
Een paar jaar geleden heb ik een formulier op internet gezet, waarin ik vroeg naar de bekendheid van woorden en uitdrukkingen die met Joden te maken hebben. U moet hierbij denken aan woorden als Jodenneus, Jodenkerk, Jodenstreek enzovoorts. Waar heeft u deze woorden leren kennen, wilde ik weten, in welke context gebruikte u ze en kent u nog vergelijkbare woorden?
Vooral bij die laatste vraag werden mij allerlei interessante woorden aangeleverd, woorden waar ik vaak nog nooit van had gehoord. De vragenlijst kon anoniem worden ingevuld, maar ik vroeg wel naar het geboortejaar, de geboorteplaats en naar het opleidingsniveau van de beantwoorder. Zo weet ik dat een van de vragenlijsten – in totaal kreeg ik er tweeduizend retour – is ingevuld door een man die zijn jeugd (1930-1940) doorbracht in Amsterdam en die later een universitaire studie voltooide. ,,Karakteristiek voor Amsterdam’’, schreef hij op het formulier, ,,was de voddenjood of voddenman met handkar langs de straat, soms met een speciale roep.’’ ,,Jodenjongen’’, vervolgde hij, ,,heb ik voor de Tweede Wereldoorlog zowel in neutrale zin (in de betekenis ‘joodse jongen’) als in negatieve zin horen gebruiken, afhankelijk van de context. Voor het gebruik van jodin gold voor zover mij bekend hetzelfde. Jodinnetje had een neutrale tot positieve klank.’’
Het interessantste woord dat hij toevoegde was Jodenloop. ,,Dit was een bij Joden (destijds?) nogal eens voorkomende manier van lopen (voeten enigszins naar buiten gedraaid, met als gevolg een duwend in plaats van afwikkelend lopen, gekscherend ook woestijnpas genoemd, refererend aan de veertigjarige tocht door de woestijn).’’
Ik had nog nooit van het woord woestijnpas gehoord, maar het blijkt in de Grote Van Dale te staan, met als definitie ‘vermoeide, sjokkende gang (als van de Israëlieten toen zij veertig jaar door de woestijn trokken)’.
Is het in de loop der tijd vaak gebruikt, dit woord? Nee, voor zover ik kan nagaan is dat niet het geval. Ik vond het in 1923 voor het eerst, in het tijdschrift De Gids. Daar lezen we, in een artikel van de schrijver Johan de Meester: ,,Uit den kinderbijbel weet elk, dat de joden zich veertig jaar lang moesten trainen in den woestijnpas, voordat ze een land mochten binnenstappen, dat overvloeide van melk en honig.’’
Vervolgens komen we het in 1924 tegen in de Leeuwarder Courant, in een gedicht van mr. A.W. Kamp, getiteld ‘Friesche Hardrijders’ dat is overgenomen uit de Haagsche Post:
En we komen het in 1933 tegen in een beroemde roman van F. Bordewijk, Knorrende beesten. Bordewijk voerde veel vaker Joden op in zijn romans. In 2002 schreef Hans Anten hierover in een artikel getiteld ‘Bordewijk en de joden’ (in het tijdschrift Nederlandse Letterkunde): ,, Er bestaat [...] geen oeuvre in de twintigste-eeuwse Nederlandse letterkunde van een niet-joodse auteur waarin joden en het jodendom prominenter aanwezig zijn dan in het werk van Bordewijk.’’ Over Bordewijk en de Joden valt meer te vertellen en misschien komt dat nog een volgende keer. In Knorrende beesten, een korte roman die speelt in een badplaats die plotseling internationale aandacht krijgt vanwege een conferentie, lezen we:
,,Toen werd de conferentie met nog een financiële commissie uitgebreid, en tien nieuwe vreemden verschenen, met bankiersbuiken meest. Zij namen allen intrek in Alcor. Zij waren altijd samen. Hun zware vlees dreef ’s morgens in een klomp bijeen door de branding, en later waggelde hun woestijnpas over de parade. Maar twee of drie waren anders. Die hadden de vergeestelijkte adeldom als het Joodse volk, gelijk nauwelijks een ander, kan aanwijzen.’’
Dikke Joodse bankiers met een waggelende woestijnpas, het is moeilijk te achterhalen hoe dat indertijd door lezers werd begrepen of gewaardeerd. Sowieso is het niet makkelijk te begrijpen wat hier nou precies staat. Anten schrijft: ,, Deze enigszins grotesk-deformerende beschrijving releveert de eenheid van het collectief. Traditioneel aan joden toegeschreven aspecten als woestijnpas en bankiersberoep zijn van toepassing op ieder, dus allen zullen jood zijn. De cohesie binnen dit al zeer selecte gezelschap van deskundigen is uitsluitend in positieve zin aangetast door een nog grotere uitmuntendheid van enkelen. Die ‘vergeestelijkte adeldom’ kan eigenlijk alleen maar door het joodse volk bij zichzelf worden aangewezen, zo althans interpreteer ik deze moeilijke passage.’’
Hier is vooral van belang dat Bordewijk de woestijnpas als iets typisch Joods zag, net als de invuller van mijn vragenformulier. Dit roept diverse vragen op. Kwam deze afwijkende manier van lopen indertijd inderdaad relatief vaak bij Joden voor? En zo ja, ging het dan soms om een bepaalde ziekte? Sommige ziektes komen immers vaker in een bepaalde bevolkingsgroep voor of zijn gekoppeld aan armoede. Zo hadden relatief veel Joden vroeger last van een bepaalde oogziekte, namelijk trachoom. Geldt iets dergelijks voor de woestijnpas, ook wel woestijngang genoemd? Hadden relatief veel Joden platvoeten, zoals je soms hoort ? Of hebben we hier simpelweg te maken met een antisemitisch vooroordeel? Alle aanvullingen zijn van harte welkom.