
In 1904 schreef de Joodse journalist en schilder Bernard Canter een boek getiteld Kalverstraat. In dit boek, over het leven van de Joden in Amsterdam, zijn diverse ‘Joodse’ woorden voor het eerst vastgelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor jatmoos, dat we tegenkomen op pagina 16, in het volgende dialoogje:
‘Dag Dóvid. Heb je al handgift?’
‘Natuurlijk heb ik al jatmoos. In zoo’n zaak zal men geen jatmoos hebben.’
Jatmoos gaat via het Jiddisje en Hebreeuwse jad (‘hand’) + het Jiddische moos (‘geld’) terug op het Hebreeuwse maot (‘muntjes, geld’). In 1906 werd het voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van de Amsterdamse politiecommissaris W.L.H. Köster-Henke. Ook bij Köster-Henke vinden we dit woord terug in een dialoogje, namelijk:
‘Heb je wat benosseld [hier: verdiend] vanavond?’
‘Noppes, ’k heb den heelen dag getippeld en nog geen jatmoos gehad.’
Net als veel andere ‘Joodse’ woorden kent jatmoos veel spelling- en vormvarianten. Köster-Henke vermeldt het tevens als gakmoos, jetmoos en tsjakmoos. Elders zijn nog aangetroffen jadmoos, jatmaus, jatmoes en jatmous.
Handgeld is het eerste geld dat een neringdoende ontvangt. Het idee is dat het geluk brengt. In 1949 schreef Maurits Dekker hierover in Amsterdam bij gaslicht (p. 5): ‘Jatmoos noemden de negocianten het eerste op een partij handelsgoederen of bij de aanvang van de werkdag ontvangen geld. Het werd met wat speeksel besproeid en zo mogelijk in een afzonderlijk vestzakje bewaard, opdat het voor de verdere dag geluk zou mogen brengen.’
Onder marktkooplieden is deze folklore nog niet uitgestorven. Wie de eerste aankoop van de dag doet, krijgt in sommige kramen te horen ‘God zegen je handgift.’ Ook het woord jatmoos is onder marktkooplieden nog goed bekend.
In 1965 had de Amsterdamse taxichauffeur Harry Boting een grote bestseller met het boek Wie geeft me jatmous? (met als onvermijdelijke opvolger: Nog meer jatmous. Nieuwe ervaringen van een Amsterdamse taxichauffeur).
Jatmoos wordt soms ook gebruikt voor ‘dief, zwendelaar’ en jatmozen voor ‘kleine diefstallen plegen’. Hier word jat geassocieerd met jatten ‘stelen’. Een vroeg voorbeeld van jatmoos in de betekenis ‘dief’ vinden we in een obscuur toneelstukje van Charivarius, getiteld De inbreker en het meisje uit 1925: ‘Bij mijn thuis zeeë ze allemaal dat ik voor jatmous in de wieg gelegd was.’ Een later voorbeeld is te vinden bij Jan Cremer, die in 1966 schreef, in Ik, Jan Cremer (Tweede Boek): ‘Het Nederlandse Kunstschilderswezen is een samenraapsel van parasieten, jatmozen, werkschuwen, charlatans, plagiateurs, luljanussen en kwartaalzuipers.’