
Ik heb een vriendin die het woord nog weleens gebruikt. Zij komt uit Den Haag en als zij het over een 'meisje' of 'vrouwtje' heeft, dan zegt zij soms niesje.
Net als veel andere 'Joodse' woorden in het Nederlands, is niesje voor het eerst opgetekend in een Bargoense woordenlijst. Dat gebeurde omstreeks 1860, door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Hij noteerde het in de vorm niesse en gaf als betekenis 'dame'. In dezelfde tekst is sprake van een gesjankte niese voor een 'getrouwde vrouw'. Vervolgens vinden we dit woord in 1906 in De Boeventaal van Köster Henke, die het woord ruim dertig keer gebruikt in voorbeeldzinnen. Als definitie geeft hij 'dame, meid' en de opmerkelijkste voorbeeldzin luidt: 'Dat niese is bezoles van het fietsen'. Bezoles betekent 'ziek, bedorven, kapot' en fietsen wordt hier gebruikt in de betekenis 'uitoefenen van de bijslaap'. Kortom: dat meisje heeft een geslachtsziekte opgelopen. Köster Henke voegt zelfs nog een rijmpje toe, namelijk:
Als min of meer vaste verbindingen vermeldt Köster Henke: tof niese voor 'mooie meid' en olmse niese voor 'oude vrouw'. Als verkleinvorm noemt hij niesetjes (voor 'dametjes'). Tegenwoordig is niesje de meest gangbare verkleinvorm. We komen het woord ook tegen als iesie, iesje, niesche, nieze, enzovoort.
Waar komt het vandaan? Via het Jiddisje iesje is het ontleend aan het Hebreeuwse iesja, dat 'vrouw' betekent. De 'n' is erbij gekomen als restant van een bezittelijk voornaamwoord (m'n iese, z'n iese). Niese is in allerlei samenstellingen aangetroffen, waaronder dolmniese (in 1937, voor 'hospita, slaapvrouw'), stinkniese (in 1906 voor 'vuile meid, hoer') en peesniese (in 1937 voor 'publieke vrouw').
Niese komt onder meer voor in een bekende smartlap uit 1966, 'Verbroken geluk', geschreven door Louis Noiret en vertolkt door Manke Nelis: