Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Harry van den Bergh

Harry Jacob van den Bergh studeerde Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. In het verleden was hij o.a. lid van de Tweede kamer, lid van de Raad van Europa, lid van de Raad van Amstelveen, voorzitter van de Raad van Toezicht van Joods Maatschappelijk Werk en bestuursvoorzitter van Vluchtelingenwerk Nederland. Tegenwoordig is hij zelfstandig ondernemer en bestuurder. Hij is lid van de Raad van Toezicht van de Hebreeuwse Universiteit en van het Truman Institute, beide in Jerusalem, lid van het Netherlands Committee van Human Rights Watch en voorzitter van Humanity in Action Nederland.
vrijdag 10 februari 2012
reageer op deze column
Delen |

Het geloof in de aanval

Wanneer ik het goed zie, hetgeen ik absoluut niet zeker weet, zouden de gebeurtenissen bij de Joodse gemeente in Amsterdam voor een veel bredere ontwikkeling kunnen staan. Ik zie het zo: al enige jaren is er een betrekkelijk kleine groep stevige gelovigen (de naam van Herman Loonstein valt daar altijd bij) die het kerkgenootschap voortdurend onder druk hebben gezet om zich met meer overtuiging en ook op een radicalere wijze te houden aan bijvoorbeeld de halachische grondregels van het jodendom. De aanhangers van deze groep zijn doorgaans in het jodendom goed opgeleide mannen en vrouwen, die met aanzienlijke geloofsijver hun doelen nastreven. Ik heb ook de indruk dat zij, zij-aan-zij, optrekken met een toenemend aantal rabbinale figuren (voor het gemak de “baardmannen” genoemd) die op allerlei sleutelplekken in de orthodoxie hun invloed laten gelden. Het is ook pas een recent verschijnsel dat zich in Amsterdam-Zuid op sjabbat figuren verplaatsen, getooid op straat in een talliet of gekleed in direct uit het Oost-Europa van de 18de eeuw afkomstige kleding. Samengevat: radicalisering en orthodoxering is fors toegenomen.

Is dit verschijnsel uniek voor Amsterdam? Ik denk het zeker niet, want er zijn tal van Joodse plekken in de hele wereld waar zich soortgelijke ontwikkelingen voordoen. Nu moet men zonder gedegen onderzoek bij de hand oppassen uit deze waarnemingen generieke conclusies te trekken, welke dat ook moge zijn. Toch zijn er interessante aanwijzingen die erop duiden dat het hier om een vrij brede ontwikkeling in de Joodse wereld gaat. Dan bedoel ik niet eens dat lachwekkende en onaanvaardbare gedoe waar mannen en vrouwen gescheiden in een bus reizen op sommige plekken in Israël. Dat vrouwen in hun eigen omgeving zo achterlijk zijn om achter een hek in sjoel te zijn, moeten zij zelf weten. Zoiets kan natuurlijk onmogelijk, en vaak ook gedwongen in openbare transportmiddelen. Ik zou willen dat de regering van Israël hier hard en duidelijk tegen optreedt.

Heel interessante gegevens over orthodoxering las ik in het beste dagblad van Israël, Ha’aretz. Deze krant deed verslag van een groot onderzoek dat in Israël was gehouden en dat onderzoek duidde op een aantal belangrijke ontwikkelingen, die voor de ene burger hoopvolle tekenen inhouden en voor de andere (seculiere) burger zeer verontrustend zijn. De studie vergelijkt ook de situatie zoals deze in het jaar 2009 plaatsvond met de resultaten van hetzelfde onderzoek in 1991 en 1999. Het onderzoek toont aan dat Israël in 2009 aanzienlijk godsdienstiger is dan in 1991. Het viel mij sowieso op dat de mate van religiositeit veel hoger is dan ik ooit verwacht had. Immers, men neemt altijd aan dat de religieuzen in Israël een forse minderheid vormen, ongeveer 22%. Ik realiseer mij daarbij dat men dan altijd doelt op de zogenaamde Charedim, de orthodoxen die snel in aantal groeien door een hoog geboortecijfer. Een veel generiekere definitie van religiositeit laat hoge en wat mij betreft zeer verrassende cijfers zien.

