
Omstreeks 1905 kon je in Amsterdam op straat een lied horen zingen getiteld ‘Bij blonde Nel op de Ceintuurbaan’. In dat lied kwam het volgende couplet voor:
De buurt IJ IJ is een oude benaming voor wat nu De Pijp heet. Tot aan het begin van de 20ste eeuw stond deze buurt bekend om z’n prostitutie – een thema dat in dit lied bezongen wordt.
Het bijzondere van dit lied is dat het een van de vroegste bronnen is voor het woord goozertje, een woord met een Joodse achtergrond.
Gozer was toen vooral in informele kringen bekend, want in 1906 vonden we het in een Bargoense woordenlijst die hier al vaker is geciteerd en die ook hierna nog vaker zal worden genoemd: De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het in de vormen gooser en goozer. Als voorbeeldzinnen geeft hij onder meer: ‘Heb je mijn goozer vanavond nog gezien?’ en ‘Kijk me die goozers eens tippelen’. In andere (latere) bronnen vinden we het nog als gauser, goasser, gosert, gouser, gozerd, enzovoort.
Waar komt dit woord vandaan? Via het Jiddisje chosen (‘bruidegom’) is het ontleend aan het Hebreeuws chattan, dat ‘schoonzoon’ en ‘bruidegom’ betekent. Gozer is in allerlei samenstellingen aangetroffen. Ik noem er een paar:
Min of meer vaste verbindingen waren haaie goozer (‘sterke kerel’), bekneisde gozer (‘beruchte kerel’) en linke gozer (‘gevaarlijke, geslepen kerel’).
Hoe lang het gebruik van gozer beperkt bleef tot de onderwereld, is moeilijk te zeggen. Ik vermoed tot in de jaren zestig. Een van de eersten die het in een dichtbundel gebruikte was in ieder geval Willem van Iependaal, een Rotterdamse schrijver die zeer vertrouwd was met het Bargoens. In 1953 dichtte hij: