Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Ewoud Sanders

Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.
vrijdag 30 januari 2009
reageer op deze column
Delen |

Heibel

Tot de vele woorden die van het Bargoens zijn doorgedrongen in het Standaardnederlands behoort heibel. Net als veel andere Bargoense woorden komt heibel uit het Jiddisch. In die taal komt het voor in de vorm heiwel. De verdere herkomst is niet helemaal zeker. Men denkt dat het Jiddische woord teruggaat op het Hebreeuwse hèwel, dat ‘adem, wind, nietigheid’ en ‘vergankelijkheid, ijdelheid’ betekent.

Hoe het ook zij: heibel betekent, zoals algemeen bekend, ‘drukte, lawaai, getier, herrie, kabaal’ – zaken waar je doorgaans veel adem voor nodig hebt. Het woord is in 1903 voor het eerst opgetekend, in een boek van M.J. Brusse, waarin hij iemand laat zeggen: “Toe ben ’k natuurlijk ’n hijbel gaan make.”.

In de Bargoense literatuur vinden we heibel voor het eerst in 1906, in De boeventaal. Zakwoordenboekje van het Bargoensch van W.L.H. Köster Henke.

Een jaar later, in 1907, staat heibel in een verklarende woordenlijst die is opgenomen in het boek Op het dievenpad van Jan Feith. Heibel, zo lezen we hier, betekent ‘drukte, leven’ en heeft als vormvariant heilie. Dit is slechts een van de vormvarianten. Elders komen we het woord tegen in de vormen haabel, habel en – zoals hierboven bij Brusse – als hijbel.

Heibel staat doorgaans voor een flinke ruzie. Maar zoals bekend, komen ruzies in soorten en maten voor en er bestaat ook zoiets als een heibeltje, voor een klein opstootje of een beetje gekijf. We komen deze verkleinvorm onder meer tegen in een reportage die Joh. J. Hesseling in 1917 schreef in De Standaard, over het opvanghuis ‘Welkom’ in de Warmoesstraat in Amsterdam. Gaat het er nu altijd ordelijk aan toe in de zalen?, wil Hesseling van een medewerker weten. “Soms niet, luidde ’t antwoord; er komen er ’n enkele maal wel in met ’t kennelijk doel eens ’n frisch heibeltje te schoppen.”

Een fris heibeltje schoppen is een tamelijk ongewone combinatie, maar heibel hebben, krijgen, trappenof schoppen zijn min of meer vaste verbindingen. De Grote Van Dale vermeldt dat heibel hebben nog een andere betekenis heeft, namelijk ‘een grote mond hebben’. Je kunt je dit goed voorstellen: iemand met een grote mond máákt en kríjgt vaak heibel.

Hoewel heibel goed in het gehoor ligt, komt het opvallend weinig voor in liedjes en gedichten. Ik vond slechts enkele voorbeelden, met als vroegste het ‘Scheidingsfeest’ van Jacques van Tol, omstreeks 1920 gezongen door Louis Davids, een van de bekendste Joodse artiesten uit het begin van de 20ste eeuw:

Tante Na en Oome Doms gingen scheije
Want ze hadden altijd heibel met z’n twee,
Omdat Dorus altijd jajemde en staakte
En aanhalig met het schillenmeisje dee.

Ook het woord jajemen (‘drinken’) heeft een Joodse achtergrond, maar daarover een andere keer.

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in