
Ik had net mijn auto geparkeerd in Hadar, de winkelwijk halverwege de Carmel-berg en was van plan naar een winkel te gaan toen iemand mij riep. Niet dat ik nou altijd sjoege geef als iemand "meneer" roept. Maar deze keer draaide ik mij om. Een bejaarde vrouw stond naar me te kijken. Ondanks de koude wind zag ik zweetdruppels op haar gezicht en de tientallen plastic zakjes, vol met artikelen uit een supermarkt, waren de uitleg ervoor.?"Kunt u me even helpen?", vroeg ze. Ze legde uit dat ze precies hier woonde, in een oud, Arabisch huis, gebouwd in de tijd dat de Turken hier de lakens uit deelden. Ik keek naar de zakken en vroeg haar hoe ze al dat spul tot aan haar huis had gekregen. "Ik heb geen keus...", was haar antwoord. "Huis" was op de vierde verdieping, geen lift. "Huis" was een appartement dat zonder meer ooit prachtig was geweest: het mozaïek op de vloer verraadde dat hier ooit een rijk iemand had gewoond. Wat me opviel, toen ik met alle zakjes tegelijk op de vierde verdieping aankwam, was dat het huis heel erg schoon was, maar ook verwaarloosd. Het meest frappante waren de kinderen. Ik telde al snel een 16 kinderen, allemaal in de leeftijd van ongeveer 8 tot 15. Allemaal lagen ze op een matras en deden huiswerk. Het was piepstil in het huis. ?Ik hielp de vrouw met het wegzetten van alle spullen en nam gretig een glas water aan. Ik vroeg niets, maar ze begon te praten. Haar naam was Rochamma. Ondanks dat ik haar als "bejaard" had geschat, was ze nog geen zeventig. Het leven, zo vertelde ze, had haar snel oud gemaakt. Verkeerde relaties en al jong zodanig in elkaar geslagen door haar man, dat ze nooit meer kinderen kon krijgen. De kinderen in huis waren daklozen. Voornamelijk Russische kinderen, die met hun vader of moeder naar Israel waren gekomen en op een bepaald moment het huis waren uitgezet, omdat pappie of mammie een nieuw leven wilden opbouwen en daar geen plaats voor ze was.?We kennen het verschijnsel in Israel en ook in Haifa: de kinderen leven op straat, roken, drinken alcohol en om geld te verdienen doen ze aan prostitutie of worden crimineel. Onze Staat probeert er wat aan te doen, maar uiteraard komen we geld tekort. Geen verrassing, wanneer u onthoudt dat, om te regeren, onze huidige premier 9.5 miljard shekel aan zijn coalitie partijen betaalde.
Terug naar Rochamma, die enkele jaren geleden dit verlaten appartement betrad. Ze maakte het schoon en liep op straat, waar ze die kinderen ontmoette. Enkelen bracht ze naar haar huis. Een simpele wet was er: zij, Rochamma, gaf ze een dak boven hun hoofd en zorgt voor eten, kleding etc. De kinderen moeten naar school, moeten leren, moeten goede cijfers halen en mogen niet roken, aan de drank of wat dan ook. 17 kinderen wonen er. Rochamma probeerde wat hulp te krijgen van de gemeente, maar ze staat niet officieel ingeschreven, dus kan dat niet. Ze probeerde iets van sjoels te krijgen, maar de meeste van die kinderen zijn waarschijnlijk niet Joods, dus kan dat niet. Het Arabisch-Joods centrum hielp haar met wat kleding, wat matrassen, lakens en ook krijgt ze wekelijks wat geld om eten te kopen. Op straat bedelt ze. Elke dag, vier uur lang, bij de stoplichten. En dat was het. 18 man in een ruim appartement, met 1 tafel, 3 stoelen, 1 bed. Klaar.? De volgende morgen, na het zwemmen, vertelde ik mijn verhaal aan het parlement. Yunis was de eerste die reageerde. "Gaan we nu klagen of gaan we wat doen?" vroeg hij simpelweg. Ik keek naar mijn vrienden om de tafel: iedereen knikte met instemming. Ik keek Yunis aan. "Jullie klagen altijd zoveel, doe er wat aan", zei deze. "Jullie is Jodenvolk", reageerde ik. "Weet ik, en dat bedoelde ik ook." Was het droge antwoord van Yunis, de Moslim. Hij pakte een pen en papier en begon te schrijven. Allemaal gaven we wat ideeën. In minder dan een uur hadden we een plan en taken verdeeld. We gingen aan het werk.
Een week later parkeerde ik mijn auto vlak bij het huis van Rochamma. Ik ging naar de vierde verdieping en klopte aan. Rochamma deed open. Ik hoorde nog iemand de trappen op komen en introduceerde Yunis aan haar. "Iedereen in huis vandaag?, vroeg ik. Ze beaamde dat alle kinderen nog thuis waren en zo naar school zouden gaan. Ik keek de vrouw aan. "Vertrouw je me?", vroeg ik haar. Ze keek verwilderd naar ons. Een Jood en Moslim aan de deur... of ze hen vertrouwd.... ?Ze haalde haar schouders op en knikte moe. "Mooi", zei ik en knikte naar Yunis. "We willen graag uw huis een beetje opknappen", zei deze. Rochamma keek hem aan alsof hij gek was. "Graag willen we dat ieder kind zijn spullen om zijn of haar matras legt en daarna een papier met zijn of haar naam erop", ging mijn vriend door. "En dan kan iedereen naar beneden, de bus in", voegde ik aan. "Bus? Wat??", vroeg Rochamma ongelovig. "Jullie gaan allemaal voor een nachtje weg, naar een kibboets in het noorden. Dan kunnen wij even aan het werk", antwoordde ik haar. Weer hoorden we iemand de trap op komen. Aaron, de voormalige directeur van de grootste scholengemeenschap in Haifa, kwam erbij en stelde zich voor. "Ik regel alles wel met de school", legde hij uit. Het duurde even voordat iedereen begreep wat er gebeuren ging, maar een uurtje later zat de hele bups in een autobus, met de complimenten van het Moslim Buurtcomité van Haifa. Ze gingen naar HaGoshrim, een kibboets in het noorden aan de Jordaanrivier, om eens lekker lol te hebben.?
Ondertussen haalde Yunis parmantig een lijst tevoorschijn en belde vanaf zijn mobiel. Twee examenklassen en drie vrachtauto’s hadden we geregeld: het hele appartement werd geschilderd, electriciteit werd nageken en gerepareerd en toen kwamen de spullen: 8 dubbelbedden, een tweepersoonsbed, twee kinderbedden, twee ijskasten, een gasfornuis, een oven, twee eettafels, twintig stoelen, lampen, kachels drie tv.’s, vier computers, borden, bestek, en het ging maar door. In twee dagen was het appartement een huis geworden. Ons parlementje had zijn best gedaan: alle spullen waren tweedehands, maar iedereen had nu een bed, lakens, dekens, er waren zelfs twee wasmachines en de badkamer zag er fonkelnieuw uit. Er werd een internetverbinding verzorgd en de kabeltv werd aangesloten.?
Toen Rochamma en de kinderen de volgende dag terug kwamen, zaten ze vol verhalen over een korte vakantie. Ze hadden op de Jordaan gevaren, ze hadden vreselijk veel en goed gegeten en veel lol gehad.? Toen ze boven aankwamen werd het doodstil. Rochamma moest snel zitten en begin heel stil te huilen. Ze keek Yunis aan en schudde haar hoofd. We legden uit hoe alles werkte en dat gas, stroom, water, kabel en internet voorlopig door diverse organisaties betaald zouden worden. Alle kinderen zochten hun bed op met hun spullen en voordat we het doorhadden, zaten ze aan de tafels te leren.?
We houden Rochamma in de gaten. Om de dag worden er levensmiddelen bezorgd en ook kregen we een budget van de Liberale Joodse Gemeente Haifa. ?Rochamma bedelt niet meer. Ze houdt zich bezig met de huishouding, geholpen door de kinderen en kookt. Een paar dagen geleden kwam ze om zes uur ’s ochtends naar het zwembad, toen we al na het zwemmen aan de koffie zaten. Ze had een cake gebakken.? Wat staat er ook alweer geschreven? "Wie een leven redt, is het alsof hij de wereld heeft gered." Wij hebben 18 man, (18= chai=leven...) hun leven wat makkelijker gemaakt. ?