Een paar cijfers: het onderzoek laat zien dat 80% van de Joden in Israël in God gelooft, een hoger percentage dan toen men 20 jaar geleden met dit type onderzoek begon. 70% Van de respondenten gelooft dat de Joden het Uitverkoren Volk zijn en 65% gelooft dat Tora en mitswot door God gegeven zijn, terwijl een kleine 60% gelooft in een leven na de dood. Zo zijn er nog veel meer gegevens die wijzen op een grotere en toenemende religiositeit.

Beth Shemesh was de afgelopen weken op een heel onaangename manier in de publiciteit door de wijze waarop ultraorthodoxen zich gedroegen en gedragen. Ik dacht altijd dat Beth Shemesh een saai provinciestadje was met wat industriële activiteit. De waarheid is anders. De stad heeft zich ontwikkeld tot een radicale en intolerante gemeenschap waar een normaal mens de grootste zorgen over zou hebben. Deze stad nu wordt volledig beheerst door intolerante orthodoxe radikalinski’s. Zo zelfs, dat de ultraorthodoxe scholen niet aan te slepen zijn en dat nu van de 7000 kinderen in de stad tussen 5 en 8 jaar er 5800 als ultraorthodox moeten worden beschouwd. Extrapoleer deze getallen eens op een iets langere termijn. Gematigden en niet-gelovigen zullen de stad niet meer kunnen binnengaan op het gevaar af gemolesteerd te worden door deze gevaarlijke baardmannen. Ik huiver bij het idee dat in Israël dit soort ontwikkelingen plaatsvinden.

Terwijl vaak wordt gedacht dat het geloof in het defensief is, zou het toch zo kunnen zijn dat de gelovigen in het offensief zijn, in Amsterdam en in Beth Shemesh, in Israël en Amerika. Wat is daar tegen? In principe niets, op voorwaarde dat gematigden en seculieren op geen enkele wijze belemmerd worden in hun gedrag. Dit laatste staat, vrees ik, ter discussie. In een open en democratische samenleving past op geen enkele wijze geestelijke of religieuze dwang. Daar ben ik nu bang voor! Gematigden en seculieren, verenigt u!

vrijdag 3 februari 2012
reageer op deze column
Delen |

Welke orthodoxie is aan de winnende hand?

Ik heb geen vreugde beleefd aan de chaos bij de NIHS, de Joodse gemeente Amsterdam, over de uitspraken over homoseksualiteit van rabbijn Arjeh Ralbag, ook de opperrabbijn van Amsterdam genoemd. Ralbag is een aardige man die zelfs aandacht besteedt aan een ongelovige als ik en dat betekent in mijn ongelovige ogen heel wat. De goede man is echter ook iemand van wie men zich kan afvragen of hij, met zijn achtergrond: die van een zeer orthodoxe man uit het meest orthodoxe deel van New York, wel de meest voor de hand liggende rabbijn was om spirituele leiding te geven aan orthodox Amsterdam. En dat alles op basis van werkafspraken die niet anders dan tot problemen moesten leiden. Ik meen dat de opperrabbijn zijn hoge roeping één week per zes weken in Amsterdam zou uitoefenen. Heeft mij dus vanaf het eerste begin een zinloze en doodlopende weg geleken, omdat geen mens en ook niet een eventuele supergeniale rabbijn, op deze wijze zou kunnen functioneren. Het is dus in de afgelopen weken helemaal fout gegaan. De rabbijn verkondigt een opvatting die niet nieuw is, namelijk dat een homoseksueel een ziek persoon is die genezen moet worden. Een opvatting die geheel past in de leef- en denkwereld van de orthodoxie. Daar hoeft niemand van te schrikken want er is geen jota nieuws aan deze mening. Vervolgens besluit een incompetent bestuur niet tot de-escalatie maar tot escalatie, schorst in het openbaar niet de rabbijn, maar de opperrabbijn van Amsterdam, waar immers een illustere voorganger rabbijn Schuster was. Geen kleinigheid dus! De rel die volgt is bijna niet te beschrijven, want uiteraard schrijven alle grote en invloedrijke kranten in Nederland over dit achterhaalde gedoe bij de NIHS. In Nederland hebben wij gelukkig ten aanzien van homoseksuelen langzamerhand een tolerant klimaat gekregen, maar dat alles was bij het rabbinaat nog niet doorgedrongen. Grote rel dus met de grote leider Eisenmann, de voorzitter van het bestuur, aan de stuurknuppel. Voor een ieder die desondanks de NIHS een goed hart toedraagt, allesbehalve een verheffend schouwspel!

