Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Harrie Teunissen

Harrie Teunissen (1949) studeerde cultuur- en godsdienstpsychologie in Nijmegen en Parijs en islamwetenschappen in Leiden en Damascus. Van 1979 tot 1987 was hij werkzaam bij de vakgroep Theoretische en historische pedagogie (UVA) en publiceerde hij over opvoeding en psychoanalyse. Daarna verzorgde hij HOVO-cursussen, o.a. over ‘De Mythe van de Reconquista: Moslims, Joden en Christenen in de Spaanse Middeleeuwen’. Momenteel is hij zelfstandig historicus en een verwoed verzamelaar van kaarten, atlassen en reisgidsen. Zwaartepunten in zijn collectie zijn watermanagement, stadsontwikkeling, etnische relaties en militaire conflicten.
vrijdag 18 mei 2012
reageer op deze column
Delen |

Joden van Mauritsstad (2)

‘Joden domineerden de Atlantische slavenhandel’. Daarom zijn ze hoofdschuldigen aan ‘de Afrikaanse Holocaust’ én verantwoordelijk voor de brute uitbuiting en onderdrukking van generaties zwarten in Amerika. Dat is de stelling van The Secret Relationship between Blacks and Jews. Dit pseudowetenschappelijke boek, vol kortgesloten citaten uit Joodse studies, wordt 1991 in Boston gepubliceerd door de radicale organisatie van zwarte moslims: The Nation of Islam. Prominente blanke en zwarte wetenschappers verwijzen deze aantijging naar de prullenbak. Zij stellen juist: (1) Als in de achttiende eeuw de Westerse handel in slaven uit Afrika toeneemt tot zo’n 80.000 per jaar wordt het Joodse aandeel snel marginaal. (2) Van 1630 tot 1715 spelen Sefardiem wel regionaal een opvallende rol in de slavenhandel (vooral in ‘onze’ koloniën) maar de trans-Atlantische groothandel blijft het monopolie van katholieke naties en van protestantse multinationals als de WIC. (3) Het aantal zwarte slaven dat binnen Afrika en naar het Midden-Oosten verhandeld wordt, doet zeker niet onder voor de 12 miljoen mannen, vrouwen en kinderen die van de zestiende tot ver in de negentiende eeuw naar de beide Amerika’s worden versleept. Voor een eerste overzicht van het aandeel van Joden in de slavenhandel ligt toespitsing op Mauritsstad, en later op Suriname en Curaçao, dus voor de hand. In deze column begin ik ook mijn uiteenzetting over Joodse regels voor slaven en over ‘witte zelf-vorming’ door zich te spiegelen aan beelden van ‘vervloekte zwarten’.

Na 1580 neemt het koloniale systeem van grote plantages in het dunbevolkte Oost-Brazilië een enorme vlucht. Dan is al gebleken dat inheemse indianen nauwelijks geschikt zijn voor het zware werk met suikerriet en tabak, al is het maar omdat ze geen weerstand hebben tegen daar onbekende door de Portugezen meegebrachte ziektes. Vandaar dat men slaven uit Afrika importeert. Onder de kolonisten zijn Nieuwe Christenen goed vertegenwoordigd. Tot 1640 spelen die ook een hoofdrol in de trans-Atlantische handel, waaronder gemiddeld zo’n 12.000 slaven per jaar. Men kan de Nieuwe Christenen niet bestempelen als ‘cryptojoden’. Na vier of vijf generaties van gedwongen én vrijwillige assimilatie koestert het overgrote deel geen Joodse tradities meer. Dat blijkt onder meer uit hun verzet tegen het WIC-bewind. De heimelijk judaïserende minderheid keert vooral in Amsterdam of Hamburg terug tot het jodendom, in Hollands-Brazilië gaat het slechts om tientallen. Na 1641, als een vloot vanuit Mauritsstad ook de Portugese havenstad Luanda met zijn slavendepots op de Angolese kust verovert, domineert de WIC korte tijd de slavenhandel. Europese schepen verslepen dan jaarlijks bijna 14.000 slaven naar Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied. De calvinistische WIC staat Joden niet toe om met eigen schepen te delen in hun slavenhandel en Sefardiem vormen hooguit 7% van hun aandeelhouders. Maar in Hollands-Brazilië domineren zij de handel tussen de WIC en de Senhores de engenho in het achterland. Hoezeer die meesters van plantages met suikermolens afhankelijk zijn van slavenarbeid is te zien op deze kaart uit 1665 met de districten Pernambuco en Itámaracá. Het is een Spaanse kopie van een deel van de wandkaart van Hollands-Brazilië die Georg Marcgraf voor Gouverneur-generaal Johan Maurits heeft getekend en die in 1647 te Amsterdam bij de firma Blaeu is gedrukt.

Voor zijn standaardwerk Gente da Naçao (Recife 1996) heeft Gonsalves de Mello ook archiefstukken over de slavenveilingen in Pernambuco onderzocht. Hij geeft aan dat het aandeel van Joden bij de inkoop van slaven stijgt van 21% in 1637/’40 (gemiddeld 127 slaven per jaar) tot bijna 50% in 1641/’44 (gemiddeld 341 slaven per jaar). De Joodse gemeente van Recife profiteert van deze handel, want zij heft belasting op de verkoop door Joden. Daarnaast zijn Portugese katholieken en Hollandse calvinisten actief in die lucratieve business. Een slavenhandelaar, de Nieuwe Christen Isaac Franco Drago, laat zich besnijden en staat het laatste jaar van Hollands-Brazilië (1653/’54) zelfs aan het hoofd van de Joodse gemeente van Mauritsstad. De kortstondige hoofdrol van Joden komt mede voort uit de praktijk dat zij aan plantagebezitters slaven op krediet verkopen, die deze na de volgende oogst in ruwe suiker moeten vereffenen. Hun dominantie blijkt ook uit een list van christelijke handelaren die in 1644 een nieuwe lading slaven goedkoop wil bemachtigen door de publieke verkoop te laten houden op een Joodse feestdag. Op het laatste moment wordt de veiling van hogerhand uitgesteld zodat Joodse handelaren mee kunnen dingen op de markt. De slavenhandel is echter ook een riskante business. De grote opstand van de Portugese Senhores de engenho tegen het WIC-bewind in Mauritsstad blokkeert vanaf 1645 het voldoen van hun schulden en nieuwe aankoop van slaven in Recife. Hierdoor zakken ook de verkoopprijzen van huisslaven en zwarte knechten voor de stad. Vooral Joodse handelaren raken nu in de problemen. Al met al is het geen toeval dat de locale slavenmarkt plaatsvindt in de Jodenstraat van Recife, zoals op deze aquarel van Zacharias Wagner is te zien.


