
Tot de bekendste ‘Joodse’ woorden in het Nederlands behoort bajes. Niet dat veel mensen beseffen dat dit woord oorspronkelijk uit een andere taal komt. Bajes wordt wel als een informeel woord beschouwd (op het Journaal zullen ze het eerder over gevangenis hebben dan over bajes, hoewel Bijlmerbajes ook daar een gangbaar woord is), maar niet als een leenwoord.
Sinds wanneer komen wij bajes in het Nederlands tegen? Omstreeks 1800 is het voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld uit processtukken van de zogenoemde Brabantse Bende, in de samenstelling scheftbeijes voor ‘rasphuis’. Een rasphuis was een tuchthuis waar opgepakte landlopers, zwervers en misdadigers verfhout, met name het keiharde brazielhout, moesten raspen – zeer zwaar en smerig werk. Vervolgens komen we bajes in 1844 tegen in de samenstelling nachtbajes voor ‘nachtverblijf’ en in 1858 in de zin: ‘Uit welke bajes komt gij?’
Zoals gezegd is bajes, dat we decennia daarna in allerlei spellingvarianten tegenkomen, een ‘Joods’ woord. Via het Jiddisj is het ontleend aan het Hebreeuwse bajit, dat ‘huis’ betekent. ‘In het Bargoens werd dit woord, ten dele in navolging van het gebruik in het Jiddisj, ook toegepast op huizen of gebouwen met een maatschappelijke functie’, schrijft het Etymologisch woordenboek van het Nederlands (2003), ‘al had het bij huizen met een economische functie concurrentie van kit, keet en spieze. Bij gebouwen met een penitentiaire functie was deze concurrentie er echter nauwelijks.’
In 1906 geeft de Amsterdamse politiecommissaris W.L.H. Köster Henke in zijn boekje De Boeventaal nog als betekenissen ‘winkel, huis, gevangenis’, maar na 1950 komen we bajes vrijwel uitsluitend tegen voor ‘gevangenis’. Het woord is in de loop der tijd in allerlei samenstellingen terechtgekomen. Een kleine greep, in alfabetische volgorde:
Ik wens iedereen een goede jaarwisseling. Tot volgend jaar!