Ik heb geen flauw idee hoe dat geteld wordt.? ©Simon Soesan
Tel Aviv is niet zo ver van Haifa: 90 kilometer ten zuiden van onze stad. En onze wegen worden steeds beter. Toch zijn er dagen, of beter nog, uren, dat men deze afstand in twee uur tijd kan afleggen: files. En waaròm weten we echt niet: tussen Haifa en Tel Aviv zijn al jaren geen stoplichten, terwijl we nabij Netanya al in de file komen te staan en heel langzaam vooruit kunnen. Dat willen we met betere infrastructuur oplossen. Maar onze president, Peres, ziet het anders. Deze man, waarschijnlijk de meest geliefde president in de korte geschiedenis van onze staat, had een idee. Op eigen houtje ging hij daarover praten met de directeur van Renault. Hij haalde Shai Agassi, een wonderkind uit de hi-tech, erbij, en het resultaat is dat we vanaf 2012 tienduizenden wagens in Israël zullen hebben, die alleen op elektriciteit rijden. We beginnen met alle leasewagens en tegelijkertijd wordt ook de privémarkt aangepakt.
Wij hebben in Israël geen benzine in de aarde zitten. Onze buren wel. En daar onze buren ons nou niet bepaald mogen, willen we ook zoveel mogelijk van die afhankelijkheid van benzine af. Is ook goed voor het milieu trouwens. Dus gaan we over op elektrische auto’s die vlot en aardig ver kunnen reizen. Hoewel: ver? Zo groot is ons landje nou ook weer niet en we kunnen nog steeds niet met onze wagens de grens over.
Jaren geleden was er een vergadering met Ariël Sharon. “Vergeet niet dat onze buren olie hebben”, werd hem toegeroepen. Sharon reageerde droog: “Zij hebben de olie – wij hebben de lucifers”, was alles wat hij zei.
Nu hebben wij elektrische wagens. Duizenden oplaadpunten worden neergezet en velen van ons hebben besloten te wachten met het kopen van een nieuwe wagen, totdat deze elektrische te verkrijgen zijn.
In één van zijn oudejaarsconferences in de jaren zestig zong Wim Kan ooit “twaalf miljoen oliebollen op aardgas” en hij vertelde dat, als het zo zou doorgaan, de olieman aan de deur zo komen en zou horen: “Nee dank u, niet meer nodig ...” Ik moest daar aan denken toen enkele maanden geleden groot nieuws Israël wakker maakte:
Ten westen van Haifa zijn de poppetjes aan het dansen. 90 Kilometer naar het westen, in de zeebodem, is een gasbel gevonden. Itzchak Tsjoeva, een succesvolle zakenman, die onder andere het wereldberoemde New Yorkse Plaza Hotel heeft opgekocht, besloot enkele jaren geleden in de zee te gaan drillen. Uiteraard werd hij voor gek verklaard en het volk in Zion maakte zich op om zijn faillissement mee te maken. Tsjoeva gaf geen sjoege. Hij besloot de plaats van het olieboren naar zijn kleindochtertje te noemen, Tamar. Het resultaat? Bijna 88 triljoen vierkante kilometer natuurgas zijn nu het eigendom van Tsjoeva en de staat Israël.
Uiteraard kwam half Europa in de rij staan om zaken te doen met Tsjoeva, maar die heeft geen haast. “We gaan eerst zorgen dat Israël helemaal onafhankelijk wordt van de benzine en olie”, zei de gemoedelijke voormalige boekhouder. Ook heeft hij geen enkele zin zaken te doen met een land dat ook maar iets van de atoommachines aan Iran heeft geleverd. Dus kan de EU het wel vergeten. Ondertussen is hij weer aan het boren geslagen en ... u raadt het al, Tamar 2 heeft een bijna identieke hoeveelheid gas opgeleverd. Domper voor British Gas, dat al klaar stond om Israël voor een opgeschroefde prijs gas te leveren. Engeland, toch al erg pro-Israël de laatste maanden, zal dus nieuwe klanten moeten vinden want Israël heeft al “nee, dank u, niet meer nodig ...” gezegd.
Al met al niet leuk voor diverse “goede zielen” die Israël al jaren olie leveren voor opgeschroefde prijzen. Maar aan alles komt een eind, ook aan de olie.
90 Kilometer ten oosten van Haifa ligt het stadje Beth She’an. Een onbekend gehucht, totdat een van de inwoners, David Levi, minister werd en het zelfs tot vice-premier schopte. Maar Beth She’an heeft nog een andere kwaliteit. Bijna tweeduizend jaar geleden werd het Romeinse dorp (toen Scythopolis geheten) getroffen door een aardbeving. Israëlische archeologen zijn er in geslaagd om het dorpje op te graven, op zo’n intacte wijze dat het nu lijkt alsof de aardbeving gisteren heeft plaatsgevonden: straten, huizen, winkels en zelfs informatieborden kwamen bijna intact tevoorschijn, inclusief een bordeel waar de prijzen met mozaïek in de vloer staan geschreven.