Slavenmarkt in de Jodenstraat van Recife, ± 1640

Eén manier om meer zicht te krijgen op de verhouding tussen Joden en slaven is de verwikkelingen te volgen rond het traditionele voorschrift om slaven te besnijden (Genesis, 17:12) en ritueel onder te dompelen in het mikwe (voor slavinnen geldt alleen de laatste verplichting). Deze ‘halve bekering’, die vereist is om te functioneren in een Joods huishouden, komt in de zestiende eeuw nog veelvuldig voor. Halverwege de zeventiende eeuw kentert echter dit halacha-debat. Dat begint in Hollands-Brazilië, waar de vele slavenarbeiders op moderne plantages de vertrouwde knechten en huisslaven naar de achtergrond dringen. De traditionele voorschriften worden niet langer van toepassing geacht, hoewel zelfs het bekeren van heidense zwarten niet verboden is door de overheid. Veeleer dringen raciale noties door in bepalingen van Joodse leiders. Dat is overigens niet specifiek Joods, Protestantse meesters verhinderen al in 1636 de deelname van slaven aan hun kerkdiensten. In 1647 wordt een apart gedeelte van de Joodse begraafplaats aan de rivier bij Mauritsstad bestemd voor Joodse negers en mulatten. Voor de Joodse begraafplaats te Ouderkerk aan de Amstel zijn sommige bepalingen reeds in 1627 raciaal gekleurd. In 1649 legt de Joodse gemeente van Recife een boete op aan elke Joodse meester die zijn slaven laat besnijden, dat mag voortaan pas nadat ze vrijgelaten zijn en toetreden tot het jodendom. Dit heeft ook effect in Amsterdam, daar verbiedt het bestuur van de Portugees-Joodse gemeente in 1650 het besnijden van negers en mulatten die fungeren als huisknechten bij voorname Sefardische families. Deze kentering in de halacha wordt 1689 in Amsterdam bezegeld als Rabbi David Pardo in de verkorte versie van de Sjoelchan Aroech in het Spaans, de Compendio de dinim que todo Israel deve saber y observar, het besnijdenisvoorschrift overslaat, terwijl hij slavenkwesties van minder gewicht wel vertaalt.

Van de beschuldiging door The Nation of Islam dat Joden verantwoordelijk zijn voor de onmenselijke trans-Atlantische slavenhandel blijft dus bij Mauritsstad en Recife slechts een kortstondige regionale hoofdrol over. Of die verder in de zeventiende eeuw voortgezet wordt door Joden in Suriname en Curaçao zullen we nog zien. Dan snij ik ook een andere tegenwerping aan: de stelling van sommige geleerden dat ‘de bestemming van zwarte Afrikanen voor het slavenbestaan’ gebaseerd is op de Joodse traditie over donkere nazaten van Cham die vervloekt zijn (vergelijk Genesis, de hoofdstukken 9 en 10). In dat geval zouden Joden wel de religieuze rechtvaardiging voor de handel in zwarte slaven leveren.

vrijdag 4 mei 2012
reageer op deze column
Delen |

Joden van Mauritsstad (1)

De onderneming van Hollands-Brazilië komt tot bloei omdat de WIC handig gebruik maakt van de expertise en de middelen van Sefardiem uit Amsterdam en hun vertrouwde handelsnetwerk met nieuwe Christenen in het Spaans/Portugese imperium. Ook de Joden van Recife en Mauritsstad blijken onmisbaar voor het welslagen van de eerste Nederlandse kolonie van 1630 tot 1654. Deze column verkent de Transatlantische bedrijvigheid en de plaats die de eerste Joodse gemeente in Amerika inneemt. Vervolgens ga ik na in hoeverre haar functioneren rivaliteit en intolerantie oproept bij calvinisten en katholieken. En hoe reageren bewindvoerders daar weer op?

De eerste WIC (1621-1674) probeert de suikerproductie in Brazilië en de handel naar West-Europese markten over te nemen van de Portugezen. Sinds dit luxeproduct honing als zoetstof vervangt, neemt de raffinage van ruwe suiker uit Brazilië een grote vlucht, met name in Amsterdam. Halverwege de zeventiende eeuw telt de stad bijna 50 suikerraffinaderijen. De meeste suikerrietplantages en suikermolens bevinden zich in Pernambuco en de twee aangrenzende Capitanias: Itamaracá en Paraíba. Behalve suiker produceert Pernambuco tabak, katoen en brazielhout, bestemd voor de bereiding van rode verfstof. Maar door de Hollandse verovering is de kolonie geruïneerd. Om gevluchte plantagebezitters en handelaren terug te doen keren is de belofte van geloofsvrijheid onvoldoende, ook voorraden en kredieten zijn nodig. De WIC heeft echter oplopende schulden door de enorme uitgaven voor duizenden werknemers en honderden bewapende schepen en forten. Vandaar dat Joodse migranten uit Amsterdam, met steun van rijke Sefardiem, genood worden naar Hollands-Brazilië om daar de koloniale economie weer vlot te trekken. De WIC houdt haar monopolie over de import van slaven uit West-Afrika en de export van brazielhout naar West-Europa, maar vooral Joden leveren regionaal kredieten, goederen en slaven in ruil voor ruwe suiker. Enkele van hen verwerven zelfs plantages en molens. In 1637 voert Pernambuco ongeveer duizend ton ruwe suiker uit, in 1641 is dat bijna zevenduizend ton. Ook de belastingpachters zijn meestal Joden. Vanaf het begin vormen meertalige sefardische Joden de schakels tussen de WIC en de meestal Portugese planters.

