Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Naud van der Ven

Naud van der Ven (1955) is adviseur bedrijfsprocessen bij de gemeente Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis in Utrecht en behaalde een kandidaats Semitische talen in Leiden. Na zijn geschiedenisstudie was hij actief in het onderwijs. Vervolgens kreeg hij werk in de financieel-administratieve dienstverlening, eerst bij een accountantskantoor en daarna in dienst van de gemeente Amsterdam. Tegelijkertijd volgde hij studies en cursussen op het vlak van accountancy, management en informatica. In 2006 promoveerde hij op een studie naar verbindingen tussen het gedachtegoed van de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas en trends in de organisatiekunde. Op zijn website www.naudvanderven.nl publiceert Naud columns en artikelen over onderwerpen op het snijvlak van management en filosofie.
vrijdag 17 februari 2012
reageer op deze column
Delen |

Assimilatie

Gematigden en seculieren, verenigt u! Het slot van de vorige column van Harry van den Bergh is de start van de mijne. Want met die oproep ben ik het helemaal eens.

Maar is die oproep ook niet een beetje raar? Is de kloof tussen godsdienstigen en niet-godsdienstigen niet groter dan tussen strenge en gematigde gelovigen? Of omgekeerd: hebben gelovigen onderling niet meer met elkaar gemeen dan een gemengde groep van seculieren en gelovigen, ook als die laatsten gematigd zijn?

Misschien verschilt het per godsdienst. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat het christendom maar moeilijk overleeft in een gematigde vorm. Gematigde vormen en liberale varianten zijn wel geprobeerd – denk aan remonstranten of progressieve katholieken – maar die leggen het op dit moment af tegen de meer orthodoxe varianten van christendom. Ook vele aanvankelijk liberaal denkenden worden als vanzelf de strengere richting in gedreven.

Met betrekking tot het jodendom is mijn indruk anders. In aanleg is de joodse traditie veel meer op de wereld gericht dan het christendom. Waar de laatste een sterke wereldverzakende component heeft, met een voorliefde voor armoede en een huiver voor sexualiteit, heeft de joodse traditie het materiële leven en de natuurlijke omgang van mannen en vrouwen altijd een organische plaats gegeven. Die zaken werden beschouwd als goed te combineren met een vroom bestaan, en beslist niet in strijd daarmee.

Handel en andere economische activiteiten zijn bijvoorbeeld altijd goede Joodse bezigheden geweest en niet per se iets om op neer te kijken of om je voor te schamen. En Alex Israel noemde onlangs de beladen omgang met sexualiteit en de verdrijving van vrouwen uit de openbare ruimte als zaken die tegen de Joodse traditie ingaan. Weliswaar kent die traditie allerlei regels op dit terrein, zoals het verbod op aanwezigheid in eenzelfde gesloten kamer van een man en een vrouw die niet met elkaar getrouwd zijn, of het verbod op uitbundig geflirt of fysiek contact in het openbaar. Maar, zo zegt Israël, die regels zijn er juist om het mogelijk te maken dat mannen en vrouwen in de publieke arena met elkaar omgaan. Zij zijn bedoeld om het mengen van mannen en vrouwen in de openbare ruimte te bevorderen, niet in te perken.

Maar als dat zo is stelt zich al gauw de vraag naar de positie van de hedendaagse ultraorthodoxie ten opzichte van de oorspronkelijke joodse traditie. Is er misschien sprake van een verwording? Is het loskoppelen van de studie van Tora van gewone economische activiteit niet een breuk met de traditie waarvan de ultraorthodoxen juist pretenderen de dragers te zijn? En de streng doorgevoerde scheiding van mannen en vrouwen, waar vindt die zijn wortels?

De ultraorthodoxe obsessie met sexualiteit en de fundamentalistische kijk op de wereld zou je wellicht kunnen benoemen als verschijnselen van assimilatie. Maar dan niet zozeer in de gebruikelijk betekenis van assimilatie aan de omringende seculiere cultuur als wel van assimilatie aan de trends van de ons omringende godsdiensten.

vrijdag 3 februari 2012
reageer op deze column
Delen |

Levinas en Spinoza

Bestaat er zoiets als typisch Joodse filosofie? Dat is een interessante vraag maar die zou ik niet durven beantwoorden, en al zeker niet in het korte bestek van een column.

Een andere, iets overzichtelijkere vraag: is er iets gemeenschappelijks aan te wijzen tussen de Joodse filosofen Spinoza en Levinas? Zo ja, zou je dat gemeenschappelijke kunnen duiden als iets Joods?

Hoe we die vraag ook beantwoorden, we zullen toch eerst moeten vaststellen – zoals al veel mensen gedaan hebben – dat Levinas en Spinoza op een voor Levinas wezenlijk thema diametraal tegenover elkaar staan. Dat thema is de vraag of de werkelijkheid een gesloten geheel is.

Levinas verzet zich met alles wat in hem is tegen de opvatting van de wereld als een gesloten systeem. Want daarin wordt de mens al gauw ondergeschikt gemaakt aan een totaal-denken waarin hij slechts een radertje in de machine is. Daartegenover benadrukt Levinas dat er verschijnselen zijn, bijvoorbeeld een andere mens, die de geslotenheid iedere keer doorbreken en die duiden op een oneindige openheid.

Dat is zo’n beetje het absolute tegendeel van Spinoza’s visie. Wat Spinoza betreft, aldus Han van Ruler, is er niet meer dan één werkelijkheid, één natuurlijk systeem waarin alles is opgenomen, zodanig dat “niets aan de macht van het systeem ontkomt. Het hele universum hangt als één strakke redenering aan elkaar”.

Je kunt daarover twisten, maar mij komt de openheid voor de transcendentie en de reserve ten opzichte van gesloten (denk)systemen voor als een Joodse trek. Die vertoont zich in de Joodse geschiedenis al vroeg in de gedaante van profeten die koningen moesten corrigeren, en in de huiver voor de absolute pretenties van messiasfiguren. Blijft staan dat de Joodse filosofen Spinoza en Levinas op dit punt weinig gemeenschappelijk hebben.

Voor de verandering wil ik nu eens de aandacht verleggen naar een aspect dat ik Joods vind en dat beiden, Spinoza en Levinas, vertonen. Waar ik op doel is hun uitgesproken waardering voor de kwaliteit van het leven, als iets wat je kunt onderscheiden van de aandacht voor het loutere feit van het bestaan.

Als het gaat om de kwaliteitswaardering bij Spinoza verwoordt de neurofilosoof Antonio Damasio dit als volgt: “Not content with the blessings of mere survival, nature seems to have had a nice afterthought: to provide a better than neutral life state, what we as thinking and affluent creatures identify as wellness and well-being”.

Levinas gebruikt voor de aanduiding van de kwaliteit van het leven het woord ‘genieting’. Daarvan zegt hij: “Het naakte feit van het leven is nooit naakt. Het leven is geen naakte wil om te zijn, het leven is liefde voor het leven, een betrekking tot inhouden die niet mijn bestaan zijn, maar kostbaarder dan mijn bestaan: denken, eten, slapen, lezen, werken, zich koesteren in de zon”.

Naar mijn idee gaat deze Joodse aandacht voor de beleving van het bestaan terug op het serieus nemen van emoties, sociale, seksuele, morele en andere. Ik noem dat een Joods trekje, al zou je dat niet zeggen met zoveel ultra-orthodoxen die constant bezig zijn hun seksuele impulsen te onderdrukken.

Spinoza vertoont dat trekje wel degelijk, ook al wordt hij vaak aangehaald als representant van de Westerse traditie die de mens vooral wil leren overal boven te staan, en zeker boven emoties. Damasio laat zien dat Spinoza inderdaad in die emotiekritische traditie te plaatsen is, maar met een kenmerkende kanttekening: “the subduing of the passions should be accomplished by reason-induced emotion and not by pure reason alone”. Immers, zo is Spinoza’s inzicht, de rede schiet in haar emotie-onderdrukkende taak al gauw tekort. Waar Damasio aan toevoegt: “try to avoid it, it is very energy consuming”.

Dat laatste mag ons vanzelfsprekend voorkomen, maar dat is het stellig zeker niet altijd geweest. Om dat in te zien kunnen we het afzetten tegen de al genoemde eeuwenlange hoofdstroom in de Westerse filosofie die ertoe neigde om emoties te wantrouwen of te neutraliseren. Op godsdienstig vlak manifesteerde dit zich in de Christelijke traditie die het lichaam beschouwde als een op zichzelf onbeduidend vehikel voor het traject van de ziel naar het hiernamaals. Op seculier-wetenschappelijk vlak werd dat zichtbaar in een grotere aandacht voor het bestaan van de wereld, de mensen en de dingen, dan voor de beleving van het bestaan.