Uit Italië kwam men kijken hoe de Israëli’s erin geslaagd waren de Romeinse ruines een nieuw leven in te blazen. Het zag er, volgens de Italianen, veel beter uit dan het Forum in Rome.
We gaan er soms naar toe, want in het Romeinse amfitheater, dat volkomen gereconstrueerd is, worden opera’s opgevoerd. Beth She’an, een stadje waar de werkeloosheid elke familie heeft aangetast, krijgt nu een fabriek. Kunt u het raden?
President Peres, samen met Renault en Shai Agassi, heeft voorgesteld om de elektrische wagens in Beth She’an te gaan bouwen. Voor een embargo van de Arabische landen is niemand ongerust: de wagens rijden niet op olie. En ondertussen wordt er al gekeken of de wagens ook op natuurgas kunnen rijden.
90 Kilometer ten noorden van Haifa ligt Beiroet. De regering daar heeft Israël aangeklaagd bij de VN, want een land dat eigenlijk niet bestaat kan toch niet zomaar gas uit de zee halen? Toen Tsjoeva onlangs de derde gasbel aankondigde, werd het teveel voor onze buren. Je kunt toch geen land de lakens laten uitdelen, alleen maar omdat ze energie hebben gevonden??? Is toch nog nooit gebeurd???
Even recapituleren: we gaan met elektrische wagens rijden, die we in Beth She’an gaan produceren, we gaan ons eigen natuurgas gebruiken om energie te verkrijgen en misschien, als er nog wat overblijft, zullen we wat aan een bevriend land verkopen. Dat vertaalt zich in economische onafhankelijkheid, wat wel weer op een veroordeling van de VN zal uitlopen ...
© Simon Soesan
Negen jaar geleden liep een jonge Palestijnse advocate het Maxim-restaurant binnen. Het restaurant is aan het strand, hier in Haifa. In feite waren mijn vrouw, haar moeder en ik van plan die zaterdag daar te gaan lunchen, maar haar moeder wilde naar huis en dus zagen we ervan af. De jonge Palestijnse vrouw keek in het rond, zag drie kinderwagens bij elkaar staan, liep er resoluut naar toe en drukte op een knop onder haar boerka. De rest is u wel bekend: 28 doden, tientallen gewonden. Onder de gewonden was de toen 9-jarige Oran Almog uit onze wijk, die daar met zijn vader, moeder, broertje, zusje, neefje, oma en opa aan het lunchen was. Zijn moeder en zusje werden licht gewond. Zijn opa, Admiraal Almog, de voormalige commandant van onze marine, zijn oma, broertje, vader en neefje kwamen allemaal om. Oran verloor letterlijk beide ogen en kreeg ook nog tientallen moeren, bouten en stukjes staal, die in de bommen waren gestopt, in zijn lichaam. Jarenlang onderging hij operaties in Israël en in het buitenland. Uiteindelijk was het duidelijk dat zelfs de beste plastische chirurgie de littekens niet meer kon verbergen. Ook was hij uiteraard blind voor het leven. Oran gaf echter niet op. Hij besloot als blinde zonder stok of geleidehond te leven. Ook stond hij erop ‘gewoon’ terug naar school te gaan, met zijn vrienden.
Oran leerde braille en leerde zijn overgebleven zintuigen te verscherpen. Vaak kwam ik hem tegen: onderweg terug van school met wat vrienden, lopend, terwijl een vriend hem een arm gaf voor de zekerheid. Hij ging leren zeilen en werd een ware schipper. Hij bleef weg van de media en ook zijn moeder en zus leidden een bescheiden leven, ver van de drukte van journalisten. Enkele jaren geleden interviewde ik hem, als vriend van de familie. Hij vertelde toen over wat hem overkomen was en wat zijn plannen waren. Ik had moeite aan mijn redactrice destijds uit te leggen dat de persoon achter de wijze woorden slechts twaalf jaar was.