De opperrabbijn in zijn wijsheid weigert naar Amsterdam te komen want hij had vast nog wat belangrijks te doen in Israël. Een choepa of een gesprek met de extremisten van het Israëlische opperrabbinaat, in elk geval vormde een onmiddellijke vlucht naar Amsterdam geen prioriteit. Dan breekt toch mijn klomp wanneer op 2 februari de kranten laten weten dat Arjeh Ralbag toch nog even tijd heeft gevonden om aandacht te besteden aan zijn schaapskudde in Amsterdam, want hij laat weten dat het geheel op een misverstand berust, dat homoseksualiteit een leefwijze is als elke andere en dat orthodoxe homoseksuelen van harte welkom zijn en met liefde moeten worden opgenomen in de Joodse gemeente. Kan het nog mooier of liever nog erger = wat een gehuichel, wat een gedraai, wat een zooitje!

Deze oplossing was mijn oplossing geweest voor dit drama: De opperrabbijn had vast moeten houden aan zijn opvatting. Daarin werd hij inclusief dreigementen immers gesteund door een of andere Europese organisatie van baardmannen met een rabbijnentitel die ver staan van het leven van deze tijd. Dat is hun goed recht, evenals zij het recht hebben deze dwaze opvatting over homoseksualiteit te verkondigen. De opperrabbijn had tegen het bestuur van gezagvoerder Eisenmann moeten zeggen dat hij ontslag zou nemen wanneer het bestuur hem niet zou steunen, want Eisenmann gaat niet over de Halacha. Het bestuur had moeten zeggen dat wanneer Ralbag van mening zou veranderen, het bestuur gedwongen zou zijn hem te ontslaan want wij Nederlanders houden niet van spirituele draaikonterij.

En vervolgens moet die verfoeilijke constructie van een opperrabbijn op parttime basis in New York opgeblazen worden evenals de NIHS zelve. Laat er gescheiden een clubje komen van super-orthodoxen, de baardmannen van Joods Amsterdam en daarnaast van gematigd orthodoxen, die midden in deze tijd staan, die aantrekkingskracht hebben op een grote groep mensen die uitkijken naar een gematigde orthodoxe gemeente en waar homoseksuele of lesbische medejoden oprecht welkom zijn.

vrijdag 20 januari 2012
1 reactie
reageer op deze column
Delen |

Süskindfilm benadert werkelijkheid

Ik ben zojuist thuisgekomen van de première van de film Süskind van Rudolf van den Berg. Ik heb de regisseur, die ik al eerder ontmoette, in de hal van het Muziektheater omhelsd en gezegd dat hij een monument vervaardigd heeft van grote betekenis. Ik had hem moeten zeggen dat hij een kaddiesjmonument vervaardigd heeft, maar dat bedenk ik nu pas na thuiskomst. Daarom schrijf ik het nu meteen op, want ik wil de emoties die deze film oproept, vasthouden en niet langzamerhand weer weg laten vloeien. Voor een paar uur tenminste, want de emoties zijn te groot om er op een normale manier de dag mee door te komen!

Rudolf van den Berg ken ik van een enkele ontmoeting een aantal jaren geleden. Ik weet niet meer of hij toen al het thema van Süskind genoemd heeft, maar ik vermoed dat hij er toen al mee bezig was. Hij, en ook anderen, zeiden het in korte toespraken na de première. Dit is het levenswerk van de filmregisseur Rudolf van den Berg. Ik wens hem ook van harte geluk met het resultaat en ik hoop oprecht dat velen de film gaan zien. Van mij mag dat, omdat de financiers natuurlijk hun investering terug willen verdienen en nog een beetje meer. Het zij ze gegund! De regisseur zelf zei dat hij hoopte dat velen de film gaan zien omdat het verhaal van lafheid en moed, van buigzaamheid en onbuigzaamheid, van wanhoop en hoop aan de nieuwste generaties verteld moet worden. Maar er zijn nog andere redenen. Dit verhaal van de kinderen van Süskind, van de deporaties uit de Hollandsche Schouwburg, van de 104.000 die niet terugkeerden en van degenen die het geluk hadden wel terug te keren, roept ook een wezenlijke vraag op. De vraag hoe dit alles (om de hoek van het Muziektheater aan de rand van het Waterlooplein, waar de première plaatsvond) mogelijk was en waarom nu uitgerekend uit Nederland, dat zulk een reputatie zou hebben gehad, relatief de meeste Joden uit heel Europa de vernietigingskampen zijn ingejaagd. In de Knesset liet koningin Beatrix al jaren geleden weten dat de Nederlandse reputatie van hulp aan de Joden op een misvatting berustte. Daarmee is geenszins verklaard waarom het in Nederland, in tegenstelling tot België, Frankrijk en Denemarken, zo relatief veel slechter is geweest.

