
Jofel wordt gebruikt voor ‘fijn, heerlijk, prettig’ en ‘plezierig’. Sinds wanneer kennen wij dit woord en waar komt het vandaan?
De Grote Van Dale vermeldt 1922 als datering bij jofel, maar in feite is dit woord al iets ouder. Of, exacter geformuleerd, in feite is het iets eerder opgetekend, zij het in de vorm joven. In die vorm komen we het in 1906 tegen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van de Amsterdamse commissaris W.H. Köster Henke.
Köster Henke vermeldt joven in de betekenissen ‘goed, mooi’ en ‘uitstekend’. Als voorbeeldzinnen geeft hij onder meer: ‘Hij loopt joven gekloft’ (‘hij loopt goed gekleed’) en ‘Een joven ponum’ (‘een mooi gezicht’).
In de vorm jofel treffen we het woord in 1916 voor het eerst aan, in een Bargoense woordenlijst die werd opgesteld door J.G.M. Moormann. Moormann trok er op vrije dagen vaak op uit om zwervers, bedelaars, landlopers, marskramers en rondreizende handelaren te ondervragen over hun taalgebruik. Het woord jofel tekende hij in 1916 te Goor in Overijssel op uit de mond van een paardenverkoper, die het gebruikte in de zin ‘Den sos hef ’n jofele ros’ (‘dat paard heeft een mooie kop’).
Waar komt jofel vandaan? Waarschijnlijk is het naar het voorbeeld van sjofel (‘kaal, armoedig’) gevormd uit het Jiddisje jofe, dat ‘mooi, aangenaam’ betekent. Dit Jiddisje woord gaat terug op het Hebreeuwsejafee (‘mooi’).
Net als veel Bargoense woorden treffen we jofel in allerlei spel- en vormvarianten aan, zoals joafel en jofer. Ook joppe wordt als een vormvariant van jofel beschouwd.
Min of meer vaste verbindingen zijn of waren jofele gozer, jofele niese (‘aardige meid’) en jofele boel. J.B. Uges, die onder het pseudoniem Nono aan het begin van de 20ste eeuw diverse boeken en toneelstukken schreef met daarin veel plat-Amsterdams, voerde in 1929 in Amsterdammers dit liedje op:
Wai binne Waotergeuse
Wai hebbe roaie neuse
Trao-lao-lao, trao-lao-lao
Me lusse nou en dan wel wat
En leife joafel fan de jat
Trao-lao-lao, trao-lao-lao
En Willem van Iependaal dichtte in 1945, in Op drift:
’k Heb je Wekroep ook gelezen.
Hij was jofel, maar ik gis,
Dat het losse meiden koud laat
Of er love in Mokum is.
Een vroege bron voor de vorm joven is Het verhaal van den dief van Jan Feith. In dit boek, dat dateert uit 1909 en dat bestaat uit een lange monoloog van een inbreker, lezen we: ‘En ik had wel weer geld in die dagen, want ik stal met overleg en zoo joven mogelijk, om vooral niet gesnapt te worden.’