Iedereen weet nu wel dat wij een land van discussies zijn. Onze orthodox-religieuzen interpreteren bepaalde dingen erg anders dan ik en velen met mij, er zijn verhitte discussies tussen mensen die wel en niet in vrede geloven en steeds meer jongeren, voornamelijk religieuzen, worden vrijgesteld van dienst, waar tegenwoordig een bijzonder scherpe discussie over is. Mijn vaste lezers weten al dat ik beweer dat Israël uit twee groeperingen bestaat: de ene weet alles en de andere weet alles beter ...
Maar voor Oran is alles duidelijk. Het feit dat hij blind is, hield hem niet tegen om zich bij het leger aan te melden. Daar was men even verbouwereerd, maar niet voor lang. Oran heeft namelijk computertalenten waar zelfs mensen met zicht niet bij kunnen. Dus werd hij met veel warmte welkom geheten. Oran vond dat niet genoeg en verzocht, net als anderen, de rekrutenopleiding te volgen. En dat deed hij, net als in het Beatles-lied, ‘met een beetje hulp van zijn vrienden’.
‘Natuurlijk ga ik dienst doen. Het leger is verantwoordelijk voor de veiligheid van al onze burgers. Natuurlijk wil ik daar mijn steentje aan bijdragen’, legde hij uit in een zeldzaam TV-interview.
Onlangs werd hij, samen met zijn kameraden, ingezworen, toen de rekrutentijd voorbij was. Keurig stond hij tussen zijn vrienden in het gelid. Zelfverzekerd liep hij naar voren toen zijn naam werd genoemd. Precies voor de commandant stopte hij en salueerde dapper. Hij stak zijn hand uit en kreeg zijn Tenach in zijn handen, net als iedereen. Geen oog bleef droog toen hij trouw zweerde aan ons land en ons leger, zich omdraaide en keurig terug marcheerde. Met vreselijke littekens en met glazen ogen die niets zien, is zijn zicht op de wereld scherper dan van wie dan ook.
© Simon Soesan
Behalve dat we in een spannende tijd leven qua veiligheid, heeft de politie nog steeds te maken met het dagelijkse leven. Dat houdt in dat ook de ‘simpele’ dingen, zoals diefstallen, verkeer etc. moeten worden bijgehouden door onze volledig overspannen politie. Dat lukt niet al te best en dat is een van de redenen dat de Israëlische burgerwacht, die de politie vrijwillig bijstaat, behoorlijk groot is.
Maar zelfs de extra mankracht van de burgerwacht kan niet voorkomen dat de reactie van de ‘echte’ politie soms tekort schiet.
Eran, een vriend van ons, woont in een ander gedeelte van onze mooie stad Haifa. Net als wij woont hij met zijn vrouw en kinderen op de Carmelberg. Het enige verschil is dat juist zijn wijk de laatste maanden last heeft van een ‘jat-plaag’, oftewel heel veel inbraken.
Eran had al heel wat geprobeerd om het tegen te gaan: samen met buren is hij vrijwilliger bij de burgerwacht, ze deden extra patrouilles in de wijk om de inbrekers af te schrikken, maar het mocht niet baten. Ook speciale projectors op de huizen, die automatisch aangaan als een sensor bewegingen voelt, stopten de inbrekers niet.
Een paar dagen geleden, om twee uur ’s nachts, werd Eran wakker gemaakt door zijn vrouw. Ze hoorde wat om het huis. Eran sloop het bed uit, keek voorzichtig uit het raam en zag daar twee mannen met een heuse ladder die zich klaar maakten om in te breken. Eran sloop terug naar het bed en pakte de telefoon. Hij draaide 100, het alarmnummer van de Israëlische politie. Hoewel het na tweeën in de nacht was, duurde het 5 lange minuten totdat een slaperige stem “Politie” zei.
Eran legde uit wat er aan de hand was: twee figuren naast zijn huis, een ladder, de vele inbraken ...
“Spijt me meneer”, zei de dienstdoende agent, “maar we hebben geen patrouillewagens over. Maakt u maar gewoon lawaai en schrik ze af want we hebben geen manschappen over nu.” En voordat de verbaasde Eran kon ophangen, verbrak de agent het gesprek. Eran vertelde zijn vrouw zachtjes wat er was gezegd en beiden waren met stomheid geslagen door het antwoord.