Waardering voor het aardse bestaan en de inhouden daarvan, daaraan kwam de Westerse wereld cultuurfilosofisch gesproken – dat wil zeggen op een niet-platvloerse manier – op zijn vroegst pas toe bij Montaigne en eigenlijk pas goed in de twintigste eeuw bij moderne hedonisten zoals Michel Onfray en Michel Foucault. En dan, volgens Damasio, nog maar heel gedeeltelijk want “feelings were beyond the bounds of science, thrown outside the door”. Spinoza was er vroeg bij dus, en Levinas had zijn aandacht voor onze belevingswereld niet van vreemden.

vrijdag 20 januari 2012
2 reacties
reageer op deze column
Delen |

Joods-Christelijk

Is het ongepast om te spreken van ‘de Joods-Christelijke traditie’? Je hoort die woordcombinatie steeds vaker, zeker uit de hoek van PVV-politici, en tegelijkertijd hoor je mensen daartegen protesteren: zo vanzelfsprekend is het helemaal niet om die verbinding te maken.

Dat protest is goed te begrijpen voor wie de geschiedenis van Christelijke kruistochten, pogroms en discriminatie van Joden kent. Maar ik vond die woordcombinatie ook wel iets aardigs hebben: als na zoveel eeuwen twee tradities hun gemeenschappelijkheden ontdekken dan is dat toch ook mooi?

Maar sinds vorige week vind ik het ongepaster dan daarvoor om de combinatie Joods-Christelijk als een vanzelfsprekendheid te gebruiken. Dat komt omdat iemand die er werkelijk niet van te verdenken is dat hij kloven wil uitvergroten, tijdens een lezing zijn gehoor duidelijk maakte hoezeer de wens de vader van de woordcombinatie kan zijn terwijl de steun daarvoor in de feiten geheel ontbreekt.

De spreker was de bekende kunsthistoricus Gary Schwartz en hij maakte zijn punt door nader in te gaan op het romantische beeld van “Rembrandt de Jodenvriend”. Hij beschreef het ontstaan van dat beeld – een mythe eigenlijk – in de negentiende eeuw.

In Frankrijk gebeurde dat door, in lijn met de Franse republikeinse traditie, aan Rembrandt een zeker sociaal progressief karakter toe te kennen. Dat zou af te leiden zijn uit de vrijgevochten artisticiteit en menslievendheid waarmee hij zijn vele portretten afbeeldde. In Duitsland zette aan het einde van de negentiende eeuw Julius Langbehn de schilder neer als geestverwant van de Joden. Rembrandts affiniteit met de Joden zou vooral gelegen zijn in diens voorliefde voor het aardse en het volkse van de Joodse traditie, niet voor de intellectuele aspecten ervan, want daar moest Langbehn niets van hebben.

Het lijkt erop dat de kern van de affiniteit tussen Rembrandt en de Joden in de twintigste eeuw gezocht wordt in de combinatie van aardse eenvoud, ernst en lotsberusting die aan beide partijen wordt toegedicht. Zo schrijft H.W. Janson in zijn standaardwerk History of Art uit 1962 dat Rembrandt een speciale sympathie had voor “de joden als bijbelse erfgenamen en de geduldige slachtoffers van vervolging”.

Schwartz vertelde dat, toen hij ging studeren, het beeld van Rembrandt als mensen- en Jodenvriend bijna onomstreden was. En dat dat misschien wel een rol gespeeld heeft bij zijn keuze voor die studie. Maar paradoxaal genoeg werd juist Schwartz een van de eersten die aanleiding zagen om de mythe te ontrafelen.

De ommekeer kwam voor Schwartz bij nadere bestudering van Rembrandts schilderijen, zoals Christusportretten en de Honderd Gulden prent. Op die laatste valt bijvoorbeeld op dat de directe entourage van Jezus steeds wat Nederlandser wordt afgebeeld dan de smoezende omstanders in de periferie. Bovendien wijst hij op een exemplaar van die prent met een anti-Joods gedicht van de hand van Rembrandts vriend Hendrik Waterloos. Schwartz dacht: ja zo kijken Christenen tegen Joden aan, in de 17e eeuw was dat waarschijnlijk net zo dubbelzinnig als in de 20e eeuw. En er is weinig reden om aan te nemen dat Rembrandt wezenlijk anders over Joden dacht dan zijn vriendenkring.

Het blijft een mooi idee, de gedachte dat Rembrandt veel belangstelling en genegenheid had voor de Amsterdamse Joden. En meer algemeen: dat Joods-Christelijk een geïntegreerde combinatie vormt. Maar het blijft oppassen.

vrijdag 13 januari 2012
reageer op deze column
Delen |

Lui

Wat de Palestijnen tot nu toe niet gelukt is, krijgen de Israëlische vrouwen op dit moment wellicht wel voor elkaar: het op gang brengen van enige collectieve zelfreflectie bij de grote Israëlische seculiere meerderheid. Immers, de motor achter de Israëlische demonstraties en acties van de laatste weken is de verontwaardiging over de status van vrouwen in het publieke Israëlische domein.