Mauritsstad en Recife ± 1650 (Nationaal Archief)

In 1636 wordt graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen, een achterneef van Willem van Oranje, benoemd tot gouverneur-generaal van Hollands-Brazilië. In januari het jaar daarop arriveert hij in Pernambuco vergezeld door geleerden en kunstenaars. Hij vergroot het landbezit van de WIC, 7 van de 14 Braziliaanse Capitanias komen onder zijn bewind, maar de hoofdstad Bahia blijft Portugees. Daarom laat hij vanaf 1638 op het eiland tegenover Recife tussen twee forten Mauritsstad aanleggen. Op de punt staat zijn residentie Vrijburgh met botanische tuin en grote vijver. Het ontwerp voor de koloniale hoofdstad is van Pieter Post, die ook betrokken is bij de bouw van zijn paleis in Den Haag, het Mauritshuis. Op deze Vingboonskaart uit Amsterdam (± 1650) met de haven van Pernambuco, ‘het dorp’ Recife en Mauritsstad is boven op het witte vlak Der Joden Begraef Plaets te zien. Vanaf nummer 39 in het centrum van Recife schuin rechts naar beneden en verder naar de stadspoort met nummer 37 loopt de Bockestraat, ook Jodenstraat genaamd (nu Rua do Bom Jesus). Hier staat sinds 1636 de Synagoga Zur Israel (Rots van Israël), de eerste van Amerika. Enkele jaren later wordt in Mauritsstad de Synagoga Maguen Abraham (Schild van Abraham) gebouwd. Chacham Isaac Aboab da Fonseca uit Amsterdam wordt 1642 de eerste rabbijn van de Nieuwe Wereld. Hij overtuigt enkele nieuwe christenen terug te keren tot het jodendom. Een van hen is Baltasar da Fonseca, alias Samuel Belillos, de aannemer die 1641-‘44 de brug tussen Mauritsstad en Recife bouwt.

Hollands-Brazilië geniet vanaf haar begin geloofsvrijheid en vrijheid van Inquisitie. Voor de verovering heeft de Staten Generaal de WIC immers geïnstrueerd: De Spaignerts, Portugiesen ende Naturelen van den Lande, ’t zy Roomsch ofte Joots-gesinde, sullen gelaten werden by hare vryheyt, sonder moeyenisse ofte ondersoeck in hare conscientien, ofte particuliere Huysen. Toch ontstaan er rond de groeiende Joodse gemeenschap af en toe conflicten. Portugese kolonisten worden geconfronteerd met een prominente groep die door hun katholieke moederland juist zijn verdreven en de Hollandse predikanten zijn nogal missionaire woordvoerders van hun protestantse natie. Vooral de synagogen stuiten op verzet van calvinistische predikanten én katholieken. De graaf van Nassau en zijn Hoge en Secrete Raad tolereren synagogale bijeenkomsten op voorwaarde dat haar ceremonieën strikt besloten blijven. De ouderlingenraad van de Joodse gemeente stelt echter verontwaardigd dat Portugese katholieken, die de Hollandse calvinisten vijandig gezind zijn, wel publiekelijk hun geloof mogen belijden. De Joodse gemeenschap, die het WIC-bewind steeds trouw steunt, zou dus meer vrijheden moeten genieten. Feitelijk krijgen ze die ook, dat blijkt alleen al uit latere klachten over hun publieke samenkomsten. En behalve in de synagogen van Recife en Mauritsstad die ze aanvankelijk, net als in Amsterdam, formeel slechts huren, komen ze ook bijeen in huissynagogen in Paraíba, in Penedo bij de monding van de Sao Franciscorivier en waarschijnlijk ook op het eiland Itamaracá voor de kust.

Een synode van de Nederduits Gereformeerde Kerk in Brazilië beschuldigt 1640 Joden van wetsschendingen: ze zouden christenen bekeren en mannen besnijden, trouwen met christenen of christelijke concubines erop na houden, etc. Maar de Hoge en Secrete Raad maakt geen haast, pas in 1645 laat ze de Heren Negentien, de bewindhebbers van de WIC, weten dat zij geen bewijzen heeft gevonden, wel zijn enkele cristaos novos teruggekeerd tot het jodendom, inclusief de besnijdenis voor mannen. De religieuze intolerantie in Hollands-Brazilië wordt ook gevoed door economische rivaliteiten. In een petitie uit 1637 verzoeken enkele Hollanders en Portugezen, uit eerbied voor de naam van Christus, onze Heer, de WIC om de toestroom van Joodse migranten én hun privileges te beperken. Vooral de rechtstreekse verkoop van goederen aan het publiek moet net als in Amsterdam verboden worden. In 1641 richten 66 christelijke winkeliers uit Recife een petitie tot Gouverneur en Raad en sturen die ook naar de Heren Negentien. Ze klagen daarin dat Joden ook de kleinhandel domineren en pleiten voor rode hoeden of gele tekens op hun kledij zodat argeloze klanten zich niet vergissen. Opnieuw weet de graaf van Nassau de gemoederen te bedaren, door een verordening af te kondigen die elke persoon, of diens slaaf, die iemand van een andere religie, natie of stand beledigt, met lijfstraffen bedreigt. Zo blijft de intolerantie binnen de perken. Alleen de gevangenis met tortuur voor een geval van ‘godslastering’ brengt zelfs de sefardische gemeenschap van Amsterdam tot de beschuldiging: ‘inquisitie in de kolonie’. Op hun aandringen waarschuwen de Heren Negentien het koloniale bewind navenant scherp.