Ik lees dat er recent een boek van 1000 bladzijden is verschenen waarin een poging tot verklaring wordt gedaan. Ik zal het boek aanschaffen en tot de laatste punt lezen. Die vraag, ‘hoe was het mogelijk’, is die wezenlijke vraag waar historici zich in hebben vastgebeten en waar vele anderen, zo vele jaren na de oorlog, nog altijd mee bezig zijn. Ook in deze film komt weer pijnlijk genoeg naar voren dat naast de helden, met evenveel gemak andere mensen zich gewijd hebben aan de ergst denkbare misdaden en er nog in geloofd hebben ook.

Ik weet niet of er een verklaring mogelijk is voor het functioneren van het brein van de grootste misdadigers. Honderdduizenden burgermannetjes als Eichmann, die zich met het grootste gemak hebben gewijd aan de vernietiging van miljoenen mensen. Hoewel wij Joden de uniciteit van de vernietiging van 6 miljoen mensen benadrukken, is het toch zo dat in verschillende vormen deze misdaad na de Tweede Wereldoorlog is herhaald. De les van de geschiedenis is kennelijk beperkt en heeft ook een kort geheugen. Geen andere conclusie is mogelijk!

De regisseur van de film, Rudolf van den Berg, heeft op een magistrale wijze zijn kaddiesj gezegd.

vrijdag 16 december 2011
2 reacties
reageer op deze column
Delen |

Het recht heeft gezegevierd

Bij een groot deel van het debat over de onbedwelmde rituele slacht mocht ik aanwezig zijn, gezeten op een stoel achter de zitplaatsen van de Leden van de Eerste Kamer. Als voormalig lid van de Tweede Kamer bracht die aanwezigheid daar op de gewijde grond van de Senaat, zoals de Dames en Heren zichzelf graag noemen, een heel aantal herinneringen terug, hoewel ik in de jaren van mijn lidmaatschap zeer zelden in de Eerste Kamer kwam. Leden van de Tweede Kamer keken ook een beetje neer op de Senatoren die natuurlijk op geen enkele wijze te vergelijken waren met de Senatoren in Amerika. Machtige mannen en vrouwen daar, waar de bevoegdheden van de Nederlandse leden van de Senaat bescheiden bij afsteken. Ik heb in de loop der jaren heel wat Nederlandse leden van de Eerste Kamer gekend en ik heb wel eens de indruk gehad dat het gebruik van het woord Senator als een zekere compensatie functioneerde voor een bescheiden politieke rol. Daarover hieronder meer!

Ik heb altijd veel van het parlementaire gedoe gehouden. In de Tweede Kamer, in de Raad van Europa en zelfs ook in de Gemeenteraad van Amstelveen. Het heeft van doen met dat verbazingwekkende gedoe van de parlementaire politiek: het geroezemoes, het gepraat achter de coulissen, het door elkaar lopen en zitten van al die mensen met verschillende politieke opvattingen, en zelfs het zoeken naar een compromis, omdat onze meerderheden gebrekkig zijn. Voor mij was de aanwezigheid bij het debat afgelopen disdag zeker ook iets van een feest der herkenning. Met verontschuldiging aan degenen die dit onzin vinden, maar zij hebben ongelijk!