Uit die verontwaardiging kwamen de demonstraties voort in Beit Shemesh voor het achtjarige meisje dat op weg naar school bespuugd werd omdat ze onzedig gekleed zou zijn. En dezelfde verontwaardiging zit achter de acties van liberale en modern orthodoxe vrouwen tegen gescheiden zitplaatsen in de bus voor mannen (voorin) en vrouwen (achterin). Gelijkberechtiging van vrouwen is ook het motief voor de pogingen van vrouwen om met de Tora te bidden bij de Klaagmuur.

Dit type conflict is bepaald niet nieuw, het sluimert in Israël al decennia onder de oppervlakte. Het gaat terug op een altijd op de achtergrond aanwezige spanning tussen een seculiere meerderheid en een (ultra-)orthodoxe minderheid die het monopolie heeft op het bepalen van de spirituele Joodse identiteit.

Het curieuze van die spanning is dat de seculiere meerderheid enerzijds in geestelijk opzicht ver af staat van de rabbijnse denkwereld; maar zich toch door het religieuze establishment op allerlei terreinen (soms letterlijk) de wet laat voorschrijven. Bijvoorbeeld inzake huwelijken, de aanleg van begraafplaatsen voor de meer liberaal denkenden, of de scheiding van mannen en vrouwen in de bus.

Aan de kant van de seculieren waren er voor deze houding altijd pragmatische en sentimentele redenen. Met sentimentele redenen doel ik op een zekere geestelijke luiheid die geneigd is het beheer van de spirituele erfenis te leggen bij degenen die het meest traditioneel gekleed gaan en zich daarnaar gedragen. Dat is lekker makkelijk, het geeft een soort historische geborgenheid en het appelleert aan weliswaar vage maar ook aantrekkelijke wij-gevoelens.

De pragmatische redenen hebben te maken met de veiligheidssituatie van Israël. Lange tijd is gedacht dat het land zich geen fundamentele discussie kon veroorloven over de positie van het orthodoxe jodendom. Dat zou de nationale eenheid kunnen verstoren die zo hard nodig is in de strijd tegen een vijandige omgeving, en zelfs tot een burgeroorlog kunnen leiden. De gedachte was: eerst verbetering van de veiligheidssituatie, pas daarna de interne strijd aangaan.

Maar om een of andere reden gebeurt het nu toch: op grotere schaal dan voorheen gaat men het gevecht aan met het religieuze establishment. Het land kan het zich kennelijk nu wel permitteren, men voelt zich veilig genoeg. Of de ultra-orthodoxe groep wordt nu gewoon te groot en te brutaal en overschrijdt te veel grenzen.

Tegenover die grensoverschrijdingen is de levensbeschouwelijke luiheid van de gemiddelde seculiere Israeliër niet meer vol te houden, of die nu pragmatisch of sentimenteel geïnspireerd is. De situatie dwingt velen van hen nu tot zelf nadenken, tot het bepalen van een eigen positie op spiritueel gebied.

Als dit de opmaat is tot meer reflectie op de eigen spirituele identiteit, lijkt mij dat zeer toe te juichen. En opwekking uit de lethargische geestelijke onverschilligheid zou daarna ook die andere breed levende Israëlische onverschilligheid tot de orde kunnen roepen: die voor het Palestijns-Israëlische conflict en het lot van een gemiddelde Palestijn. Dan wordt de volgorde van de prioriteiten gewoon omgedraaid.

vrijdag 16 december 2011
reageer op deze column
Delen |

Levinas en egoïsme

Egoïsme is slecht. Zo hebben we het geleerd en die gedachte zit diep verankerd in de ons omringende Christelijke cultuur. Maar dat idee is zeker niet beperkt tot Christenen. De bekende Brits-Joodse socioloog Zygmunt Bauman bijvoorbeeld, draagt dezelfde gedachte uit in zijn talrijke boeken. Hij stelt tegenover de strevingen van het ‘Ik’ de onbaatzuchtige toewijding aan de ‘Ander’ en bevestigt daarmee een denkpatroon dat diep geworteld is in het Westen.

Velen die zo denken menen hun opvattingen over de slechtheid van ego en egoïsme bevestigd te zien in de geschriften van Levinas. Door diens nadruk op het ‘Gelaat van de Ander’ en de inbreuk die bij hem de Ander maakt op het Ik lijkt Levinas geknipt voor inlijving bij het van oorsprong Christelijke gedachtegoed over de erfzonde, de slechtheid van de mens en diens egoïsme. Dat zou ook kunnen verklaren waarom Levinas juist in het Calvinistische Nederland al vroeg populair werd. Levinas wordt dan geplaatst in het verlengde van de Christelijke aanklagers van het menselijke egoïsme en boodschappers van de naastenliefde. Levinas is, kortom, volgens die visie een moralist bij uitstek.