Plechtigheid in de synagoge Zur Israel, Recife 2010

Uit dergelijke episodes blijkt hoezeer Joods Amsterdam betrokken blijft bij de lotgevallen van de Joden in Hollands-Brazilië. De sinds 1639 vereende Portugees-Joodse gemeente Talmoed Tora in Amsterdam vormt ook de hogere autoriteit die Joodse geschillen in de kolonie kan beslechten. Die spitsen zich toe, als na de plantersopstand van 1645 de Portugese aanvallen op Mauritsstad en Recife een einde maken aan de regionale handel en gebrek en schulden oplopen. Zelfs de synagoge van Mauritsstad, de wetsrollen incluis, moet dienen als een onderpand. In 1648 erkent Maguen Abraham niet langer het oppergezag van de Joodse gemeente in Recife. Zij klaagt bij Talmoed Tora in Amsterdam dat Zur Israel het koloniale bewind voor een intern Joods conflict heeft ingeschakeld. Talmoed Tora dreigt daarop dat, als Zur Israel persisteert in haar plan om de synagoge van Mauritsstad te sluiten, Amsterdam op haar beurt geen bijdragen meer stuurt voor de armen van Zur Israel. Nadat enkele vroegere christaos novos in handen zijn gevallen van Portugese ‘rebellen’ en wegens afvalligheid door de Inquisitie tot de galg veroordeeld zijn, oefent de Portugees-Joodse Gemeente van Amsterdam grote druk uit op de Staten Generaal. Die erkent de bijzondere rol van de Joodse natie en beveelt het WIC-bewind in Hollands-Brazilië dat voortaan al haar leden, met haar onroerende en roerende goederen, op dezelfde wijze beschermd en begunstigd moeten worden als de vrije luijden die geboren zijn in de Lage Landen. Dit document wordt door de Portugees-Joodse Gemeente van Amsterdam terecht bestempeld als een patenta onrossa en favor de Nossa naçao abitantes no brasil. Hier erkent Holland voor de eerste keer dat de Joden van Mauritsstad en Recife dezelfde rechten genieten als haar andere burgers. Zover hebben de Joden van Amsterdam het nog niet gebracht.

vrijdag 20 april 2012
reageer op deze column
Delen |

Joden naar Amerika

Met de komende columns steek ik de Atlantische Oceaan over en trek van Mauritsstad naar Nieuw-Amsterdam om de topografie rond de eerste Joodse gemeenten in Amerika te verkennen. Centraal staan Nederlandse kaarten uit de zeventiende en begin achttiende eeuw, vooral van de WIC (zie de doordachte en prachtig uitgevoerde Grote Atlas van de West-Indische Compagnie Deel 1, Voorburg 2011). Terugkerende vragen zijn: Hoe staat het met de religieuze tolerantie in deze koloniale streken, wat is het aandeel van Joden in de slavenhandel en welke rol speelt de Sefardische gemeente van Amsterdam op de achtergrond? Deze inleidende column schetst lotgevallen van de Gente da Naçao, Joden en nieuwe Christenen uit Portugal, van de ongekende Portugese expansie tot de Joodse gemeenschap in Recife en Mauritsstad. Daar, op de kust van Brazilië, is na een ingrijpende restauratie weer de oudste synagoge van Amerika te bewonderen.


Synagoge van Recife

Eind vijftiende eeuw zijn er ongeveer veertigduizend Joden in Portugal, zo’n 4% van de totale bevolking. De meesten zijn handwerkers en kleine handelaren en dus in de steden goed vertegenwoordigd. De Portugese vloot heeft inmiddels enkele plaatsen veroverd op de noordkust van Marokko, verder Madeira en de Azoren in de Atlantische Oceaan en enkele eilanden voor de Afrikaanse (goud- en slaven)kust. In 1488 ronden hun grote karvelen zelfs Kaap de Goede Hoop. Nu ligt de lucratieve specerijhandel op India voor hen open. Maar er zijn nog geen zee- en kustkaarten van deze contreien en op het zuidelijk halfrond is correctie van de kompasfout door oriëntatie op de Poolster onmogelijk. Nieuwe methodes en instrumenten voor plaatsbepaling op zee zijn noodzakelijk. Deze worden geleerd en geleverd door rabbi Abraham Zacuto die Middeleeuwse observaties van hemellichamen van Arabische astronomen bewerkt tot zijn Eeuwigdurende Almanak. Hiermee kan de tijd en dus ook de lengtegraad bij benadering worden bepaald. Bovendien ontwikkelt deze hofjood een bronzen astrolabium waarmee men op volle zee de breedtegraad kan vaststellen. Het eerste exemplaar overhandigt hij 1497 aan Vasco da Gama voor diens eerste zeereis naar India. Op de kustkoloniën onderweg vestigen zich ook Joden, maar om een prominente rol te kunnen spelen in het opkomende handelsrijk is bekering tot het katholicisme vereist. Zo ontstaat een groep van cristaos-novos die spoedig wordt aangevuld met naar Portugal uitgeweken Castiliaanse conversos.

Zoals bekend moeten de Joden van Spanje in 1492 kiezen tussen doop of vertrek. Een belangrijk deel vlucht naar Portugal, waar het aantal Joden verdubbelt. Hier worden de Sefardiem echter in 1497 massaal gedoopt terwijl hun mogelijkheden voor vertrek sterk beperkt zijn. De gedwongen bekering schept wel economische kansen, want nieuwe Christenen kunnen voluit ondernemen in het eerste wereldwijde handelsrijk. De Spaanse Inquisitie concentreert zich, na decennia van terreur tegen judaïserende conversos, vanaf 1520 met een ‘pedagogie van de angst’ op oude Christenen die verdacht worden van lutheranisme, sodomie of blasfemie. In Portugal wordt de waarachtigheid van de bekering van Joden aanvankelijk niet onderzocht, pas in 1540 begint de Inquisitie met haar sinistere werk. Hier blijft het ‘Heilig Officie’ generaties lang anonieme beschuldigingen van ‘judaïserende praktijken’ onderzoeken, waarbij ze na 1570 gebruik maakt van familiares, leken-verklikkers. Weigert een verdachte te bekennen en ‘mede-ketters’ aan te geven, dan dreigt confiscatie en de brandstapel. Toont hij berouw dan kan hij voor jaren verbannen worden, vooral de kolonie Brazilië doet dienst als ‘purgatorium’. Deze Inquisitie is ook een reactie op de opkomst van een nieuwe handelsklasse die de politieke en financiële hegemonie van de Portugese aristocratie bedreigt, vandaar haar obsessie met ‘de zuiverheid van het bloed’. De Inquisitie spoort niet alleen katholieken op die privé Joodse tradities koesteren, waarin kinderen pas ingewijd worden als ze dit geheim kunnen houden. Regelmatig worden ook families aangepakt die het jodendom echt los hebben gelaten. Sommigen herontdekken in de kerker echter hun Joodse identiteit als ze trots stereotypen accepteren waarmee de inquisiteur hen om de oren slaat. In die zin is de Inquisitie een fábrica de judeus.