Jarenlang ben ik het eens geweest met de opvatting dat de Eerste Kamer moet worden opgeheven. Dat stond en staat zelfs in de verkiezingsprogramma’s van verschillende partijen, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat die opvatting onjuist en onverstandig is. Zoals een lid van de Eerste Kamer zichzelf graag Senator noemt - psychologische zwakheid is hem of haar immers niet vreemd - zo kan het zijn dat de psychologische zwakheid van leden van de Tweede Kamer toch ook van doen heeft met een zeker meerderwaardigheidsgevoel, met als gevolg de mening dat die Eerste Kamer eigenlijk overbodig is.

Ik wilde schrijven over het debat in de Senaat over het onbedwelmd slachten. Wat heeft die verschillende rol van de beide Kamers daar nu mee te maken? Heel veel, in die zin dat wanneer er geen Senaat zou zijn geweest, de Joodse en Islamitische minderheidsgroepen geen recht zou zijn gedaan. Want dat is wat er naar mijn inzicht de afgelopen week toch gebeurd is in de Eerste Kamer. De Joodse en Islamitische minderheidsgroepen, zoals ze nu genoemd worden, zijn de meerderheid van de Senaat grote dank verschuldigd. Niet alleen omdat ze hun werk gedaan hebben, maar vooral vanwege de evenwichtigheid en het principiële karakter van een voortreffelijk debat.

Ik wil niet tot degenen behoren die altijd mopperen op leden van de Tweede Kamer. Er is lang niet altijd reden toe om mee te doen aan het populistische gekanker dat zo zeer gemeengoed is geworden. Echter, het debat in de Tweede Kamer over dit gevoelige onderwerp was beneden peil van verschillende fracties waarvan je anders zou verwachten: PvdA, Groen Links, D66 en VVD. De christelijke partijen hebben onmiddellijk de juiste keuze gemaakt. Laat ik maar niet spreken over de keuze van die grote vrienden van Israël en het Joodse volk onder leiding van de heer Wilders.

De Eerste Kamer heeft recht gedaan aan een belangrijke traditie en aan een wezenlijk grondrecht. Uit een oogpunt van rechtsbescherming zeg ik: de Eerste Kamer, de Senaat, moet blijven.

vrijdag 2 december 2011
reageer op deze column
Delen |

Een paar dagen in Israël

Vorige week was ik enkele dagen in Israël. Niet om vakantie te houden, maar omdat ik allerlei interessante en minder interessante zaken te doen had. Deze column is geen dagboek, want ik dacht pas na terugkeer dat ik aantekeningen per dag had moeten maken. Een volgende keer doe ik dat, omdat ik vaak wanneer ik Israël heb bezocht in de afgelopen jaren, het gevoel had, terecht of ten onrechte, weer eens iets bijzonders meegemaakt te hebben. Het lijkt wel of elk van mijn bezoeken aan Israël bijzondere spanningen of ervaringen of wellicht gevoelens oproept die ik bij elk bezoek aan een ander land niet heb. Een uitzondering: ik was enkele malen in verschillende delen van China en ik beken dat ik elke keer na terugkomst enige tijd in een soort van euforie verkeerde en ook de dringende behoefte had voortdurend te vertellen wat ik zag en over te brengen wat een ontzagwekkende ervaring dat land was en is. Mijn veelvuldige bezoeken aan Israël lijken erop, meer routineus zonder twijfel, maar toch elke keer met een soort van opwinding.

Flarden van wat ik afgelopen week zag en meemaakte, bij deze in een soort van ongecoördineerd dagboekje, per flard beschreven nu ik aan mijn schrijftafel zit. Jazeker, die tocht op de sjabbat met mijn mede-Governor van de Hebreeuwse Universiteit, per toeval naar de Dode Zee vanuit Jeruzalem, in de eerste plaats bedoeld om Maale Adumim weer eens te zien. Dat prachtige stadje buiten Jeruzalem, in wat echt bezet gebied is. Ik overweeg, langs het stadje naar beneden rijdend, dat de plek iets vervloekts heeft, prachtig om te zien maar beter had het er niet kunnen zijn. Die wonderlijk mooie woestijn brengt mij naar het diepste punt van het land. Beneden bij de Dode Zee en rijdend richting Ein Gedi, passeer ik een bordje met Qumran, de onvergetelijke plaats waar de fameuze rollen gevonden zijn. In dit naar mijn indruk volstrekt onleefbare gebied zijn zeer vroege uitingen van onze beschaving gevonden en ik vraag mij af, als zo vaak in een woestijn, hoe hier overleving mogelijk was. In Ein Gedi eet ik wat en worden wij letterlijk bijna overvallen door een groep bonkige en witte Nederlanders die ongegeneerd beginnen te melden dat de Here Jezus als de Messias al gekomen was en dat “jullie Joden” dat moeten aanvaarden. De lunch was al niet zo best, maar is nu zeker bedorven.