Ik heb tegen deze voorstelling van zaken altijd bezwaar gehad en gelukkig is er nu een master thesis verschenen die op deze kwestie nader in gaat. Het betreft de afstudeerscriptie van Henk den Uijl, afgestudeerd in Filosofie van Management en Organisatie aan de VU, met als titel Beyond egoism and altruism. A Levinasian approach. Hij pleit daarin, aan de hand van het werk van Levinas, voor het in moreel opzicht als neutraal beschouwen van egoïsme.

Dat is nogal wat, juist omdat dat in strijd is met het gangbare denken dat door Den Uijl wordt gekarakteriseerd als een vorm van dualistisch denken. Met dualisme bedoelt hij een gepolariseerd stelsel van twee aan elkaar tegengestelde waardepolen, waarbij de ene pool goed is en de andere slecht. In dit geval: altruïsme is goed, egoïsme is slecht.

De gangbaarheid van dit dualisme komt wat Den Uijl betreft tot uitdrukking in zijn constatering dat “when theorized about it, people will say that altruism is better than egoism”. Daar zet Den Uijl tegenover dat “to say this (the ego) is wrong or good is a categorical mistake, the egoism is (not yet) about ethics or morals”. Egoïsme heeft zijn eigen terrein waar het op zijn plaats is en moet niet in een hiërarchische verhouding tot altruïsme gezien worden. “Egoism is ethically neutral, and is good in the sense of enjoying life, yet not in an ethical sense. There is no definite hierarchy between egoism and altruism. Egoism is not something condemnable; it is no normative notion at all”.

Hoe hij voor deze stellingname teruggrijpt op Levinas wordt duidelijk in zijn weergave van Levinas’ beoordeling van het egoïsme. Uit die weergave presenteer ik een aantal zinnen die Den Uijls betoog dragen en die ik voor deze gelegenheid achter elkaar weergeef. “He (Levinas) does not see egoism as a vice, rather, it is the very way a subject in solitude behaves through intentionality; the ego wants to understand, or better, grasp the world so to suspense anonymous being”. “Egoism is the very way an ego stands in the world. It is strange to say that the ego perceives the world wrong, for who else should perceive the world than the ego?”

Den Uijl vertelt dat, als hij in gesprek met managers en economen op deze manier spreekt over egoïsme, zij het daar soms knap moeilijk mee hebben. Hun reacties zijn vaak defensief. Den Uijl verklaart dat door de negatieve lading die het woord egoïsme onder de invloed van het Christendom heeft gekregen.

Overigens komt hij, juist in die kringen van managers en economen, ook het precieze tegendeel tegen. Dan wordt altruïsme gezien als naïef en daarom slecht en wordt het egoïsme bejubeld omdat individuele ambities en begerigheid zouden kunnen zorgen voor welvaart van het collectief. Hier treedt, aldus Den Uijl, opnieuw dualisme op met bijbehorende omgekeerde hiërarchisering.

Kennelijk is het moeilijk om rustig te blijven als het om egoïsme gaat en wordt er snel in ideologische termen over gesproken: er is ofwel totale afwijzing (zoals in het Christendom) ofwel totale omarming (zoals in het doorgeschoten marktdenken). Daartegenover stelt Den Uijl met Levinas terecht: er is geen hiërarchie tussen egoïsme en altruïsme, en ze wisselen elkaar als het goed is voortdurend af.

Wanneer je dit eenmaal tot je hebt laten doordringen klinkt het zo onwaarschijnlijk gedateerd dualistisch om een filosoof als Andreas Kinneging in Trouw te horen zeggen dat in onze tijd de Christelijke nadruk op de naastenliefde van cruciaal belang is. “Het Christendom, dat uitgaat van naastenliefde, maakt de mens minder egoïstisch en doet hem meer gericht zijn op de gemeenschap en op de ander”. Om die reden zou het Christendom volgens Kinneging beter samengaan met democratie dan Jodendom en Islam.

Kinneging zegt dit ondanks het feit dat het Christelijk dualisme en de bevoorrechting van het altruïsme inmiddels door veel mensen als overspannen ideologie worden beleefd en ongeloofwaardig zijn geworden. Het is niet voor niets dat de door Kinneging geroemde Tocqueville zich nog slechts ‘cultuurchristen’ kon noemen. Hij kon het niet meer echt geloven.