Veel nieuwe Christenen wijken uit naar de koloniën, waar de Inquisitie minder vat op heeft, of naar handelspartners van Portugal. Als met de val van Antwerpen in 1585 de grote handelsstad weer onder Spaans gezag komt, vertrekt bijna de helft van de bevolking naar Holland. Omdat de Schelde geblokkeerd blijft trekken cristaos-novos verder naar de tolerante havenstad Amsterdam waar velen van hen terugkeren naar het jodendom, anderen blijven religieus eerder onverschillig. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) neemt het aantal Iberische kooplieden gestaag toe. Vanuit Amsterdam blijven Sefardiem met hun nieuw-Christelijke familierelaties deelnemen aan de handel in suiker en tabak uit Brazilië en specerijen en katoen uit India. Aanvankelijk loopt die nog via Lissabon, maar met de komst van de eerste beursgenoteerde ‘multinationals’, de VOC in 1602 en de WIC in 1621, gaan die luxe goederen rechtstreeks naar Holland en Zeeland. Na afloop van het bestand krijgen beide calvinistische compagnieën van de Staten-Generaal de opdracht de oorlog tegen het katholieke Spanje én Portugal (sinds 1580 in personele unie) uit te breiden naar de Atlantische Oceaan. Van vrachtschippers in Portugese dienst en kaapvaarders krijgt de WIC strategische en cartografische informatie over Brazilië. In een verslag van de Zeeuwse schipper Ruyters staat: Alle dese Cust van America, van Rio de la Plata tot de Amasonas, wert door de Portugesen beseten, die den meestendeel Ioden sijn en liever 2 Orainge vlagghen saghen dan eenen Inquisidor. De poging van admiraal Willekens om met 27 schepen, 3250 man en 489 kanonnen de koloniale hoofdstad Bahia te veroveren lukt in 1624. Op enkele uitzonderingen na maken nieuwe Christenen echter geen gemene zaak met de indringers. Als het jaar daarop een machtige Spaans-Portugese vloot arriveert moet de WIC de stad dan ook opgeven.

Inname Pernambuco 1630 (Maritiem Museum Rotterdam)

Van de bij de roemruchte kaping van de Spaanse zilvervloot door Piet Heijn in 1628 buitgemaakte 18 miljoen gulden blijft, na aftrek van dividend voor de aandeelhouders, provisie voor de WIC bewindhebbers en 10% voor de stadhouder, anderhalf miljoen over voor een nieuwe aanval op Brazilië. Deze keer is het raak, in 1630 wordt met 67 schepen en 7000 man de hoofdstad Olinda van het Portugese militaire district Pernambuco veroverd. Midden links op de nieuwsprent nemen fluitschepen onder admiraal Loncq versterkingen voor de stad onder vuur. Ook adelborst Moses Novara uit Amsterdam neemt deel aan dit beleg. Midden rechts trekken landtroepen onder kolonel van Waerdenburgh over het strand naar Olinda. Aansluitend wordt Recife aangepakt, daar breken branden uit (zie het bovenaanzicht onder ‘Povo’). Een aardig detail is het bootje geheel rechts op het profiel waar de bemanning met dieplodingen vaargeulen en verraderlijke ondieptes peilt. De verovering van Olinda komt echter onder druk te staan als vanuit het moeilijk toegankelijke achterland met moerassen en suikerrietvelden een guerilla tegen de bezetters wordt gevoerd. Die versterken daarop de landtong met grote verdedigingswerken en Recife wordt nu de nieuwe hoofdstad. Het bezit van Pernambuco wordt in 1632 geconsolideerd met de toezegging door de WIC van godsdienstvrijheid voor katholieke stedelingen en plantagebezitters. Na nog enkele jaren strijd zijn in 1635 ook de districten Itamaraca, Paraíba en Rio Grande onder compagniebestuur gebracht. Het gaat hier om een strook van zo’n 500 kilometer op de oostkust van Brazilië met een achterland tot 70 kilometer diep.

Aan de verovering en vestiging van deze eerste Nederlandse kolonie nemen ook Joden deel. Enkele Joden en nieuwe Christenen treden op als strategische informanten. Zo wordt in Madrid Antonio Vaz Henriques, zijn Joodse naam is Moisés Cohen, beschuldigd samen met Joden van Amsterdam verantwoordelijk te zijn voor de inname van Pernambuco, hij leeft daarna met de Hollanders ... in die stad. Sefardiem fungeren bovendien als tolken en vertalers voor de WIC, beheersing van Spaans en Portugees is onmisbaar voor de communicatie met de Iberische bevolking van Oost-Brazilië. Op enkele uitzonderingen na kennen we geen Joodse soldaten onder de Staatse troepen, ook niet onder de Duitse, Schotse en Noorse huurlingen. Wel is bekend dat na de reorganisatie van de verdediging in 1637 alle vrije luijden verplicht deel uitmaken van de milities, Joden worden alleen vrijgesteld van dienst op sjabbat. En op een kaart uit 1648 heet het fort tussen Recife en Olinda Jodenwacht. De bijdrage van de Joden aan Hollands Brazilië is vooral economisch. Op hun rol in de regionale slavenhandel en hun hoofdrol in de transatlantische suikerhandel kom ik later terug. Eerst moet hun numerieke aandeel vastgesteld. De enige volkstelling in 1645 spreekt over 2389 vrijluiden in Recife en Mauritsstad (met garnizoenssoldaten en negerslaven hoogstens 6000 mensen). Beredeneerde schattingen van het Joodse aandeel op die burgers lopen uiteen van 15% tot 33%. We spreken dus over 360 tot 800 Joden, voor het overgrote deel Sefardiem. Hoe tolerant Hollands Brazilië is, leest u in de volgende column over de Joden van Mauritsstad.

vrijdag 16 maart 2012
reageer op deze column
Delen |

De mythe van Masada (3)

Als Israël, de Verenigde Staten en Iran rationeel handelen komt er geen oorlog. Maar als historische mythes een exclusieve bril vormen waardoor leiders en hun achterban vijanden én bondgenoten waarnemen, ziet de toekomst voor Israël en het Midden-Oosten er somber uit. En de tijd dringt. Deze derde en laatste column over de mythe van Masada schetst de dreiging van een nucleair Iran onder Ahmadinejad en actuele verwikkelingen die zijn geopolitieke strategie ondermijnen. Daarna ga ik in op de verstoorde verhouding tussen Netanyahoe en Obama en het gevaar van een strijd van Israël op twee fronten.

