
Afpeigeren, asjeweine en attenoje zijn woorden met een ‘Joodse’ herkomst.
afpeigeren
afsterven; dodelijk vermoeien
In 1858 voor het eerst opgetekend, in het levensverhaal dat ‘een ontslagen gevangene’ vertelde aan mr. C.J.N. Nieuwenhuis. Het komt hierin voor in de verbinding pijger maken voor ‘doden’. In 1899 vinden we het als pijgeren voor ‘vermoorden’. In 1906, in een Bargoens woordenboekje getiteld De Boeventaal, vermeldt de Amsterdamse commissaris W.L.H. Köster Henke peiger en pijger voor (onder andere) ‘dood, lijk, kapot, bedorven’, peiger maken voor ‘dood maken’ en peigeren voor ‘sterven, doodgaan’. De afleiding afpeigeren, met de nu gangbare betekenis ‘dodelijk vermoeien, afsterven’, duikt pas in 1928 voor het eerst op. We treffen dit woord ook aan in de vorm afpaageren. Het Jiddisje peiger is ontleend aan het Hebreeuwse pèger, beide met als betekenis ‘lijk, kadaver’.
asjeweine
weggaan, ervandoor gaan; kapot; dood
Asjeweine is in 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het als asjewijne en als gasjewijnen voor ‘weggaan, er van doorgaan’. Als voorbeeldzin geeft hij onder meer: ‘Maak de schim asjewijne’ (‘verdonkeremaan de bewijzen’). Asjeweine is in een recordaantal vormvarianten aangetroffen, waarvan gasjewijne, kasjewijle, kasjewijne, kassiewijle, kassiewijne en sjewijne het vaakst voorkomen. Het woord is via het Jiddische hasjeweine (‘weg, verdwenen’) ontleend aan het Hebreeuwse hasjivenoe (‘doe ons terugkeren’). Dit is de aanhef van de liturgische tekst bij het wegdragen en aan het gezicht onttrekken van de wetsrol aan het eind van de Joodse eredienst.
Min of meer vaste verbindingen zijn asjeweine gaan voor ‘weggaan’ of ‘doodgaan’ en asjeweine maken voor ‘laten verdwijnen’.
In 1924 schreef Is. Querido in een essay over het Bargoens, dat in 1931 werd opgenomen in zijn boek Mijn zwerftochten door Jordaan en donker Amsterdam:
attenoje
Deze bekende uitroep van verbazing, verontrusting of ontsteltenis is
1901 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst, maar zonder twijfel is zij ouder. Attenoje komt in zeer veel vormvarianten voor. Een greep: addenom, adennoje, atenoje, attenoie, attenoj, attenom, attenooi, attenooie, ottenoj, ottenoje, te-noij, enzovoort. In 1906 duikt de uitroep voor het eerst in een Bargoense woordenlijst op, andermaal De Boeventaal van Köster Henke. Die definieert het als ‘hemel, zeg, kijk’ en geeft onder meer als voorbeeldzin: ‘Attenoj daar komen Heintje en Pastoortje’ (‘hemel, daar komen twee bekende rechercheurs’). Attenoje is via het Jiddisje Addenoj ontleend aan het Hebreeuwse Adonai, beide voor ‘mijn Heer’ (God).
Een verwante uitroep is attenojeleheine (ook met zeer veel vormvarianten). Dit gaat terug op het Hebreeuwse Adonai (‘mijn Heer’) plus Eloheinoe (‘onze God’).
Aanvullingen zijn welkom, zoals altijd.