Andere flard van het bezoek: het symposium aan de Hebreeuwse Universiteit over de geschiedenis van de Joden in Nederland. Ik heb maar een klein deel van deze drie dagen durende zitting meegemaakt. Veel ex-Nederlandse Joden, de meeste met een keppel en veel grijze haren. Zeer goed georganiseerd onder leiding van André Boers, die ik nog van vroeger ken als een getalenteerde Joodse leider. De lezingen die ik hoorde, waren voor deze simpele ziel te moeilijk, omdat ik grote moeite heb met geschiedschrijving in filosofische categorieën. Briljant dat de avondzitting in het vernieuwde Israel Museum plaats vond met een receptie van de nieuwe ambassadeur van Nederland, Caspar Veldkamp. Briljant omdat de architectuur van het vernieuwde museum adembenemend is met een schitterende placering van al die prachtige judaica. Judaica vaak vanuit een verloren verleden, dat net zoals bij een wandeling door de Plantagebuurt in Amsterdam, toch ook een pijnlijk gevoel van nostalgie oproept.

Andere flard, die van het bezoek aan de Palestijnse universiteit in Abu Dis op de West Bank. Ik vraag mij voor de zoveelste maal af, net zoals bij een bezoek aan een Arabisch dorp in Israël, waarom de straten zo vreselijk zijn en het kennelijk geen gewoonte is allerlei straatvuil op te ruimen. Waardoor toch dit verschil met de Joodse plaatsen in Israël? In Abu Dis is de Palestijnse El Quds Universiteit, waarmee mijn Hebreeuwse Universiteit, waarvan ik met zo veel plezier Governor ben, samenwerkt in een gemeenschappelijk onderzoeksproject dat vanuit het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt betaald. Dat project heeft natuurlijk mede als oogmerk, op kleine schaal weliswaar, naast de wetenschap ook te laten zien dat samenleven en -werken mogelijk is. Ziad Abdeen, de Palestijnse hoogleraar en onderzoeksleider, laat met trots zijn onderzoekslaboratorium zien. In de avond ontmoeten de teams van El Quds en de Hebreeuwse Universiteit elkaar thuis bij de Nederlandse ambassadeur in de Palestijnse gebieden. Ik ben onder de indruk, misschien wel ontroerd, door de sfeer tussen Palestijnen en Israëli´s. Is er dan toch meer mogelijk dan wij doorgaans denken?

Thuis nu spelen er zo veel flarden door mijn hoofd dat deze column een echt dagboek had kunnen zijn. Omdat dit niet zo is, nog een paar flarden waar ik later op zal terugkomen, want zorgwekkende ontwikkelingen zijn er ook. Wist u al dat in Jeruzalem systematisch vrouwelijk schoon niet meer voorkomt op de billboards vanwege de gevoeligheden van de baardmannen? Wist u al dat er in de Knesset een wet in voorbereiding is die met name de zogenaamd progressieve NGO´s de mond zal snoeren? Wist u al dat in delen van het openbaar vervoer mannen en vrouwen gescheiden zitten, en dit in het publieke domein? Wist u dat er in het leger een hele rel is over de vraag of vrouwelijke soldaten bij gelegenheid mee mogen zingen omdat de baardmannen de Kol Isha, de stem van de vrouw als te erotiserend ervaren? Dat is overigens niets nieuws, want toen ik lang geleden voorzitter mocht zijn van het comité dat voor de Joodse gemeenschap de viering van de 50ste Onafhankelijkheidsdag organiseerde, deed het orthodoxe koor niet mee omdat in de liberale koren de stem van de vrouw te horen was en al te erotiserend was. Inderdaad, toen ook al!

Zo is er nog veel meer. Heerlijk zo’n paar dagen in Israël.