer geen mezoezah, het betreft alleen ruimten waar men niet uitsluitend met lichamelijke, maar met zgn. waardige zaken bezig is.
Een mezoezah wordt aangebracht binnen 30 dagen na het betrekken van de woning. Men gebruikt spijkers, schroeven of lijm, maar geen plakband en brengt hem aan aan de rechter deurpost als je binnenkomt. Bij moeilijkheden bevestigt men haar aan de kant van de scharnieren van de deur.
Men slaat de mezoezah aan in het bovenste derde deel van de deurpost. De mezoezah moet schuin aangebracht worden: de bovenkant moet naar binnen gericht zijn, de onderkant naar buiten, maar andersom is ook mogelijk. Als de deurpost erg smal is, mag ze ook verticaal aangebracht, maar nooit horizontaal en nooit ondersteboven.
Bij het aanbrengen sla je de spijkers er half in, of de schroeven schroef je er half in, dan zeg je de b'racha, en daarna maak je de klus af. Zowel vrouw als man kan de mezoezah aanslaan of -schroeven.
De b'racha die je zegt is:
Baroeg Ata Adonai Elohenoe meleg ha'olam asjer kidesjanoe bemitswotaav witsiewanoe ligboa mezoezah. Vertaling: Geprezen U, Eeuwige onze God, Koning van de wereld, die ons geheiligd heeft met Uw geboden en ons opdragen heeft een mezoezah te bevestigen.
Een mezoezah achter de deurpost kán.
Time-sharing: zolang je er woont dien je een mezoezah te hebben; bij je vertrek haal je hem eraf.
De mezoezot moeten elke drie-en-een-half jaar nagezien worden op afgesprongen letters of andere kwalen.
TEFILLIEN
In Dewariem (Deut.) 6:8 staat, dat je de woorden van God als teken op je hand en tussen je ogen moet aanbrengen. Dit is het tefillien leggen, waarbij bepaalde passages op perkament geschreven zijn en in huisjes zijn opgeborgen, deel uitmakend van de gebedsriemen. Deze worden aangelegd bij het ochtendgebed en bestaan uit leren riemen waaraan twee vierkante "huisjes" zijn bevestigd. Eén huisje wordt aangebracht op het voorhoofd, bij de haargrens, één aan de linker bovenarm.
In de huisjes staan op perkament geschreven stukjes uit de Torah: uit Dewariem (Deut.) 6:4-9 en 11:18. In de volgende zin, 11:19 (en dat suggereert een verband) staat dat je de woorden van God dag en nacht aan de kinderen moet vertellen. In 11:20 staat het voorschrift van de mezoezah.
De symbolische uitleg kan zijn dat bij de tefillien van het hoofd de gedachten centraal staan en die van de linker arm, die direct tegenover het hart aangebracht worden, de daden.
TSIETSIET
In Bamidbar (Num. 15:38-41) staat het gebod tsietsiet te dragen aan de vier hoeken van de kleding. Het zijn de zogenaamde schouwdraden, die je bij vrome mannen langs hun benen ziet bungelen. Jongens en mannen kunnen ze aan een vierhoekige lap onder de kleding dragen (in die lap zit een opening zodat deze over het hoofd kan). Dit heet een talliet katan, een kleine talliet. Een grote talliet is het bekende gebedskleed dat over de schouders geslagen wordt en een groot deel van het lichaam bedekt. Hoewel het als een kledingstuk voor mannen beschouwd wordt, dragen tegenwoordig ook vrouwen wel een talliet, zij het niet in orthodoxe sjoels. Als mannen (en jongens) een (grote) talliet om hebben zitten daar ook die schouwdraden, tsietsiet aan.
Volgens het voorschrift bestaan de tsietsiet uit vier keer acht draden, waarvan vier keer één hemelsblauw moet zijn. De kleurstof daarvoor werd gewonnen uit een slak, maar welke slak het was weet men niet meer; daarom zijn nu alle draden wit.
De achtergrond van de tsietsiet is: als je de tsietsiet ziet zou je aan Gods geboden denken en niet je ogen achterna lopen, niet aan bevrediging van lichamelijke maar uitsluitend aan die van geestelijke begeerten denken...
Bloeme Evers-Emden