Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Ewoud Sanders

Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.
vrijdag 23 januari 2009
reageer op deze column
Delen |

Gannef

In 1857 schreef T.H. Buser een artikel over het dialect van Overijssel – het ‘Overijselsch taaleigen’ – in het tijdschrift Taalmagazijn. Een van de woorden waar hij aandacht aan besteedde was pardoes, dat volgens hem uit Overijssel kwam. Buser haalde hierbij een gedichtje aan van W.J. van Zeggelen:

Daar, kleine gannef, neem je geld.
Pardoes, jij durft wat wagen!
Je bange baas was heel ontsteld,
Zijn knecht stond ook verslagen.

Buser citeerde dit gedichtje natuurlijk vanwege het woord pardoes, maar bij gannef plaatste hij een voetnoot: ‘Gannef, waarschijnlijk een Groningsch woord, doch ook te Zwolle gehoord wordende voor schavuit, schurk, bedrieger, schelm.’

Is pardoes een echt Overijssels woord? Nee, het is een klanknabootsing (volgens Van Dale van een doffe plotselinge slag of smak) die ook toen al in allerlei dialecten te vinden was.

Is gannef een echt Gronings woord? Nee, het is een Bargoens woord dat via het Jiddisch teruggaat op het Hebreeuws gannaw, dat ‘dief’ betekent. Zonder twijfel werd het ook in Groningen gebruikt, want daar woonden halverwege de 19de eeuw relatief veel Joden en ook zij gebruikten gannef in de betekenis ‘dief’.

Zoals bekend was Bargoens de taal van de dieven. Ook in de dieventaal bestond een woord voor ‘dief’ – voor de eigen beroepsgroep dus. Als die beroepsgroep aan het werk ging, dan gingen zij ganneven – uit stelen. Een ‘dievegge’ werd in het Bargoens ook wel een gannefte genoemd. We komen in de literatuur beganneven tegen voor ‘bestelen’, afganneven voor ‘afpikken’, plus samenstellingen als aartsgannef, duivengannef en paardengannef.

Er zijn allerlei aanwijzingen dat gannef, dat in 1563 voor het eerst is opgetekend, al snel in het Nederlands ingeburgerd raakte. Zo stond het al in 1866 in de eerste editie van de Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal van De Vries en Te Winkel. Tevergeefs zal men in deze voorloper van het Groene Boekje zoeken naar woorden als goochem en gabber, maar gannef en ganneven stonden erin – kennelijk waren dit toen algemeen bekende woorden.

Toch duurde het lang voordat gannef door onze literatoren werd gebruikt. We vinden het pas vanaf het eerste decennium van de twintigste eeuw, te beginnen bij schrijvers als Is. Querido (‘jij bint è gannef, jij bint è kakhuis, è sekreet’), Justus van Maurik (‘lange Jaap met z’n bokkensik, een echte gannef’) en Henri Dekking (‘dat zaadje van dien neus weg gannefen’) – allemaal schrijvers die zich hadden toegelegd op natuurgetrouwe beschrijvingen van het gewone volk, van arme mensen, met name in Amsterdam. En ja, zonder twijfel waren er vooral in die bevolkingsgroep indertijd veel ganneven te vinden.

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in