Nu moet de lezer begrijpen dat Eran geen dom mannetje is en daarom zat hij even na te denken, terwijl hij uit het raam de twee figuren in de gaten hield. Na een paar minuten keek hij zijn vrouw lachend aan en greep weer naar de telefoon. Weer draaide hij 100. Weer werd de telefoon na bijna 5 minuten aangenomen. Eran gaf de agent zijn naam, adres en telefoonnummer. “Ik heb iemand doodgeschoten”, zei hij ernstig. Ik weet niet wie of wat het is, maar ik heb snel hulp nodig.” En hij hing op. Zijn vrouw keek hem verbaasd aan en vroeg of hij gek geworden was. “Let nou maar eens op”, zei Eran wijs.
Nog geen minuut later werd het geluid van loeiende sirenes hoorbaar. De sirenes kwamen dichterbij en enkele seconden later waren de sirenes al in de straat, samen met blauwe zwaailichten. In totaal reden er 8 patrouillewagens voor.
Eran was al buiten en zag de twee figuren naast zijn huis met hun handen omhoog doodstil staan. Om het huis wemelde het van de agenten. Geluiden van walkietalkies en bellende semafoons.
Een van de agenten kwam autoritair naar Eran gelopen en vroeg of hij Eran was, wat Eran beaamde.
“Ik dacht”, zei Oom Agent, “dat er een moord gepleegd was?”
“Tsja”, zei Eran, “en ik dacht dat jullie nu geen manschappen hadden ...”
© Simon Soesan
Het waren de zwartste dagen van ons volk. Duitsland bezette veel landen en ook Nederland. Twee jonge Joodse mensen, met hun beider ouders, gingen onderduiken. De vaders hadden een plek ontdekt, in Limburg: Sevenum. Een Hollandse familie, de familie Snellen, die ook actief was in heel wat verzetswerk, nam hen op, maar niet voordat ze trouwden. En dus, op een koude dag in januari 1943, trouwden ze – met jodenster en al, in een korte ceremonie.
Toen ze in 1945 begrepen dat ze, dankzij deze goede Nederlanders, het ergste overleefd hadden, gingen ze terug naar Amsterdam. Langzaam kwam de waarheid naar voren. De jonge vrouw was haar broertje verloren. Hij stierf een tergende dood in Auschwitz. Van de honderden familieleden, vrienden en kennissen kwamen er slecht enkelen terug. Later zou blijken dat het grootste percentage Joden, dat door de nazi’s was afgeslacht, uit Nederland was gekomen.
Ze begonnen hun leven weer op te bouwen. In 1946 werd hun eerste geboren, een zoon. Tien jaar later, na nog een zoon en twee dochters, werd ik geboren. Mijn ouders bouwden hun leven op in Beverwijk. Eerst een herenmodezaak, later ook nog een damesmodezaak, die beide floreerden. In de zestiger jaren kwam daar nog de eerste boetiek van Europa bij: Shop-a-gogo, die feestelijk werd geopend door niemand minder dan de Bintangs. Later waren er zelfs 5, 6 winkels, een keten.
De vijf kinderen gingen ieder hun eigen weg en eind zestiger jaren kwam de volgende generatie eraan met de geboorte van hun eerste kleindochter. Deze stoet van kleinkinderen, dertien in totaal, kwam pas in de jaren tachtig ten einde. Toen begon de stoet van achterkleinkinderen: 18 tot nu toe!
13 Januari vieren ze feest: 69 jaar getrouwd en nog steeds wonen ze op zichzelf. Met alle ups en downs die een ieder van ons ervaart en waar sommigen onder ons voor afhaken, gingen ze gewoon door.
Het is een stel apart, mijn ouders. Terwijl mijn vader vol energie met van alles en nog wat bezig blijft, is mijn moeder degene die de dingen graag van een afstand bekijkt en dan op het juiste moment met een simpele zin een voltreffer plaatst. Tweemaal in de week spreek ik ze, want ik woon niet meer in Nederland. Dankzij de familie Snellen uit Sevenum leven mijn ouders, mijn broers en zusters, hun kinderen en hun kleinkinderen, leef ik en heb ik kinderen en al een kleinzoon.
Mijn ouders hebben er 69 jaar samen op zitten. Veel hebben we van ze geleerd: nooit opgeven, optimistisch blijven en weten dat, wat er ook gebeurt, hoeveel klappen je ook krijgt, je altijd weer moet opstaan.
Ze kwamen met z’n tweeën uit de oorlog. Als we nu, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, met partners, allemaal bij ze langs willen, moet er plaats worden gemaakt voor bijna 50 man. Daar neem ik mijn petje voor af. Voor de familie Snellen uit Sevenum. En voor mijn ouders: Jaap en Betty Soesan.
© Simon Soesan