Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Ewoud Sanders

Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.
vrijdag 16 januari 2009
reageer op deze column
Delen |

Waarom zijn er zoveel Joodse woorden in het Bargoens?

Veel ‘Joodse’ woorden zijn tot het Standaardnederlands doorgedrongen via het Bargoens, de taal van de dieven. Hedendaagse lezers hebben daar soms moeite mee, want dit wekt de indruk dat er onder de Joden veel dieven waren. Hoe zit dat?

Voor alle duidelijk: er zijn natuurlijk Joodse dieven geweest. Joden zijn net mensen, hoor je weleens, en onder mensen komen nu eenmaal dieven voor. Sterker nog: in de zeventiende en achttiende eeuw waren in Nederland Joodse bendes actief die waren gespecialiseerd in het beroven van katholieke kerken. Verder waren er Joodse helers en Joodse pandjesbazen die het niet zo nauw namen met de wet – dat weten we uit politierapporten en oude rechterlijke stukken.

Maar hiermee kun je niet verklaren waarom er relatief veel woorden uit het Jiddisch en Hebreeuws in het Bargoens terecht zijn gekomen.

Hoe is het dan wel gegaan? Zoals bekend mochten Joden vroeger allerlei beroepen niet uitoefenen. Wat ze wel mochten, was venten en dingen op markten en langs straten verkopen. In die beroepen – venter, marskramer, marktkoopman, straathandelaar – kregen Joden te maken met veel niet-Joden. In beide gevallen ging het om arme mensen die bij elkaar in de buurt woonden in de armste wijken van de stad.

Momenteel hebben het Turks en Marokkaans relatief veel invloed op het Nederlands, met name op de jeugd- en straattaal. Hoe komt dat? In de eerste plaats door de contacten tussen die jongeren, die doorgaans in dezelfde wijken wonen. Zo is het indertijd ook gegaan met het Jiddisch en Hebreeuws.

We hebben een goede getuige van dit taalcontact, zoals taalkundigen het noemen. Het gaat om Israël Querido (1872-1932), in zijn tijd een beroemde schrijver. Querido schreef een vierdelige roman over de Jordaan en ter voorbereiding daarvan woonde hij jaren in deze Amsterdamse volkswijk. Daar zag hij woorden uit het Jiddisch en Hebreeuws langzaam doorsijpelen in de taal van de dieven, die altijd op zoek waren naar woorden die niet bekend waren bij de politie. Bargoens was in de eerste plaats een geheimtaal; de sprekers wilden met elkaar kunnen overleggen zonder dat buitenstaanders het begrepen. De Jiddische en Hebreeuwse woorden kwamen hierbij goed van pas.

De misdadigers, observeerde Querido in 1924, ‘hooren van marskramers en venters, van handeldrijvende Israëlieten, veel eigenaardig-teekenende uitdrukkingen. De Joden zijn gewend onder elkaar Jiddisch te spreken. De misdadigers luisteren scherp toe en blijken ontvankelijk voor zulk een bargoensch. De meest typische expressies pikken ze uit de conversatie op, en brengen ze zelf weer in hun spraakgebruik te pas. Hoe scherper ze hooren, hoe juister de vreemde en oneigenlijke klank der woorden wordt nagebootst. [...] Eigenaardig is echter dat de vreemde, vooral Hebreeuwsche of Jiddische uitdrukkingen vaak verschillend opgevangen en verwerkt worden. Zoo hoorde ik een misdadiger spreken van “gasjewijne” (wat zeggen wil: uit de voeten maken of verdwijnen). Een andere, een jatter (dief) sprak van “assewijne”. Een derde, een tieijs-kraker (een brandkasten-inbreker) zei weer “hasjewijnoe”. En toch bedoelden ze het ééne Hebreeuwsche woord: hashibeina.’

Zo is het dus gekomen, die ‘Joodse’ woorden in de dieventaal: door contacten tussen Joden en niet-Joden in dezelfde arme wijken.

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in