Crescas handje
Bel Crescas: 020 - 640 23 80
Crescas schoolbord
Columns
Weblogs disclaimer

Ewoud Sanders

Ewoud Sanders is historicus en journalist. Hij is columnist bij NRC Handelsblad en vaste medewerker van onder meer Onze Taal, KB.nl en het Nieuw Israelietisch Weekblad. Ewoud Sanders heeft verschillende taalboeken op zijn naam staan en is bezig met een onderzoek naar het beeld van de Joden in kinderboeken én in de Nederlandse taal.
vrijdag 6 maart 2009
reageer op deze column
Delen |

Jodenlijm

In 1764 schreef M. Hofkens de Courcelles, een arts uit Alkmaar, een artikel getiteld ‘Nut der olie van jodenlym in verouderde verzweeringen der ingewanden’. In dit artikel beschrijft hij hoe je olie uit jodenlijm kunt verkrijgen en hoe heilzaam dit goedje heeft gewerkt op vier van zijn patiënten.

Olie uit jodenlijm? Maar jodenlijm is toch een woord voor ‘spuug, speeksel’?

Ja, dat is het óók. Maar oorspronkelijk betekende het iets heel anders, namelijk ‘asfalt’ of ‘aardhars’.

Bij asfalt denken we tegenwoordig in de eerste plaats aan dat zwarte, stinkende spul dat op de autowegen ligt. Dat is een relatief nieuwe toepassing, massaal gebruikt vanaf de twintigste eeuw, maar in het Nederlandse taalgebied kennen we asfalt al sinds het begin van de zeventiende eeuw, toen er van geasfalteerde wegen nog lang geen sprake was. Asfalt – een mineraal hars dat ontstaat door langzame oxidatie van aardolie – werd toen ook niet industrieel vervaardigd, zoals nu, maar voornamelijk verzameld op en bij meren waar het als vloeibare hars boven was komen drijven.

Dat gebeurde onder meer bij de Dode Zee, een binnenmeer dat deels in Israël en deels in Jordanië ligt en dat lang bekend heeft gestaan als het ‘Asfaltische Meer’. Asfalt of bitumen werd op meer plaatsen gewonnen, maar asfalt uit de Dode Zee stond in onze streken in hoog aanzien. Naar Judea, het land van herkomst, stond dit plakkerige goedje onder meer bekend als Bitumen Judaicum, jodenasfalt, jodenlijm, jodenpek, jodenpik en jodenhars. Daarnaast noemde men het ook wel mummiebalsem of mummiegom. Die laatste namen zijn ontstaan omdat men meende dat arme Egyptenaren asfalt ooit gebruikten om hun lijken mee te balsemen.

Bij ons werd jodenlijm voor van alles en nog wat gebruikt. Het had een zwarte of bruine, glanzende kleur, een sterke, onprettige geur en was licht ontvlambaar. De Alkmaarse arts Hofkens de Courcelles bereidde er een geneeskundige olie uit, graveurs gebruikten het in de 18de eeuw bij de bewerking van koperen platen, en er werd verf en vernis van gemaakt.

Echte jodenlijm van de Dode Zee was gezocht. In 1769 waarschuwde een huishoudkundig woordenboek dat het geregeld werd vervalst – dat is: vermengd met andere, goedkopere pek. Vanaf het midden van de 19de eeuw lezen we dat jodenlijm, vermengd met andere stoffen, werd gebruikt voor bestrating. Zo schreef Johan Hendrik Van Dale in 1872 bij jodenlijm: ‘Asphalt of aardhars, eene vaste of klevige stof van bruine of zwarte kleur, welke gebruikt wordt tot het leggen van terrassen en in de groote steden voor trottoirs of paden voor voetgangers’.

Ook toen asfalt allang niet meer alleen uit Palestina werd geïmporteerd, maar bijvoorbeeld ook uit Frankrijk, Zwitserland, Trinidad en Nieuw-Mexico, bleef jodenlijm bij ons de gangbare aanduiding.

De betekenis ‘speeksel’ duikt in 1898 voor het eerst op, in de vierde druk van de Grote Van Dale. Er staat bij dat het schertsend is gevormd. In 1914 wordt de betekenis gespecificeerd met een voorbeeldzin: ‘iets met jodenlijm vastplakken, met speeksel’. Jodenlijm is dus niet ‘speeksel’ tout court, maar spuug dat dienstdoet als lijm. De betekenisuitbreiding zal duidelijk zijn: jodenasfalt was plakkerig, en als lijm is speeksel goedkoop en inferieur – connotaties die we bij veel samenstellingen met jood- en joden- tegenkomen. In 1931 schreef de Vlaamse taalkundige en folklorist J. Cornelissen in dit verband: ‘Jodenlijm, speeksel, als dit gebruikt wordt bij een zeer onhandige poging om iets aan elkaar te plakken.’

Het curieuze is dat jodenlijm in de betekenis ‘spuug’ diverse vergelijkbare woorden en uitdrukkingen in het leven lijkt te hebben geroepen. Men zegt een jood in de keel hebben voor ‘een fluim in de keel hebben’. Die uitdrukking is in 1928 voor het eerst opgetekend, en wordt nog altijd in diverse delen van het land gebruikt. In Antwerpen gebruikt men jodenvet in de betekenis ‘speeksel, fluim’ (in Nederland wordt dit gebruikt voor bepaalde witte snoepbrokken). Een kind dat liep te spuwen werd in Antwerpen een jode(n)spouwer of kortweg jood genoemd.

Is jodenlijm in de betekenis speeksel nog algemeen bekend? En wordt het nog veel gebruikt? Nee, het wordt nauwelijks meer gebruikt. De afgelopen vijftien jaar is het in de dagbladen alleen genoemd in artikelen over discriminerend taalgebruik. Toch heeft het die klank niet altijd gehad. Zo schreef een lezer: ‘Mijn grootvader gebruikte het als er bijvoorbeeld een vlekje op je kleren zat of als een klein kindje een kleverige toet had: “Gebruik maar wat jodenlijm.” Gewoon speeksel dus. Daar was niets denigrerends aan.’

Vraag: hoe ervaart u het woord jodenlijm? Vindt u het een beledigend of een onschuldig woord? Of hangt dat af van wie het gebruikt?

Uw reactie:

Naam
Email
Reactie
vul de beveiligings-code in