Het Internationaal Atoomagentschap, de nucleaire waakhond van de VN, rapporteert recent dat Iran haar nucleaire verrijking sterk heeft opgevoerd. Maar er zijn geen bewijzen dat de Islamitische Republiek besloten zou hebben kernwapens te bouwen. De ‘opperste gids’ ajatollah Khamenei veroordeelt in 2005 in een fatwa productie en gebruik van kernwapens als ‘onislamitisch’. Het lijkt er op dat Iran ‘strategische ambiguïteit’ nastreeft. Ze wil op korte termijn kernkoppen kunnen maken, test wellicht neutronenontstekers, maar mikt (nog) niet op een kernwapenarsenaal. President Ahmadinejad wordt niet moe te herhalen dat Irans nucleaire programma alleen civiele doelen dient. Maar er zijn goede redenen zijn intenties te wantrouwen, hij is een radicale messianist. Dit vraagt om uitleg. Voor de sji’a in Iran speelt het leerstuk van de terugkeer van de sinds 941 in de grote verborgenheid levende twaalfde Imam een centrale rol. Zijn komst wordt aangekondigd door kosmische verstoringen en natuurrampen die chaos veroorzaken en door de oprukkende macht van ongelovigen en valse messiassen. Maar bij de wederkomst van de Mahdi in Mekka worden ware gelovigen verlost van alle onheil. Vanuit Kufa, de oude hoofdstad van Ali, maakt de mooie jongeman met zwarte baard een einde aan corruptie en tyrannie en vervult de aarde met vrede en gerechtigheid. ‘De messias’ maakt ook korte metten met valse geestelijken.

De religies in het Midden-Oosten (1993)

Clerici onder Khamenei stellen dat alleen God die miraculeuze terugkeer kan bespoedigen. Ahmadinejad staat echter een politieke bespoediging van de komst van de Mahdi voor, te beginnen in Iran. Met zijn populisme is hij de laatste jaren steeds meer tegenover orthodoxe clerici komen te staan. In zijn radicaal messianisme past ook het gebruik van kernwapens. Diverse figuren rond Ahmadinejads spirituele mentor ajatollah Mesbah-Jazdi hebben zich in die zin geuit. Zo oordeelt Hodjatu’l-Islam Mohsen Gharavian: er is geen religieuze beperking bij het gebruik van kernwapens als vergelding. En Hodjatu’l-Islam Saidi stelt in het weekblad van de Revolutionaire Garde dat het nucleaire programma Iran transformeert tot de dominante regionale macht. Ahmadinejad noemt de Holocaust ‘een mythe die zionisten boven God en zijn profeten stellen’. En op massameetings wordt dood aan Israël en dood aan Amerika gescandeerd. Extern is Ahmadinejad nog steeds uit op een geopolitieke sji’itische as van Iran, via radicale sji’ieten in Irak en de dominante alawieten in Syrië, tot Hezbollah in Libanon. Al heeft hij niet letterlijk beweerd: ‘Israël moet van de kaart geveegd’, toch speelt zijn oproep het zionistische regime dat Jeruzalem bezet moet verdwijnen van de pagina’s van de geschiedenis in op Arabische rancunes jegens Israël. Zo wil hij rond de sji’itische as een brede buffer creëren met radicale soennieten én, ook met geld en wapens, tegenwicht bieden aan de druk op Hamas om Israël te erkennen.

De grimmige ‘Arabische lente’ in Syrië gooit evenwel roet in dit strategisch recept. Basjar al-Assad krijgt (wapen)steun uit Rusland en milities van Hezbollah en adviseurs van Iran helpen bij het bloedig neerslaan van een volksopstand. Maar de politieke leider van Hamas in Damascus (Khaled Meshal) haakt af, omdat verwante moslimbroeders in Syrië rebelleren. Door de enorme solidariteit in de Gazastrook met de Syrische opstandelingen ontstaat er binnen Hamas grote onenigheid tussen leiders die publiekelijk stellen buiten een gewapend conflict tussen Israël en Iran te willen blijven en leiders die even nadrukkelijk verklaren dat zij dan voluit zullen toeslaan. De recente raketaanvallen op Zuid-Israël spelen ook een rol in het forceren van die interne machtsstrijd. Cruciale schakels in Ahmadinejads buitenlandse strategie dreigen dus weg te vallen. In Iran zelf heeft hij op 3 maart bij de parlementsverkiezingen een gevoelige nederlaag geleden. Aanhangers van zijn orthodoxe tegenhanger Laridjani veroverden, na eenzijdige selectie van de kandidaten door de ‘Raad van wachters’, bijna tweederde van de zetels. Weliswaar heeft Laridjani als hoofdonderhandelaar nog verklaard dat de Iraanse kernenergie deel uitmaakt van de nationale identiteit, maar hij is een doorgewinterd politicus. Als hij in 2013 president Ahmadinedjad wil opvolgen, dan moet hij de arme massa’s iets te bieden hebben. Dat lijkt onmogelijk bij voortgaande sancties. Kan Ahmadinejad nog de vlucht vooruit maken?

