
Vorige keer ging het hier over het woord woestijnpas, dat volgens de Grote Van Dale ‘vermoeide, sjokkende gang (als van de Israëlieten toen zij veertig jaar door de woestijn trokken)’ betekent. Ik vond wel een paar plaatsen in de literatuur, maar relatief weinig. Bij nader onderzoek bleek dat niet woestijnpas de gangbare aanduiding was, maar woestijngang. Dat woord komen we op diverse plaatsen tegen, onder meer in een brief van de verzetsheld dominee Dirk Arie van den Bosch.
Van den Bosch was Hervormd predikant in Den Haag. Zijn preken trokken duizenden mensen. In november 1940 verscheen een boek van zijn hand waarin hij waarschuwde voor het gebrek aan menselijkheid, getiteld 666, Het getal eens menschen. Naar aanleiding van dit boek werd Van den Bosch opgepakt en na een verblijf in het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen kwam hij terecht in het concentratiekamp Amersfoort. Daar gaf hij kerkdiensten en bijbelles en vanwege de grote morele steun die hij de gevangenen bood, kreeg Van den Bosch na de oorlog het Verzetskruis. Postuum, want hij overleed in 1943 aan de combinatie van dysenterie en een kaakontsteking.
Uit kamp Amersfoort schreef Van den Bosch allerlei brieven en die zijn in 1946 gebundeld door zijn dochter, onder de titel Dominee D.A. van den Bosch. Op 31 augustus 1941 schreef Van den Bosch vanuit de strafgevangenis in Scheveningen aan zijn vrouw:
,,De Joden draagt men zooals je wellicht weet niet zoo’n gloeiend warm hart toe. Met uitzonderingen natuurlijk, zooals iedere nette regel die heeft. De kleermaker hier b.v. is een Jood van zijn haren tot z’n voeten. Zelfs de woestijngang ontbreekt niet, dus twijfel is voor zelfs de domste D[uitser] uitgesloten. Maar deze man wordt in de watten gelegd omdat hij voor de lui, pardon de ‘heeren’ zelfs voor hun dames zoo goedkoop en zoo fijn costuums en mantelpakken maakt.’’
We vinden het woord woestijngang trouwens ook bij een Joodse schrijver, namelijk Salvador Hartog. Die schreef in 1981 in een boekje getiteld Meijer en ik, waarin hij herinneringen ophaalt aan zijn Joodse jeugd in Limburg: ,,Niettegenstaande zijn woestijngang – zijn voeten noemden we strijkijzers – en zijn meer dan levensgrote Cyrano de Bergerac-neus, die uitdagend onder zijn flambard uitstak, werd hij zelden voor jood uitgescholden.’’
En in 1989 lezen we bij een andere Joodse schrijver, Lisette Lewin, in Voor bijna alles bang geweest: ,,In alle oprechtheid was Irma – ofschoon de twee mannen in haar leven joden waren – ervan overtuigd dat bepaalde uiterlijke kenmerken en eigenschappen ‘typisch joods’ waren en dat je die, voor zover mogelijk, moest onderdrukken of verbergen. Ze had zich tot taak gesteld Emma’s uiterlijke verzorging op zich te nemen en haar goede manieren te leren. Daarbij hoorde vanzelfsprekend dat Emma moest leren zo min mogelijk ‘joods’ te zijn. Krom lopen was joods, evenals je voeten naar buiten zetten in de ‘woestijngang’, hard praten, tactloos zijn, ad rem of geestig proberen te zijn, slordig zijn, je onvrouwelijk gedragen.’’
Ik blijf benieuwd naar de ervaringen en herinneringen van lezers over deze typische manier van lopen. Kwam dit inderdaad relatief vaak bij Joden voor of gaat het hier om een vooroordeel? Ik hoor graag van u.