
Zoals andere mensen een kont hebben, zo hadden wij volgens mijn vader een togus. Bips heb ik hem zelden of nooit horen zeggen – ik vermoed dat hij het, net als ik, een truttig woord vond. Reet zal hij wellicht aan de grove kant hebben gevonden, hoewel hij, in voorkomende gevallen, zonder aarzelen de kwalificatie dikke reet zal hebben gebruikt. Plus reetje, wat juist weer liefelijk klinkt.
Oversized togus
Maar togus was voor hem het gangbaarst. Je moest op je togus blijven zitten, je kon – alleen spreekwoordelijk – een schop onder je togus krijgen, sommige mensen hadden volgens mijn vader dringend behoefte aan gember in hun togus, en een paar keer heb ik hem horen zeggen, kwaad of gekscherend: ‘Je kunt mijn togus kussen.’
Kortom, togus is mij met de paplepel ingegoten en lang heb ik niet geweten dat het een Joods woord is.
Waar komt het vandaan? Via het Jiddisje tooches is het ontleend aan het Hebreeuwse tachat, dat ‘onder, beneden’ betekent.
Net als veel Joodse woorden komt togus in allerlei spellingvarianten voor. Ik heb tot nu toe togus geschreven, maar volgens de Grote Van Dale moet het toges zijn. Als vormvariant kent Van Dale tokes. Elders zijn onder meer nog aangetroffen dokes, toches, tochus, togas, tooges, tokus en tooches.
Het woord is in 1887 voor het eerst opgetekend, door H. Molema, in diens Woordenboek der Groningsche volkstaal, in de vorm tokes. Molema gaf de betekenis, podex, alleen in het Latijn, wat indertijd de gewoonte was bij grove woorden. Podex betekent namelijk ‘aars’. ‘Schertsend zegt men tegen een kind’, voegde Molema hieraan toe: ‘krigst wat veur dien tokes’. Hij kende het woord ook uit het Westfaals, als tûkus, en als laatste toevoeging schreef Molema: ‘Wellicht Bargoensch.’
En inderdaad, togus is later in allerlei Bargoense bronnen opgetekend. Niet alleen voor ‘achterste’ trouwens, maar ook voor ‘vagina’, hoewel die betekenis minder vaak voorkomt.
In de literatuur werd togus aanvankelijk alleen door Joodse schrijvers gebruikt. Zo schreef Israël Querido in 1901 in Levensgang: ‘Ze kijk je nog niet an mit ’r toches!’ In 1904 schreef Herman Heijermans in Diamantstad: ‘Loop ’m nou achter z’n togus’ en in 1906 schreef Jules de Vries in Ghetto-schetsen: ‘Vannach kan je an je man, de blauwe plekke op je togus late’. Bij Heijermans komen we bovendien deze dialoog tegen:
Vanaf het eind van de jaren twintig komen we togus ook bij niet-Joodse schrijvers tegen.
Togus is in allerlei samenstellingen en uitdrukkingen terechtgekomen. Als samenstellingen zijn onder meer gevonden togesgevatter voor ‘plakker, iemand die je niet kwijt kunt raken’, togeslikker voor ‘gatlikker, kontkruiper’, togesmisjpoge voor ‘verre familie’, en togesponem voor ‘blotebillengezicht’.
Enkele fraaie Jiddisje uitdrukkingen met togus zijn: mit aan tooches ken man nit ouf zwaa chassenes sitzen (‘met één achterwerk kun je niet op twee bruiloften zitten’), vrij te vertalen als ‘je kunt niet op twee plaatsen tegelijk zijn’; e grousse tooches hot e grousse boks neiteg (‘een grote derrière heeft een grote broek nodig’), wat betekent ‘wie op grote voet leeft, heeft veel geld nodig’; toges nevieges voor ‘veel drukte om niets’; dat plak ik an m’n toges voor ‘daar trek ik me niks van aan’; en in en uit m’n toges voor ‘twee handen op één buik’.
Tot slot een anekdote die Tamarah Benima in 1982 optekende over Hartog Beem, een van de grootste kenners van het Jiddisj. ‘Sprekend over Harderwijk komt Beem ook te praten over de kwajongensstreken die hij samen met zijn jongere broer Emanuel uithaalde. “Er was een christelijke kruidenier die graag Hebreeuws wilde leren. Wij hebben gezegd dat het niet zo eenvoudig was. Nee, dat wist hij, maar ik moet eens tegen jullie geloofsgenoten die op Sjabbat op de markt komen kunnen zeggen: mijnheer het is vandaag Sjabbat. Toen hebben we hem geleerd: Togus Nefiche Sefanes Mehannes Sefots (schrijfster dezes hoopt dat ze het juist weergeeft). Hij heeft het geleerd en ook tegen een jood gezegd. Die kreeg gewoon een lachstuip.’
Het is aan de lezers van deze column om dit zo goed mogelijk te vertalen, want hoewel de strekking duidelijk is (iemand iets onbehoorlijks laten zeggen), kwamen de deskundigen er niet precies uit.