Premier Netanyahoe en president Ahmadinejad zijn elkaars politieke tegenpolen, maar in hun apocalyptische verwachtingen komen ze overeen. Om het nucleaire programma van Iran een zware slag toe te brengen voordat dit deels ondergronds gaat, bereiden premier Netanyahoe en zijn minister van defensie Barak een ‘pre-emptive strike’ voor. Bij de termijn waarop Israël luchtaanvallen op Iraanse installaties wil uitvoeren spreken zij niet over weken of jaren, maar over maanden. Meer tijd om voldoende effect te sorteren lijken nieuwe sancties niet te krijgen. De regering van Israël heeft haast, zij ziet het voortbestaan van Israël bedreigd door kernwapens in handen van radicale Iraniërs. Er zijn al heimelijke aanslagen op kerngeleerden en virusaanvallen op computers van kerninstalaties uitgevoerd. Iran heeft recent gereageerd met aanslagen op Israëlische diplomaten in Dehli, Bangkok en Tbilisi. Maar volgens een peiling in Haaretz is 58% van de Israëliërs niet overtuigd van de noodzaak van een luchtaanval op Iran zonder deelname van de Verenigde Staten. Critici wijzen er bovendien op dat zo’n aanval het nucleaire programma met slechts enkele jaren vertraagt en ondertussen in Iran een breed draagvlak creëert voor productie van kernwapens. Zelfs Dagan, ex-chef van de Mossad, waarschuwt publiekelijk dat door zo’n roekeloos avontuur Israël het centrum van een regionale oorlog wordt. Om een tweefrontenstrijd te voorkomen moet Israël eindelijk het plan van Saoedi-Arabië accepteren: normale relaties met de Arabische staten in ruil voor een vredesverdrag met de Palestijnen.

De Arabische golfstaten worden immers ook door Iraanse kernwapens bedreigd. Als het zover komt staan we aan de vooravond van een proliferatie van die wapens in het instabiele Midden-Oosten met zijn diverse terroristische groepen. Israël heeft al kernbommen, maar dan willen ook Saoedi-Arabië, Egypte en Turkije ze bezitten. Het vermijden van dit scenario is ook een topprioriteit van het Westen. Vandaar dat president Obama begin maart op de conferentie van het American Israel Public Affairs Committee in Washington met nadruk stelt dat de diplomatieke contacten, de Westerse economische sancties en zo nodig het militair ingrijpen van Amerika, niet gericht zijn om het gebruik van Iraanse kernwapens te verhinderen, maar te voorkomen dat Iran over kernwapens beschikt. Omdat Amerika onder meer beschikt over Bunker Buster Bombs is haar termijn voor een eventueel ingrijpen langer dan dat van Israël. Voor Netanyahoe is die publieke belofte echter onvoldoende, hij vertrouwt Obama maar half. Op de AIPAC conferentie toont hij brieven uit 1944 van het World Jewish Congres en het US War department. Op hun smeekbede om Auschwitz te bombarderen reageert het Ministerie van Oorlog afwijzend, want: such an effort might provoke an even more vindictive action by the Germans. Het beslissende verschil tussen 1944 en 2012 is de Joodse Staat. Die zal nooit meer toestaan dat het overleven van het Joodse volk op het spel komt te staan.

Netanyahoe herinnert de conferentie en Obama tot slot aan Poerim, de viering van de dappere Esther die 2500 jaar geleden slaagt in het verijdelen van de vernietiging van het Joodse volk door een Perzische antisemiet. In Netanyahoes bewieroking van het eigenmachtig optreden van Israël komt de desperaatheid en het optimisme van de mythe van Masada weer om de hoek kijken. Hij waarschuwt al jaren voor een Iraanse kernbom, maar nu het erop aankomt, vertrouwt hij er niet op dat de Verenigde Staten, ondanks de steun van een meerderheid van de Amerikanen, in actie zal komen. Het lijkt wel alsof hij aan Obama de volgende politieke visie toedicht: ‘We hebben ons net ontworsteld aan Irak, maar zijn nog verwikkeld in een uitzichtsloze campagne in Afghanistan. Nu de economie, na de ergste crisis sinds WOII weer aantrekt en er verkiezingen zijn in november, laten wij ons niet door fanatici uit Jerusalem meeslepen in een krankzinnige oorlog’. Netayjahoes vlucht naar voren is niet alleen politiek theater dat Amerika onder druk moet houden. Het is ook politieke zelfmoord op twee hoofdfronten tegelijk op te treden: Iran en de Palestijnen. Ik denk dat het onvermogen om die fronten uit elkaar te halen en vertrouwen te stellen in bondgenoten voortkomt uit het trauma van Auschwitz dat is kortgesloten met Masada zal nooit meer vallen. Ik vrees voor de toekomst van Israël.

vrijdag 9 maart 2012
reageer op deze column
Delen |

De mythe van Masada (2)

Masada zal nooit meer vallen! klinkt steeds opnieuw als het voortbestaan van Israël in het geding is. Die strijdkreet is gebaseerd op een verdichting van halve historische waarheden. Een wetenschappelijke analyse geeft echter onvoldoende zicht op de context die om een heldenverhaal vraagt. Ik schets daarom de volgende keer actuele geopolitieke en militaire verhoudingen waarin de mythe van Masada functioneert. Maar nu vat ik eerst het populaire heldenverhaal zo kort mogelijk samen.

In het jaar 66 (gebruikelijke jaartelling) begint de oorlog tegen de Romeinse overheersing. Onder leiding van de zeloten komen Joden massaal in opstand. Het keizerlijke leger slaat echter de rebellie neer, verovert in 70 Jeruzalem en steekt de Tweede Tempel in brand. Zeloten die het beleg en de verwoesting van de stad overleven, vluchten naar Masada, gelegen op een steile tafelberg bij de Dode Zee. Vanuit dit machtige fort worden de Romeinen met uitvallen bestookt totdat een heel leger door de woestijn trekt om Masada te omsingelen en te belegeren. Na drie jaar van heldhaftige strijd tegen de overmacht geven de zeloten zich niet over, maar verkiezen de dood boven slavernij.

Bezichtigingsroutes op Masada ± 1968

Nahman ben Yehuda, hoogleraar sociologie aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, heeft die mythevorming ontleed. Hij begint The Masada Myth (1995) met de bekentenis dat hij door school en militaire dienst vertrouwd is met Masada. De verontwaardiging is dus groot als in 1987 een collega de rebellen bestempelt tot ‘bende moordenaars’. Om zijn heldenverhaal te verdedigen verdiept hij zich in De Joodse Oorlog van Flavius Josephus (Jerusalem 37 - Rome ±100). Hoe men ook over de Romeins-Joodse historicus denkt, zonder zijn uitvoerige verslag is geen samenhangend verhaal over Masada mogelijk. Ben Yehuda is geschokt als hij leest dat Josephus hier consequent spreekt over sicariërs in plaats van zeloten. Zijn collega heeft blijkbaar gelijk en Ben Yehuda voelt zich door zijn Israëlische opvoeding bedrogen. Daarmee begint zijn onderzoek naar ‘collectief geheugen en mythevorming in Israël’. Ik meld slechts enkele hoofdpunten. De zeloten (ijveraars) staan bekend om hun bereidheid de wapens op te nemen tegen de Romeinse overheersing. De extreme fractie van de sicariërs (dolkmannen) pleegt echter ook aanslagen op Joodse aristocraten die met Rome collaboreren. Als zij in 66 de hogepriester vermoorden, worden ze uit Jeruzalem verdreven. De sicariërs trekken nu naar Masada dat kort daarvoor veroverd werd. Van daaruit overvallen zij Joodse dorpen om voorraden te bemachtigen. Hierbij worden, onder meer in de oase Ein Gedi, honderden vrouwen en kinderen vermoord.

Na de val van Jeruzalem belegeren de Romeinen eerst de door zeloten verdedigde forten van Herodium en Macherus. Pas laat in 72 kan het Tiende Legioen optrekken naar Masada, dat zij begin 73 veroveren. Hier ondermijnt De Joodse Oorlog de mythe van een drie jaar durende belegering. Het argument dat het Romeinse leger nooit de enorme belegeringshelling in enkele maanden kan opwerpen houdt geen stand omdat zij slechts een heuvelrug naar de vesting hebben verbreed en opgehoogd. Dat het boek niets zegt over gewapende uitvallen vanuit Masada interpreteert Ben Yehuda als bewijs dat die rebellen ‘laffe terroristen’ zijn. Archeologisch onderzoek heeft echter duizenden ijzeren pijl- en speerpunten opgeleverd die voor een groot deel in de smederijen van Masada zijn geslagen. Vechtlust kan de sicariërs dus niet ontzegd worden. Maar over hun einde lopen de verhalen nogal uiteen. Het epische gedicht Masada van Lamdan (1927) viert de rebellen als martelaren in de strijd. Schoolboeken beperken zich tot de vage melding dat zij de dood verkiezen boven slavernij. Maar de archeoloog Yadin volgt De Joodse Oorlog waar staat dat in de vesting een doodse stilte heerst als de Romeinen daar binnendringen. Na hun vrouwen en kinderen vermoord te hebben, hebben de sicariërs elkaar gedood en de laatste man zichzelf. Twee vrouwen en enkele kinderen weten zich echter in cisternen verborgen te houden. Hun getuigenis heeft Josephus in het verslag van Masada verwerkt, samen met zijn walging over die massa(zelf)moord.



Van wie zijn dit de botten?

Ben Yehuda ontdekt ook een onthutsend patroon bij professor Yadin. De opgravers van Masada komen aan het eind van elke werkdag bijeen om hun vondsten te bespreken. Deze sessies zijn opgenomen, uitgeschreven en bewaard. Als men die verslagen vergelijkt met latere publicaties zien we de mythevorming in werking. Bijvoorbeeld, 26 november 1963 ontdekt men op het laagste paleisterras op de Noordpunt drie skeletten: een jonge vrouw van 17-18, een kind van 11-12 en een man van 20-22 jaar. Yadin oordeelt dat dit geen gezin kan zijn. Maar in een boek uit 1966 wordt gesteld dat de botten mogelijk de resten zijn van de laatste strijder van Masada en diens gezin. In een encyclopedie uit 1971 en een toespraak op Masada van 1973 beweert Yadin dat het gaat om een belangrijke commandant, zijn vrouw en hun kind ‘zoals in het verslag van Josephus’, maar hierover staat niets in De Joodse Oorlog. Ook de 25 skeletten die het team van Yadin elders op Masada vindt en die 1969 een staatsbegrafenis krijgen, komen ter discussie. Yadin geeft in 1982 toe dat bij die menselijke resten ook botten van varkens zijn aangetroffen. Sommige archeologen suggereren dat het resten van Romeinen zijn, andere dat het om Christenen gaat die Masada in de vroeg-Byzantijnse tijd bewonen. Hoogstwaarschijnlijk hebben de Romeinen in 73 alle 960 lichamen van de sicariërs en hun gezinnen geruimd voor ze weer bezit namen van Masada.

Diverse kwesties zijn nog onbeslist, maar het zal u duidelijk zijn dat de mythe van Masada de laatste decennia wetenschappelijk op losse schroeven staat. Toch komt die heldenmythe steeds weer boven als het voortbestaan van Israël op het spel staat. Dat komt ook omdat Masada gekoppeld is aan de sjoa. Dit gebeurt reeds in het getto van Warschau. Lamdans Masada inspireert meer dan enig ander gedicht de heldhaftige martelaren van de opstand in april/mei 1943. En die nemen postuum weer deel aan de heroïsche veldslagen van Israël. Zo schrijft de bekende lieddichter Chaim Hefer na de Zesdaagse Oorlog in 1967 Wij waren als dromers dat vaak bij publieke ceremonies wordt opgelezen. Hierin ontmoet legerleider Rabin zijn historische tegenhanger koning David en vertelt hem over de strijd die het gevaar van vernietiging omzet in een redding zonder weerga: Niet alleen wij hebben de berg bevrijd ... met hen [de soldaten] marcheerde een hele brigade van Masada strijders. ... En naast hen waren luid en duidelijk de voetstappen te horen van allen die vermoord, afgeslacht en geplunderd zijn. Nu in 2012 Iraanse kernwapens een potentiële dreiging voor Israël en het hele Midden-Oosten vormen, bepaalt de mythe van Masada, het zal u niet verbazen, opnieuw de houding van veel bevreesde Israëliërs. Het radicale messianisme van Ahmadinedjad is ook verontrustend. Hoe Masada ook de waarneming over en weer van Netanyahoe en Obama beïnvloedt, leest u in mijn derde en laatste column over de mythe van Masada.